„WEL, DIE TANTE CLARA!”
In zijn heelen omvang begreep Clara zelf ook niet wàt het eigenlijk
was. Haar begrip bepaalde er zich hoofdzakelijk toe, dat dit kleine
nest haar huistiran een fameus koopje had gegeven, en er hem geweldig
had laten inloopen. Als zoodanig vertelde zij het haar zuster, hoorden
het ook de meisjes Uhlstra en vernam Geber het, toen hij Zaterdag ’s
avonds naar de stad kwam om er den Zondag te vertoeven, van z’n
aanstaande bruid, tusschen twee drukten van het uitzet. Hij, beter
opgevoed en meer ontwikkeld, voelde wat er meer achterstak dan een
gewoon koopje, doch hij hield dat voor zich.
Ook sprak hij liefst zoo weinig mogelijk over de familie Lugtens. Hij
kwam er aan huis zoo’n enkel maal, en werd altijd gevraagd als er een
diner of een feest was.
Bij z’n vrijwillige bezoeken maakte hij het zoo kort mogelijk; bij
bijzondere gelegenheden zat hij, zoodra het eenigszins kon, aan de
hombertafel.
De groote tegenstelling tusschen het krachtig despotiek karakter van
Lugtens en de indolente onverschilligheid van Geber was geen reden van
terughouding; zij belette niet dat de twee mannen elkaar gaarne
mochten. Integendeel, Lugtens had een bijzondere sympathie voor Geber
en zei dikwerf, dat het hem genoegen zou doen als Geber, wanneer hij in
de stad was, altijd ten zijnent kwam logeeren en voor ’t minst ’s
avonds familiaar binnenliep om à la fortune du pot meê te eten. ’t Was
nooit gebeurd; de vrijwillige visites van Geber behoorden altijd tot de
groote zeldzaamheden, en toen men hem nu, terwijl hij bij zijn meisje
zat, vertelde van het roekeloos feit, dat in aller oogen de kleine Lena
had onderstaan, liepen zijn gedachten terug naar een lang vervlogen
tijd, jaren geleden; een tijd waarin de oorzaak lag van zijn
teruggetrokkenheid. Hij zou nu trouwen met Roos en geparenteerd worden
aan Lugtens en diens vrouw! ’t Was dwaas, dacht hij, en terwijl hij met
een spottenden glimlach over dat dwaze zat door te pikeren, schoot
plotseling Roos uit den hoek met een opmerking die hem trof.
„Weet je,” zei ze, „het is heel vreemd, tante Clara is de eenige die me
niet gefeliciteerd heeft met m’n engagement.”
„Ze heeft het mij immers gedaan,” bracht mevrouw Uhlstra in het midden,
op een toon als nam zij de opmerking kwalijk; maar ze keek daarbij niet
op, ijverig voortbordurend aan een der kabajastrooken, die ze zoo mooi
kon maken, en die haar roem waren en haar trots.
„Ze had het mij toch óók wel kunnen doen; ik vind het niets lief. Wat
zeg jij, Willem?”
Doch mevrouw Uhlstra scheen niet te verlangen, dat Geber in deze
quaestie aan het woord kwam.
„Wat zanik je toch, Roos? Zij heeft mij immers dadelijk een heel lieven
brief geschreven.”
„Dien heb ik niet gelezen.”
Intusschen dacht Geber, stil zijn sigaar rookend, er het zijne van.
Hij en mevrouw Uhlstra waren volkomen op de hoogte; zij kenden le fin
mot de l’histoire; hij vooral. Het was het eenige van dien aard dat hem
ooit in z’n leven was overkomen. Lugtens stond toen nog pas korten tijd
aan het hoofd zijner maatschappij, en deed lange reizen door heel den
Indischen Archipel om alles te zien van de zaken, die hij nu zelf
geheel zou beheeren.
