VIJFDE HOOFDSTUK.

„WEL, DIE TANTE CLARA!”

In zijn heelen omvang begreep Clara zelf ook niet wàt het eigenlijk

was. Haar begrip bepaalde er zich hoofdzakelijk toe, dat dit kleine

nest haar huistiran een fameus koopje had gegeven, en er hem geweldig

had laten inloopen. Als zoodanig vertelde zij het haar zuster, hoorden

het ook de meisjes Uhlstra en vernam Geber het, toen hij Zaterdag ’s

avonds naar de stad kwam om er den Zondag te vertoeven, van z’n

aanstaande bruid, tusschen twee drukten van het uitzet. Hij, beter

opgevoed en meer ontwikkeld, voelde wat er meer achterstak dan een

gewoon koopje, doch hij hield dat voor zich.

Ook sprak hij liefst zoo weinig mogelijk over de familie Lugtens. Hij

kwam er aan huis zoo’n enkel maal, en werd altijd gevraagd als er een

diner of een feest was.

Bij z’n vrijwillige bezoeken maakte hij het zoo kort mogelijk; bij

bijzondere gelegenheden zat hij, zoodra het eenigszins kon, aan de

hombertafel.

De groote tegenstelling tusschen het krachtig despotiek karakter van

Lugtens en de indolente onverschilligheid van Geber was geen reden van

terughouding; zij belette niet dat de twee mannen elkaar gaarne

mochten. Integendeel, Lugtens had een bijzondere sympathie voor Geber

en zei dikwerf, dat het hem genoegen zou doen als Geber, wanneer hij in

de stad was, altijd ten zijnent kwam logeeren en voor ’t minst ’s

avonds familiaar binnenliep om à la fortune du pot meê te eten. ’t Was

nooit gebeurd; de vrijwillige visites van Geber behoorden altijd tot de

groote zeldzaamheden, en toen men hem nu, terwijl hij bij zijn meisje

zat, vertelde van het roekeloos feit, dat in aller oogen de kleine Lena

had onderstaan, liepen zijn gedachten terug naar een lang vervlogen

tijd, jaren geleden; een tijd waarin de oorzaak lag van zijn

teruggetrokkenheid. Hij zou nu trouwen met Roos en geparenteerd worden

aan Lugtens en diens vrouw! ’t Was dwaas, dacht hij, en terwijl hij met

een spottenden glimlach over dat dwaze zat door te pikeren, schoot

plotseling Roos uit den hoek met een opmerking die hem trof.

„Weet je,” zei ze, „het is heel vreemd, tante Clara is de eenige die me

niet gefeliciteerd heeft met m’n engagement.”

„Ze heeft het mij immers gedaan,” bracht mevrouw Uhlstra in het midden,

op een toon als nam zij de opmerking kwalijk; maar ze keek daarbij niet

op, ijverig voortbordurend aan een der kabajastrooken, die ze zoo mooi

kon maken, en die haar roem waren en haar trots.

„Ze had het mij toch óók wel kunnen doen; ik vind het niets lief. Wat

zeg jij, Willem?”

Doch mevrouw Uhlstra scheen niet te verlangen, dat Geber in deze

quaestie aan het woord kwam.

„Wat zanik je toch, Roos? Zij heeft mij immers dadelijk een heel lieven

brief geschreven.”

„Dien heb ik niet gelezen.”

Intusschen dacht Geber, stil zijn sigaar rookend, er het zijne van.

Hij en mevrouw Uhlstra waren volkomen op de hoogte; zij kenden le fin

mot de l’histoire; hij vooral. Het was het eenige van dien aard dat hem

ooit in z’n leven was overkomen. Lugtens stond toen nog pas korten tijd

aan het hoofd zijner maatschappij, en deed lange reizen door heel den

Indischen Archipel om alles te zien van de zaken, die hij nu zelf

geheel zou beheeren.

Op een goeden dag, toen Geber van z’n land naar de stad ging om

inkoopen te doen, geld te ontvangen en beren te betalen, was hij bij

Clara gekomen, en had haar planten en bloemen gebracht, waarom zij hem

had geschreven. Mevrouw Uhlstra, die toen juist bij haar zuster

logeerde, was uitgereden naar de toko’s. Hij, Geber, was nog een ander

man, twaalf jaar jonger en in verhouding nog heel veel jonger. Hij en

Clara kenden elkaar al vanouds; ze lachten samen en noemden elkaar bij

den voornaam; hij plaagde haar, zij plaagde hem terug, doch zonder de

minste nevenbedoeling, en wat hem had bezield dien dag en wat haar in

zulk een stemming bracht wisten ze beiden niet en hebben zij nooit

geweten,—maar toen Mevrouw Uhlstra van haar tokobezoeken terugkeerde,

zaten ze tegenover elkaar in de achtergalerij verwonderd en bedrukt,

ieder voor zich niet gelukkig en tevreden, maar vreemd en verlegen.

