Het groote feest te Koeningan zou twee dagen duren. Eerst had men het
op drie gesteld, om van oude gewoonten niet af te wijken; maar de
„positie” van Roos werd in aanmerking genomen. Het zou, meende mama,
veel te vermoeiend voor haar zijn. Er kwam toch nog na het feest een
dag van rameh-rameh voor de boedjangs, en dan had zij toch nog weêr
drukte genoeg. Twee dagen en twee nachten,—het was toch al wèl! De
heele familie was weken te voren in ’t getouw. Aan zaken kon haast niet
gedacht worden. Eerst had de verzoening met tante Clara plaats gehad;
zij en Roos hadden elkaar onder veel gehuil en zenuwachtigheid gezoend,
links en rechts; toen, opdat het compleet zou zijn, had Geber, die,
verlegen met z’n figuur, er tamelijk onbeholpen bijstond, ook een hand
gekregen en een zoen; dat laatste vooral had hem bijzonder vreemd
aangedaan. Hij vond het gek. Al de jaren, die hij tusschen zijn korte
relatie met Clara en zijn huwelijk op het land had geleefd, op de
gebruikelijke wijze, had hij daaraan zoo goed als nooit gedacht en
gebeurde het—eer met schrik en tegenzin, dan met genoegen. Nu sedert
hij wel en wettiglijk was getrouwd, en zelf de verplichtingen had, die
hij ten volle besefte, en die hij vast van plan was na te komen, maalde
het hem telkens door het hoofd, met een begin van begeerte, dat hij
zijn best deed te onderdrukken, doch waarmeê hij meer moeite had dan
hem lief was.
Een der drukke dagen van het feest was weêr afgeloopen. Er was een
onophoudelijk verkeer tusschen Koeningan en de stad, met de rijtuigen
der Uhlstra’s en der Geber’s; met karretjes vol boodschappen-doende
bedienden, met grobaks, beladen met dranken, eetwaren en bedden.
Tweehonderd gasten zouden twee nachten logeeren! Al wat maar eenigszins
beantwoordde aan het begrip „kamer” was in beslag genomen, en nog
schoot er ruimte te kort, want het waren niet de eersten de besten, die
te gast zouden komen; het waren, zoo ambtelijk als particulier, de
meest notabelen, en nu kon men wel de jongelui, die men natuurlijk voor
de vreugde had gevraagd, bij troepjes logeeren, de bokken bijeen, en de
geitjes bij elkaar,—maar voor de gehuwde deftigheden stelde men zich
vanzelf veel hoogere eischen; het was onmogelijk het stelsel van
„samenpakking” op hen toe te passen. Daarom had Uhlstra een groot
bamboezen gebouw laten zetten, in twaalf kamers verdeeld, om het
hoofdgebouw zooveel mogelijk vrij te hebben voor lieden als Markens,
Lugtens en zoo.
Mama logeerde nu al acht dagen op Koeningan. ’s Morgens klokke vier was
het of haar zenuwgestel gelijk een uurwerk tot springens toe was
opgewonden; het liep door den heelen dag, zorgend, beredderend, van de
kamers naar de goedang, vandaar naar de aankomende grobaks, lijstjes
makend van wat er nog noodig was; iedereen onder hoogen druk en in
sterke spanning brengend door onophoudelijk gepraat, door opdrachten en
bevelen, tot de aan rust en kalmte gewende inlandsche bedienden
heelemaal bingoeng waren, en het Geber als dronken makend naar de
hersenen steeg.
„Goede God, Roos!” zei hij nu en dan. „Je ma, je ma!”
Zij lachte er hartelijk om.
„Ze zorgt maar lekker voor alles, weet-je. Als ik háár niet had, was
het me niet mogelijk klaar te komen met den boel.”
„Dat is waar. Ze zorgt voor alles, ze werkt zich op; maar ’t is soms
verschrikkelijk om te zien en te hooren. Ik word er halfgek van.”
Dat vond Roos allergrappigst. Zij was dit van haar moeder gewoon van
kindsbeen af, en zij wist dus niet beter of ’t hoorde zoo. Zelf bleef
zij er doodkalm onder, heel leukjes met haar als ’t ware elken dag
toenemenden omvang door het huis loopend in een soort zeemansgangetje,
de armen van het lijf, de handen min of meer bemorst met deeg voor
taarten en gebakken, maar rustig en gemoedelijk haar gang gaand den
heelen dag.
Tot ’s avonds.
Dan konden mevrouw Uhlstra en Roos nauwelijks den etenstijd afwachten,
en gingen zij zoo vroeg mogelijk slapen om den volgenden ochtend de
vertooning opnieuw te beginnen.
Geber zat den heelen avond alleen met z’n sigaar; zoo erg alleen als
men ’s avonds zit in de binnenlanden. Dan pikirde hij ook al over het
aanstaande feest en wat er voor noodig was; over zijn gasten, de manier
om hen bij het logeeren te verdeelen, en ten slotte dacht hij dan
vanzelf aan Clara, die met Lugtens de kamer naast de zijne zou
betrekken. Hij drong het idee terug, maar het kwam na tien minuten of
’n kwartier als vanzelf weêr op den voorgrond....