Op een goeden dag, toen Geber van z’n land naar de stad ging om
inkoopen te doen, geld te ontvangen en beren te betalen, was hij bij
Clara gekomen, en had haar planten en bloemen gebracht, waarom zij hem
had geschreven. Mevrouw Uhlstra, die toen juist bij haar zuster
logeerde, was uitgereden naar de toko’s. Hij, Geber, was nog een ander
man, twaalf jaar jonger en in verhouding nog heel veel jonger. Hij en
Clara kenden elkaar al vanouds; ze lachten samen en noemden elkaar bij
den voornaam; hij plaagde haar, zij plaagde hem terug, doch zonder de
minste nevenbedoeling, en wat hem had bezield dien dag en wat haar in
zulk een stemming bracht wisten ze beiden niet en hebben zij nooit
geweten,—maar toen Mevrouw Uhlstra van haar tokobezoeken terugkeerde,
zaten ze tegenover elkaar in de achtergalerij verwonderd en bedrukt,
ieder voor zich niet gelukkig en tevreden, maar vreemd en verlegen.
Dat had de goede zuster Lena niet gezien; ze had het zóó druk met haar
inkoopen en haar verhalen van de prijzen die de Chineezen durfden
vragen en over haar eigen buitengewone volmaaktheid in het tawarren op
die prijzen, dat ze aan niets anders dacht, en haar mond er niet van
stilstond. Ze zou zelfs niets vreemd hebben gezien in de omstandigheid
dat Geber dien dag niet terugkeerde naar Koeningan, maar zijn vertrek
telkens weer uitstelde, en elken dag te vinden was in het huis van
Lugtens, steeds komend als mevrouw Uhlstra bij haar kennissen was of
boodschappen deed. Natuurlijk was het haar lijfmeid, die haar alles
wist te vertellen, en toen, ontstoken in de grootste woede en
verontwaardiging, had zij haar zuster niet gespaard en Geber ook niet.
Hij, ontsteld en beschaamd, had dadelijk den aftocht geblazen, ook
omdat hem eigenlijk niets liever was, want het gebeurde herhaalde zich
wel weêr telkens, maar niettemin vervulde het hem, hoe aangenaam op
zichzelf, ’t grootste deel van den dag met zwaarmoedige denkbeelden. In
’t minst niet verliefd op Clara, had hij schrikbarend het land over een
eenmaal begane, onherstelbare fout, die hem in de grootste
moeilijkheden kon brengen. Bij de maatschappij, door Lugtens beheerd,
stond hij toen nog onder zware financieele verplichtingen; Uhlstra,
zijn beste sobat en buur, was geen gemakkelijk man waar het de moreele
reputatie betrof zijner familieleden, en eigenlijk was Geber maar blij,
dat er op zoo’n geschikte manier een abrupt einde kwam aan zijn korte
relatie met Clara, die hem meer vervulde met zorg en schrik, dan met
genot en vreugde.
’t Scheen ook dat zij zelve weinig heil zag in een toekomst, waarbij
zoo ontzaglijk veel op het spel stond. Hij hoorde niets meer van haar,
terwijl hij gewoon voortleefde op het land met zijne inlandsche
huishoudster, bij wie hij niets riskeerde.
In geen maanden vertoonde hij zich, en toen hij ten slotte goedschiks
niet langer nalaten kon in de stad te komen voor zijne zaken, en toen
ook wel verplicht was een invitatie van Lugtens aan te nemen,
verhielden hij en Clara zich heel gewoon tegenover elkaar; voor
vreemden alsof tusschen hen nooit iets bijzonders was voorgevallen: hij
allerbeleefdst, zij stug en koel.
In zoover was dus alles uit, met dit verschil alleen, dat bij de
geboorte van kleine Lena, mevrouw Uhlstra, Geber en Clara hun eigen
gedachten hadden; en dat Lugtens, zoo hij er ooit op had gelet,
evengoed de opmerking had kunnen maken, dat het aardige blonde kind
zoowel de violetblauwe kleur der oogen had van een zijner vrienden als
van wijlen z’n eigen moeder.