Dat had de goede zuster Lena niet gezien; ze had het zóó druk met haar

inkoopen en haar verhalen van de prijzen die de Chineezen durfden

vragen en over haar eigen buitengewone volmaaktheid in het tawarren op

die prijzen, dat ze aan niets anders dacht, en haar mond er niet van

stilstond. Ze zou zelfs niets vreemd hebben gezien in de omstandigheid

dat Geber dien dag niet terugkeerde naar Koeningan, maar zijn vertrek

telkens weer uitstelde, en elken dag te vinden was in het huis van

Lugtens, steeds komend als mevrouw Uhlstra bij haar kennissen was of

boodschappen deed. Natuurlijk was het haar lijfmeid, die haar alles

wist te vertellen, en toen, ontstoken in de grootste woede en

verontwaardiging, had zij haar zuster niet gespaard en Geber ook niet.

Hij, ontsteld en beschaamd, had dadelijk den aftocht geblazen, ook

omdat hem eigenlijk niets liever was, want het gebeurde herhaalde zich

wel weêr telkens, maar niettemin vervulde het hem, hoe aangenaam op

zichzelf, ’t grootste deel van den dag met zwaarmoedige denkbeelden. In

’t minst niet verliefd op Clara, had hij schrikbarend het land over een

eenmaal begane, onherstelbare fout, die hem in de grootste

moeilijkheden kon brengen. Bij de maatschappij, door Lugtens beheerd,

stond hij toen nog onder zware financieele verplichtingen; Uhlstra,

zijn beste sobat en buur, was geen gemakkelijk man waar het de moreele

reputatie betrof zijner familieleden, en eigenlijk was Geber maar blij,

dat er op zoo’n geschikte manier een abrupt einde kwam aan zijn korte

relatie met Clara, die hem meer vervulde met zorg en schrik, dan met

genot en vreugde.

’t Scheen ook dat zij zelve weinig heil zag in een toekomst, waarbij

zoo ontzaglijk veel op het spel stond. Hij hoorde niets meer van haar,

terwijl hij gewoon voortleefde op het land met zijne inlandsche

huishoudster, bij wie hij niets riskeerde.

In geen maanden vertoonde hij zich, en toen hij ten slotte goedschiks

niet langer nalaten kon in de stad te komen voor zijne zaken, en toen

ook wel verplicht was een invitatie van Lugtens aan te nemen,

verhielden hij en Clara zich heel gewoon tegenover elkaar; voor

vreemden alsof tusschen hen nooit iets bijzonders was voorgevallen: hij

allerbeleefdst, zij stug en koel.

In zoover was dus alles uit, met dit verschil alleen, dat bij de

geboorte van kleine Lena, mevrouw Uhlstra, Geber en Clara hun eigen

gedachten hadden; en dat Lugtens, zoo hij er ooit op had gelet,

evengoed de opmerking had kunnen maken, dat het aardige blonde kind

zoowel de violetblauwe kleur der oogen had van een zijner vrienden als

van wijlen z’n eigen moeder.

Aan dat alles dacht nu de galant van Roos, terwijl de meisjes met zijn

aanstaande schoonmoeder aan het kibbelen waren over de bekende quaestie

in hoever het lief was van tante Clara of boosaardig dat ze Roos niet

persoonlijk had gefeliciteerd, maar alleen, zooals Mevrouw Uhlstra wel

tienmaal verzekerde, per brief aan mama.

Tot grooten spijt van de dames Uhlstra, moeder en dochters, had Geber

het in zijne bruigomsdagen vervelend druk. Anders kon hij in de stad

over zijn vrijen tijd naar willekeur beschikken, juist nu viel het zoo

ongelukkig, vonden zij, dat hij en papa Uhlstra heel gewichtige zaken

te doen hadden, waarover ze een geheimzinnig stilzwijgen bewaarden;

waarvan de dames niet meer te weten konden komen dan dat er heel veel

geld meê verdiend moest worden, iets dat haar, die de waarde van geld

nauwelijks kenden, in mindere mate belangstelling inboezemde, dan het

haar speet, dat het bruidje niet elken avond in de gelegenheid was haar

fraaie toiletten te laten bewonderen. Er viel echter niets tegen te

doen; het scheen een vaste wet dat de „conferenties” over die

gewichtige zaken enkel ’s avonds konden worden gehouden bij Lugtens aan

huis, en even noodzakelijk scheen het, dat de behandeling dier zaken

aanving met een fijn diner en eindigde met een fijn partijtje.