Het maakte hem bang. Bij het halve licht der enkele lamp in de groote
galerij, met de zwarte duisternis buiten den verflauwend uitstralenden
kring, en in de stilte der eenzaamheid, had hij een gevoel, dat hem
vrees aanjoeg en telkens weêr over hem kwam. Zou het de straf zijn? Zou
men niets kunnen doen buiten de lijn van het conventioneel goede,
zonder dat het zich wreekte vroeg of laat? Sleepte elke verkeerde
handeling altijd haar eigen noodlot achter den mensch aan, vroeg of
laat, zijn leven lang? Stond het vast, dat hij, nu zoo rustig en
gelukkig, weêr onverbiddelijk zou gedreven worden in de richting,
waarin hij beloofd had niet te zullen gaan?
Het was om te lachen! Men mocht dan eens ’n stommiteit doen, dacht-ie,
maar daarmeê was het uit! Hij was niet ezelachtig genoeg zich tweemaal
te stooten aan denzelfden steen. Eigenlijk was het toch een plezierige
herinnering! Met het gewone spottende glimlachje op z’n gezicht, rookte
hij welbehagelijk voort, den rook nakijkend, die opwaarts spiraalde.
Als men altijd even behoorlijk en fatsoenlijk was geweest, moest het
leven gruwelijk vervelend worden. Zoo’n enkele „grap” bleef altijd ’n
goede herinnering; men denkt ten slotte meestal met meer sympathie
terug aan z’n „stoutigheid”, dan z’n „braafheden”. Maar geen recidiven!
Daar zou waarachtig niets van komen. Het zou hem belachelijk maken, zoo
er nu nog iets bestond tusschen hem en Clara, die al ’n heel eind in de
veertig was, terwijl hijzelf zoo’n jonge vrouw had, al was die wat
ongracieus, vooral tegenwoordig.
In de slaapkamer had mevrouw Uhlstra zijn plaats ingenomen naast haar
dochter; Geber ging in de gewone logeerkamer, ongezellig, alleen.
Hij mijmerde steeds voort.
Voor het eerst vond hij, dat het huwelijk soms iets tegen had. Als hij
enkel met Roos op Koeningan was, deed ieder zijn werk, en daarna
praatten ze samen en amuseerden zich met elkaar. Nauwelijks was er een
derde iemand, of dat was uit.
Kwam er een mannelijk familielid of een vriend, dan had hij afleiding,
en mocht zij het leven vervelend vinden; logeerde er een dame, dan kon
hij zich als tijdelijk op stal gezet beschouwen.
Nu kwam nog dat ophanden kinderen-krijgen erbij, waarover de heele
famielje Uhlstra zoo in haar schik was. En eerst die vervelende partij!
Tien duizend gulden zou hem dat grapje, ruw-weg gerekend, kosten. Het
leven was duur, vreeselijk duur, en wat had men eraan? Moeiten en
kosten met een minimum genot. Mocht men ergens plezier in hebben, dan
liet men het meestal na om ’t onfatsoenlijke of de soesah!
Roos, die nooit in Europa was geweest, kon niets in de krant
geadverteerd zien of ze moest het hebben. Naar den prijs werd niet
gevraagd. Het huis stond vol met nonsens-dingen, die duizenden gekost
hadden, en waarnaar nooit iemand omzag. Nu weêr die partij; straks de
bevalling! Hijzelf kocht altijd de fijnste wijnen, de duurste sigaren;
de nieuwst-modische kleeren bij den voornaamsten kleermaker, die droeg
hij enkel bij gelegenheid. Roos kon haast geen modejournaal zien of zij
schreef naar Parijs om een nieuw toilet, en ze leefde maand in maand
uit in sarong en kabaai! En zoo was het met alles. Terwijl zij haast
nooit anders at dan rijst met sambal, een stukje gedroogd vleesch of
zoo, en inlandsche vruchten, stond haar goedang volgepropt met de
fijnste blikjes, die opeengestapeld geheele muurvakken bedekten, als in
een toko.
Zij zelf leefden feitelijk van zoo weinig, dat het uit een gewoon
ambtenaarstractementje had bestreden kunnen worden, niettemin kostte
het huishouden schatten; het zou hoe langer hoe meer gaan kosten, dat
stond, bij het in aantocht zijnde kinderleger, vast als een muur. Hij,
Geber, was niet jong meer, en kon zijn kans om voorgoed naar Europa te
gaan, wel als verkeken afschrijven. In den eersten tijd van zijn
huwelijk had hij daaraan heelemaal niet meer gedacht. Nu kwam het
ineens bij hem op met een hevig verlangen. Nog vier, vijf jaren had hij
tijd om prettig te kunnen gaan, wat in zijn, zooveel jaren door het
old-bachelorschap vastgewoekerde begrippen, beteekende, dat hij zich
nog te Parijs op bals en zoo kon vermaken. Dan was het uit. Dan kon hij
er nog wel eens heengaan, maar ’t was het ware niet meer; hij zou aan
zichzelf verplicht zijn zich tot de buitenkantsche genoegens te
bepalen; hij kon dan evengoed ’n optrekje huren aan den Rijn bij Leiden
en zich daar oefenen in ’t pooieren....