Aan dat alles dacht nu de galant van Roos, terwijl de meisjes met zijn
aanstaande schoonmoeder aan het kibbelen waren over de bekende quaestie
in hoever het lief was van tante Clara of boosaardig dat ze Roos niet
persoonlijk had gefeliciteerd, maar alleen, zooals Mevrouw Uhlstra wel
tienmaal verzekerde, per brief aan mama.
Tot grooten spijt van de dames Uhlstra, moeder en dochters, had Geber
het in zijne bruigomsdagen vervelend druk. Anders kon hij in de stad
over zijn vrijen tijd naar willekeur beschikken, juist nu viel het zoo
ongelukkig, vonden zij, dat hij en papa Uhlstra heel gewichtige zaken
te doen hadden, waarover ze een geheimzinnig stilzwijgen bewaarden;
waarvan de dames niet meer te weten konden komen dan dat er heel veel
geld meê verdiend moest worden, iets dat haar, die de waarde van geld
nauwelijks kenden, in mindere mate belangstelling inboezemde, dan het
haar speet, dat het bruidje niet elken avond in de gelegenheid was haar
fraaie toiletten te laten bewonderen. Er viel echter niets tegen te
doen; het scheen een vaste wet dat de „conferenties” over die
gewichtige zaken enkel ’s avonds konden worden gehouden bij Lugtens aan
huis, en even noodzakelijk scheen het, dat de behandeling dier zaken
aanving met een fijn diner en eindigde met een fijn partijtje.
Zoo zaten ze nu ook weêr bij elkaar, klokke zeven reeds, in een
afzonderlijke zijkamer van het groote huis, met Twissels, den koopman,
erbij. Onder ’t licht van een groote kristallen hanglamp staken ze de
hoofden, over beschreven papieren gebogen, bijeen; het groote
peper-en-zouthoofd van Uhlstra, de dikke, blonde krullebol van Lugtens,
het gekuifde kippekopje van Twissels en de glimmende schedel van den
bruidegom. Zij zeiden niets, een heelen tijd, ernstig kijkend op de
vellen papier, in de staten en opgaven, waaruit ieder zijn eigen
cijfers nam en er zijn eigen berekeningen naar maakte. ’t Liep over een
groote aanneming van levering en vervoer van gouvernementsgoederen,
zooals die nog plaats hadden in de dagen van overvloed; zij waren
overeengekomen daar gezamenlijk een kongsi voor te maken.
Nu waren ze zoowat gereed, en vergeleken elkaars cijfers en rekenden
die na; Twissels maakte er ten slotte een récapitulatie van, die hij
zachtjes voorlas, met z’n zoete meisjesstem, hoog bij elken nieuwen
zin, als een kind, dat een verhaaltje leest uit een schoolboekje. De
oogen der anderen keken intusschen omlaag naar het tafelkleed, strak
voor zich heen; zwijgend, met kleine trekjes aan de sigaren, knikten
zij nu en dan goedkeurend, als de een of de ander het cijfer hoorde,
zijn eigen aandeel in het plan rakend, tot Twissels, toen hij het
eindcijfer had genoemd, door zijn groote lorgnetglazen rondkeek en één
voor één aanzag met een vriendelijk vragend gezicht, alsof hij een
complimentje wachtte, omdat hij zoo accuraat en net de laatste hand aan
het voorloopig werk had gelegd. Lugtens richtte z’n zwaren kop omhoog
met een tevreden glimlach op zijn breed, glad gezicht.
„Ziezoo,” zei hij, „nu weten we ten minste waar we zoowat aan toe
zijn.”
„Als er geen ongelukjes bijkomen,” meende Uhlstra, die, voor het eerst
aan zooiets meêdoend, nog het volle vertrouwen er niet in had. En
Geber, die in den laatsten tijd zoo’n Pech gehad had, zuchtte daarvan.