Zoo zaten ze nu ook weêr bij elkaar, klokke zeven reeds, in een

afzonderlijke zijkamer van het groote huis, met Twissels, den koopman,

erbij. Onder ’t licht van een groote kristallen hanglamp staken ze de

hoofden, over beschreven papieren gebogen, bijeen; het groote

peper-en-zouthoofd van Uhlstra, de dikke, blonde krullebol van Lugtens,

het gekuifde kippekopje van Twissels en de glimmende schedel van den

bruidegom. Zij zeiden niets, een heelen tijd, ernstig kijkend op de

vellen papier, in de staten en opgaven, waaruit ieder zijn eigen

cijfers nam en er zijn eigen berekeningen naar maakte. ’t Liep over een

groote aanneming van levering en vervoer van gouvernementsgoederen,

zooals die nog plaats hadden in de dagen van overvloed; zij waren

overeengekomen daar gezamenlijk een kongsi voor te maken.

Nu waren ze zoowat gereed, en vergeleken elkaars cijfers en rekenden

die na; Twissels maakte er ten slotte een récapitulatie van, die hij

zachtjes voorlas, met z’n zoete meisjesstem, hoog bij elken nieuwen

zin, als een kind, dat een verhaaltje leest uit een schoolboekje. De

oogen der anderen keken intusschen omlaag naar het tafelkleed, strak

voor zich heen; zwijgend, met kleine trekjes aan de sigaren, knikten

zij nu en dan goedkeurend, als de een of de ander het cijfer hoorde,

zijn eigen aandeel in het plan rakend, tot Twissels, toen hij het

eindcijfer had genoemd, door zijn groote lorgnetglazen rondkeek en één

voor één aanzag met een vriendelijk vragend gezicht, alsof hij een

complimentje wachtte, omdat hij zoo accuraat en net de laatste hand aan

het voorloopig werk had gelegd. Lugtens richtte z’n zwaren kop omhoog

met een tevreden glimlach op zijn breed, glad gezicht.

„Ziezoo,” zei hij, „nu weten we ten minste waar we zoowat aan toe

zijn.”

„Als er geen ongelukjes bijkomen,” meende Uhlstra, die, voor het eerst

aan zooiets meêdoend, nog het volle vertrouwen er niet in had. En

Geber, die in den laatsten tijd zoo’n Pech gehad had, zuchtte daarvan.

„Ja,” zei hij, „er kan nog wel het een en ander gebeuren, dat we nu

juist niet hebben voorzien.”

Half meêlijdend, half vriendelijk keek Lugtens hem aan, en toen eens

naar Twissels, die een heel hoog lachje uitstiet en hen geruststelde

door te zeggen, dat ze maar vertrouwen moesten op zijn onverstoorbare

veine.

„Als ik erbij ben,” ging hij voort, „en Lugtens doet ook meê, moet het

al heel raar loopen, als er niet nog behalve de berekende portie een

extra-kluifje overschiet.”

Luid lachten ze nu alle drie. Het was toch een origineele vent, die

Twissels, vond Uhlstra ook nu weêr, en hij sloeg vol vertrouwen met

zijn forsche plantershand op den smallen schouder van den koopman, die

er, in den fausset een „Zeg, zeg, jou hardhandige boer!” over uitriep.

Tevreden en voldaan over hun werk stonden ze op, en luid pratend over

onverschillige dingen, liepen ze de groote marmeren voorgalerij op en

neer, tot, omstreeks acht uur, een coupé met een paar hooge swanrivers

ervoor het erf opreed; ’t was Markens, die kwam dineeren, en die eerst

aan tafel een fijn glas Bourgogne moest gedronken hebben, vóór zij

meenden, dat hij in de gewenschte stemming was. Hij moest hen helpen

het contract te krijgen.

Natuurlijk wist hij waarvoor hij kwam. Lugtens had het eigenlijk al

heelemaal met hem klaargespeeld onder vier oogen. Er waren elders nog

meer liefhebbers voor deze zaak; en men moest iemand hebben, die de

concurrentie kon neutraliseeren. Er werd na het diner, waaraan enkel de

heeren deelnamen, een gemoedelijke boom over opgezet. Van eenig

geldelijk belang, dat Markens kon hebben bij de gunning aan hun kongsi,

werd met geen woord gesproken, er zelfs niet op gezinspeeld; het had

geheel den schijn, alsof het een quaestie was van zuivere argumenten,

die door alle vier om beurten werden aangevoerd met nu en dan een

tegenwerping of een bezwaar van Markens, dat dadelijk werd opgelost.