„Ja,” zei hij, „er kan nog wel het een en ander gebeuren, dat we nu
juist niet hebben voorzien.”
Half meêlijdend, half vriendelijk keek Lugtens hem aan, en toen eens
naar Twissels, die een heel hoog lachje uitstiet en hen geruststelde
door te zeggen, dat ze maar vertrouwen moesten op zijn onverstoorbare
veine.
„Als ik erbij ben,” ging hij voort, „en Lugtens doet ook meê, moet het
al heel raar loopen, als er niet nog behalve de berekende portie een
extra-kluifje overschiet.”
Luid lachten ze nu alle drie. Het was toch een origineele vent, die
Twissels, vond Uhlstra ook nu weêr, en hij sloeg vol vertrouwen met
zijn forsche plantershand op den smallen schouder van den koopman, die
er, in den fausset een „Zeg, zeg, jou hardhandige boer!” over uitriep.
Tevreden en voldaan over hun werk stonden ze op, en luid pratend over
onverschillige dingen, liepen ze de groote marmeren voorgalerij op en
neer, tot, omstreeks acht uur, een coupé met een paar hooge swanrivers
ervoor het erf opreed; ’t was Markens, die kwam dineeren, en die eerst
aan tafel een fijn glas Bourgogne moest gedronken hebben, vóór zij
meenden, dat hij in de gewenschte stemming was. Hij moest hen helpen
het contract te krijgen.
Natuurlijk wist hij waarvoor hij kwam. Lugtens had het eigenlijk al
heelemaal met hem klaargespeeld onder vier oogen. Er waren elders nog
meer liefhebbers voor deze zaak; en men moest iemand hebben, die de
concurrentie kon neutraliseeren. Er werd na het diner, waaraan enkel de
heeren deelnamen, een gemoedelijke boom over opgezet. Van eenig
geldelijk belang, dat Markens kon hebben bij de gunning aan hun kongsi,
werd met geen woord gesproken, er zelfs niet op gezinspeeld; het had
geheel den schijn, alsof het een quaestie was van zuivere argumenten,
die door alle vier om beurten werden aangevoerd met nu en dan een
tegenwerping of een bezwaar van Markens, dat dadelijk werd opgelost.
Dan knikte hij goedkeurend en gaf hun, overtuigd, gelijk, ten slotte
verklarende, dat hij z’n best zou doen. Het was eigenlijk alles slechts
voor den vorm, maar ’t moest gebeuren op die manier. Ondanks dat besef
der noodzakelijkheid, haakten allen naar het geliefkoosde partijtje.
Toen te twee uur Markens opstond, streek hij een aardige som als winst
in z’n portefeuille. ’t Was opmerkelijk welke slechte spellen Lugtens,
Uhlstra en Twissels dien avond kregen! Geber kon z’n gewonen gang wel
gaan; die verloor ten slotte toch nog ’t meest van allen! Toen Markens
weg was, praatten ze nog een oogenblik na met hun vieren.
„Het is een aardig zaakje, waarachtig!” verzekerde Twissels, die
eigenlijk weêr een grogje meer had gedronken dan hij velen kon.
Met een glans van voldoening op het gezicht, rekte Lugtens zich uit,
achterover tegen de leuning van z’n stoel. Hijzelf had als altijd niets
gedronken dan een glas water; zelfs geen sigaar gerookt.
„’t Zou al heel gek moeten loopen,” zei hij ernstig, „als er niet
schoon een millioen aan te verdienen was!”
Den dag vóór het huwelijk van Roos en Geber werd het contract aan de
kongsi gegund, en was op den huwelijksdag de bruigom buitengewoon in
z’n nopjes, de getuigen uit de kongsi waren het vooral niet minder.
Roos mocht wat donker van kleur zijn,—zij was in haar bruidsjapon van
zware lyonsche zijde en met haar echt kanten sluier een lieve bruid, en
Geber zag er wel niet jeugdig uit, maar zeer gentleman-like. Het was
vol op de receptie; om flauw te vallen van de warmte. Een der grootste
kamers van het huis was nog te klein om er de prachtige cadeaux in te
bergen.
Voor Roos was ’t anderhalf uur lang van den kant der gelukwenschende
dames een zoenen in het oneindige, wat Geber erg hinderde; daarentegen
kreeg hij handdrukken bij dozijnen, tot zijn vingers hem van de
hartelijkheid pijn deden, en hij een gevoel van stijfheid kreeg in den
haast onophoudelijk uitgestoken arm. Welk een ware bevrijding, toen
tegen halfnegen de laatste gelukwenschers in hun rijtuigen stapten, en
voor de jonggetrouwden nog slechts de slotoperatie aanving, het diner!
Men had medelijden met hen. Geber was totaal op van de ellende: den
heelen namiddag en avond in ’t zwart laken bij zoo’n temperatuur en
voortdurend op de been! Hij geeuwde nu en dan stilletjes achter zijn
hand, zoo landerig en vervelend vond hij het; het biologeerde hem; en
toen ze eindelijk naar Koeningan reden, na een zenuwachtig afscheid van
mama en de zusters, met tranen en liptrillingen en
„Houd-je-maar-goed-hoor!”’s, en „plok-plok’s”, die als pistoolschoten
door de galerij klonken op de afgezoende wangen der jonge vrouw,—toen
viel Geber in den coupé achterover tegen het gecapitonneerd bekleedsel,
met een gruwelijke aanvechting om z’n zwarten rok en z’n pantalon uit
te trekken. Hij voelde onder zijn lakensch vest geen drogen draad! God!
God! welk een korvee, dat trouwen! dacht-ie.
Onder het ratelend voortrijden over den begrinten weg, zaten zij, de
eerste tien minuten zonder te spreken, uit te blazen van de
vermoeienis; op te frisschen in de tegenwaaiende koele avondlucht, die
de raampjes binnenstroomde; langzamerhand bekomend van wat Geber een
„korvee” had genoemd. Hij hield haar hand in de zijne, met
mannenpedanterie overtuigd, dat ze aan iets dacht en dat hij precies
wist wat dat was. Het amuseerde hem; het wekte hem op, en hij schoot
bijna in een lach, toen hij haar zelfs een zoen gaf, God weet den
hoeveelsten dien dag! Wat had hij ook anders kunnen denken van haar
gedachten?
„Heb je het gezien?” vroeg plotseling Roos.
„Wat was er te zien?” vroeg hij terug, in zijn zelfde bui van
joligheid.
„Wel, die tante Clara!”
„Och,” zei hij, „wat was er dan aan Clara te zien?”
Inwendig maakte het hem boos, dat ze nu juist in dit moment dááraan
scheen te denken en dáárover begon, ’t Was het allerlaatste onderwerp,
dat hij verlangde aan te roeren, en nu dreigde juist het gesprek
dáárover te zullen loopen! Vleiend voor zijn eigenliefde vond hij het
ook in het geheel niet. Voor de eerste maal trof het hem hoogst
onaangenaam, dat haar huwelijk, wat le vrai motif aangaat, niet eens
zooveel belangstelling bij haar scheen op te wekken als een
welgeslaagde pudding of een portie goed gecombineerde roedjak.
„Soengoe mati, Wim, heusch het is waar; ze heeft me weer niet
gefeliciteerd en jou ook niet.”
„Wat mij betreft, ik heb er niet op gelet, en ’t is me ook volmaakt
onverschillig.”
Hij had haar hand losgelaten en was weer achterover gaan liggen tegen
het grijs bekleedsel van ’t rijtuig.
„Er moet,” ging Roos voort, zonder aan zijn doen of laten aandacht te
schenken, geheel in beslag genomen door die valsche plooi in haar
familieverhouding, „er moet iets gebeurd zijn; ze moet ergens het land
over hebben.”
„Best mogelijk! Wat kan het ons schelen?”
„Ik heb nooit iets met haar gehad, en altijd veel van haar gehouden. Ze
was zóó lief, weet-je, en van mij hield ze heel veel, erg veel.”
En toen Geber daar niets op zei, als de eenige manier om los te komen
van dit vervelend gepraat, herhaalde Roos op den stelligsten toon:
„Nooit, nooit, weet-je, heb ik iets met haar gehad.”
„Nu, des te beter; dan heb je je ook niets te verwijten; dan zou ik er
me ook maar niets van aantrekken en er verder niet over denken.”
„Ik moet eraan denken Wim,” hield zij met de stijfhoofdigheid van een
Uhlstra vol. „Zie-je, zij is de eenige zuster van mama... het mooie
cadeau van oom Lugtens kan me niks schelen.... niks hoegenaamd.... maar
dat ze zoo hatelijk en onhartelijk....”
„Daar heb je nu,” dacht Geber, „het gedonder in de glazen!” Na die
„korvee” den heelen dag, nog een huilpartij in het rijtuig en roûte
naar Koeningan, en dat wel om de voor hem allerellendigste van alle
redenen! Bij het schemerlicht der twee lantaarns zag hij, dat ze
wezenlijk met haar zakdoek voor de oogen zat te huilen. Zachtjes
beproefde hij haar over het geval heen te zetten en het gesprek te
brengen op een vroolijker onderwerp, zijn aanvankelijke stemming
daarbij nemend als uitgangspunt.
„Wat kan ze toch tegen mij hebben?” was ondanks zijne goede bedoeling
en zachtzinnig streven, toen de tranen gedroogd waren, haar eerste
verdrietige uitroep.
„Immers niets,” herhaalde hij, nu een beetje ongeduldig. „Misschien
heeft ze wat tegen mij.”
Daar zweeg Roos een oogenblik op; van dien kant had ze de zaak niet
bekeken.
„Kan ze dan iets tegen jou hebben?” vroeg ze met groote belangstelling.
Het was nu toch al te gek! Hij kon nu toch zijne jonge vrouw, die hij
voor de eerste maal naar zijn huis voerde, niet vergasten op dat malle
verhaal van zijn oude amours met haar tante.
„Ik weet het niet,” zei hij ontwijkend, „dames zijn zoo raar.”
Zij liet zich niet zoo makkelijk uit het veld slaan; zij nam nu zijn
hand in de hare, gezellig tegen hem aanleunend, met allerlei pogingen
om hare nieuwsgierigheid bevredigd te krijgen, eenmaal opgewekt door
het idee dat de wind van dien kant waaien kon. ’t Was, vond hij,
overweldigend vervelend; het prikkelde zijn zenuwen in de hoogste mate;
door een brutaliteit wilde hij haar niet afschrikken, en, in de hoop er
een eind aan te maken, zei hij:
„Nu ja, zij heeft iets tegen mij; ik heb indertijd een quaestie met
haar gehad, die ze mij nooit schijnt vergeven te hebben. Verder kan ik
er me heusch niet over uitlaten.”
Het was gezegd, dááraan viel niets meer te veranderen; maar ineens
stond hem nu ook duidelijk voor den geest, dat hij reddeloos verloren
was; dat hij olie had geworpen op de vlam, en hem nog enkel de keus
restte leugens te verzinnen of ronduit de waarheid te zeggen. Aan het
eene had hij zijn leven lang een hekel gehad; hij kon niet liegen; het
ging hem niet af en stuitte hem geweldig tegen de borst, en de waarheid
zeggen.... neen, dat kon hij evenmin.
Ze kibbelden letterlijk toen het rijtuig stilhield voor zijn landhuis.
Roos had zich opgewonden en was sérieus uit haar humeur.
„Dat,” zei ze, „kwam nu in ’t geheel niet te pas!” Als er iets ernstigs
bestond tusschen haar man en een harer naaste bloedverwanten, zóó, dat
het noodwendig tot verwijdering moest leiden, was het ongehoord en
gemeen de reden voor haar te verzwijgen; zij had er nu in de eerste
plaats de gevolgen al van gedragen; zich heelemaal te laten behandelen
als een kind, dáár bedankte zij voor; ze wilde niets van Geber weten,
en niets met hem te doen hebben, vóór hij haar de zuivere waarheid had
verteld.
Maar Geber dacht daar niet aan, ofschoon anders alle hulpmiddelen
beproevend om haar in betere stemming te krijgen; bewerend dat het toch
al te gek was, over zoo’n betrekkelijke kleinigheid nu zoo’n ernstig
dispuut te maken; het kinderachtig noemend, overdreven en dwaas; doch
zonder baat. Het eind van ’t lied was, dat een uur later Roos in ’t
groote mooie, zoo netjes in orde gebrachte bruidsbed in haar eentje lag
te schreien van kwaadheid, en Geber in nachtbroek en kabaai op een
langen rottanstoel in de achtergalerij een sigaar rookte, eerst ook
zeer uit z’n humeur, maar ten slotte de comische zijde van deze
zonderlinge vertooning vattend, bij zichzelf spottend met het gekke
figuur, dat hij bezig was te maken in zijn eersten huwelijksnacht.
Toen hij z’n sigaar had opgerookt, ging hij zachtjes naar de
slaapkamer. Roos, waarschijnlijk overweldigd door de vermoeienis van
dien dag, sliep benijdenswaardig vast. Een oogenblik stond hij
aarzelend, besluiteloos; toen ging hij naar de logeerkamer, mopperend
in zich zelf, en toch met een groot gevoel voor het bespottelijke, en
een drang om zich zelven uit te lachen. Hij deed het eenige, wat hij
doen kon: hij ging ook slapen.
Toen Geber den volgenden morgen klokke vijf ontwaakte, frisch en
uitgeslapen, zag hij het gebeurde heel anders in; veel ernstiger en
veel beschamender. Hij dacht erover een briefje te schrijven aan zijn
schoonmoeder en haar hulp in te roepen, doch vóór hij daartoe overging,
en vóór hij het huis opende om de bedienden gelegenheid te geven binnen
te komen, moest hij toch eens gaan zien of de bui bij zijn jonge vrouw
niet was overgedreven; de nacht scheen als altijd raad te hebben
gebracht; de opkomende dageraad zette de wereld in een ander licht.
Het briefje aan mevrouw Uhlstra, dat hij bij voorbaat in de logeerkamer
had geschreven, scheurde hij een uur later in de kleinst mogelijke
snippers!...
En nu volgde het leven op Koeningan, zoo aangenaam en gezellig als hij
het er nooit gekend had. Hij had een fatsoenlijken Europeaan in dienst
als opziener; zijn zooveel jaren verwaarloosde huishouding richtte zich
als het ware op, alles kreeg een net, goed onderhouden aanzien onder de
bedrijvige handen der jonge vrouw, die, op het land opgevoed door een
kloeke moeder, geheel in haar element was. In die eerste maand raakten
Geber’s plannen, om z’n land te verkoopen en naar Europa te gaan,
heelemaal op den achtergrond; gansch andere ideeën traden daarvoor in
de plaats. Als geïnspireerd door de practische activiteit zijner vrouw,
verminderde zijn meer uit gewoonte dan uit aard ontwikkelde
onverschilligheid, en zijn werkzaam aandeel in de levering der voor de
kongsi benoodigde producten prikkelde hem.
Hij kreeg allerlei plannen in z’n hoofd voor bouwwerken en
waterleidingen, voor den aanleg van wegen en nieuwe aanplantingen ter
vergrooting van het voortbrengend vermogen van zijn land, en er scheen
geen wolkje aan de lucht, tot.... op een ochtend een briefje kwam van
Lugtens, hem en Roos uitnoodigend voor een groote danspartij.
Het behoorde tot de vaste gewoonten van Lugtens: was een onderneming
voor een deel geslaagd, dan gaf hij een feest, gelijk de inlander een
sedekah, maar zonder bijgeloof en als instinctmatig. Daar was dan niets
te goed voor. De fijnste wijn, de keurigste gebakken, het duurste
souper,—’t was alles voor de gasten in overvloed. En al wat de stad aan
„notabelen” telde, kwam met vreugde op de luxueuse feesten in het mooie
huis, waar Lugtens ontving met zijn barsch maar deftig gezicht, in zijn
zwarten rok en met zijn witten das als weggeloopen van een ouderwetsch
olieverfportret. Altijd beleefd en op een afstand voor de menigte;
geheimzinnig familiaar met sommige hooggeplaatsen.
Markens kwam er met zijn vrouw. Zij werd met bijzondere égards
ontvangen, en ze nam die aan als iets dat vanzelf sprak. Onder haar
voornaamheid ging Markens, nu goed in den dienst vooruitgekomen, juist
zoo gebukt als vroeger toen hij nog tot de mindere goden behoorde; hij
was ’n eenvoudig mensch in zijn doen en laten, zich verheffend op het
feit, dat hij zijn loopbaan nederig was begonnen, snoevend zelfs
daarop, maar niet als Etienne er bij was, wier zich meer en meer
ontwikkelenden hoogmoed hij vreesde. Zij was inderdaad van een goede
familie, met ontaarde zijtakken, uit een waarvan zij voortsproot. In
Holland had ze dat laatste diep gevoeld, doch in Indië, getrouwd met
Markens, en uit de ellendige omgeving van verarmde, gedemoraliseerde en
drank misbruikende bloedverwanten,—onbekend in de Indische
maatschappij, had ze met succes den ouden goed klinkenden familienaam
vooropgezet, tot ze, alles vergetend, als in een idée-fixe verviel over
haar eigen voornaamheid, gedoubleerd, ten slotte, door de mooie positie
van Markens.
’n Knappe, slanke vrouw was ze nog ondanks de dreigende nadering van
den ouden dag; een vrouw, die nog werk maakte van haar toilet, zich nog
décolleteerde en monsteren durfde en kon met veel jongere vrouwen, wat
de kleur harer huid betrof en de lijnen van schouders, borst en armen.
Het was niet dáárom, niet uit jaloerschheid, dat men haar algemeen
verfoeide,—dàt kwam enkel door haar hoogmoed, dien iedereen hield voor
een vrijwillige ondeugd, die niemand als een kwaal beschouwde.
Haar entrée de salon zou misschien niet kwaad zijn geweest op een
hofbal van Hendrik den vierde,—hier in den kring van gegoede of
ambtelijk goed geplaatste burgerlieden geleek het een paskwil, nog
verhoogd door de op het marmer eenigszins glijdend achter haar
aanloopende figuur van Markens, die altijd bij zulke gelegenheden het
land had, en zich als het ware democratiseerde om een tegenwicht te
leveren, daarbij niets bereikend, dan ’n dwaze tegenstelling.
Lugtens mocht haar wel, en zij vond hem de eenige deftige man ter
plaatse, hij, met nog barscher gezicht dan anders, boog, bood haar zijn
arm en bracht haar naar een stoel.
Clara lachte in haar zelve.
„Die twee zouden net bij elkaar komen,” zei ze tegen mevrouw Uhlstra,
nadat de Markens haar gegroet hadden.
Achter den waaier haalde mevrouw Uhlstra den neus op.
„Het is jammer dat hij niet zoo’n gek wijf heeft.”
„Waarom is Roos niet gekomen!”
„Dat behoef jij niet te vragen, Claar. Iemand, die zich zoo
onverstandig aanstelt als jij....”
„Soedah, Leen.... Niet mopperen. Je hebt misschien gelijk.... We praten
er nog wel eens over.”