Dan knikte hij goedkeurend en gaf hun, overtuigd, gelijk, ten slotte

verklarende, dat hij z’n best zou doen. Het was eigenlijk alles slechts

voor den vorm, maar ’t moest gebeuren op die manier. Ondanks dat besef

der noodzakelijkheid, haakten allen naar het geliefkoosde partijtje.

Toen te twee uur Markens opstond, streek hij een aardige som als winst

in z’n portefeuille. ’t Was opmerkelijk welke slechte spellen Lugtens,

Uhlstra en Twissels dien avond kregen! Geber kon z’n gewonen gang wel

gaan; die verloor ten slotte toch nog ’t meest van allen! Toen Markens

weg was, praatten ze nog een oogenblik na met hun vieren.

„Het is een aardig zaakje, waarachtig!” verzekerde Twissels, die

eigenlijk weêr een grogje meer had gedronken dan hij velen kon.

Met een glans van voldoening op het gezicht, rekte Lugtens zich uit,

achterover tegen de leuning van z’n stoel. Hijzelf had als altijd niets

gedronken dan een glas water; zelfs geen sigaar gerookt.

„’t Zou al heel gek moeten loopen,” zei hij ernstig, „als er niet

schoon een millioen aan te verdienen was!”

Den dag vóór het huwelijk van Roos en Geber werd het contract aan de

kongsi gegund, en was op den huwelijksdag de bruigom buitengewoon in

z’n nopjes, de getuigen uit de kongsi waren het vooral niet minder.

Roos mocht wat donker van kleur zijn,—zij was in haar bruidsjapon van

zware lyonsche zijde en met haar echt kanten sluier een lieve bruid, en

Geber zag er wel niet jeugdig uit, maar zeer gentleman-like. Het was

vol op de receptie; om flauw te vallen van de warmte. Een der grootste

kamers van het huis was nog te klein om er de prachtige cadeaux in te

bergen.

Voor Roos was ’t anderhalf uur lang van den kant der gelukwenschende

dames een zoenen in het oneindige, wat Geber erg hinderde; daarentegen

kreeg hij handdrukken bij dozijnen, tot zijn vingers hem van de

hartelijkheid pijn deden, en hij een gevoel van stijfheid kreeg in den

haast onophoudelijk uitgestoken arm. Welk een ware bevrijding, toen

tegen halfnegen de laatste gelukwenschers in hun rijtuigen stapten, en

voor de jonggetrouwden nog slechts de slotoperatie aanving, het diner!

Men had medelijden met hen. Geber was totaal op van de ellende: den

heelen namiddag en avond in ’t zwart laken bij zoo’n temperatuur en

voortdurend op de been! Hij geeuwde nu en dan stilletjes achter zijn

hand, zoo landerig en vervelend vond hij het; het biologeerde hem; en

toen ze eindelijk naar Koeningan reden, na een zenuwachtig afscheid van

mama en de zusters, met tranen en liptrillingen en

„Houd-je-maar-goed-hoor!”’s, en „plok-plok’s”, die als pistoolschoten

door de galerij klonken op de afgezoende wangen der jonge vrouw,—toen

viel Geber in den coupé achterover tegen het gecapitonneerd bekleedsel,

met een gruwelijke aanvechting om z’n zwarten rok en z’n pantalon uit

te trekken. Hij voelde onder zijn lakensch vest geen drogen draad! God!

God! welk een korvee, dat trouwen! dacht-ie.

Onder het ratelend voortrijden over den begrinten weg, zaten zij, de

eerste tien minuten zonder te spreken, uit te blazen van de

vermoeienis; op te frisschen in de tegenwaaiende koele avondlucht, die

de raampjes binnenstroomde; langzamerhand bekomend van wat Geber een

„korvee” had genoemd. Hij hield haar hand in de zijne, met

mannenpedanterie overtuigd, dat ze aan iets dacht en dat hij precies

wist wat dat was. Het amuseerde hem; het wekte hem op, en hij schoot

bijna in een lach, toen hij haar zelfs een zoen gaf, God weet den

hoeveelsten dien dag! Wat had hij ook anders kunnen denken van haar

gedachten?

„Heb je het gezien?” vroeg plotseling Roos.

„Wat was er te zien?” vroeg hij terug, in zijn zelfde bui van

joligheid.

„Wel, die tante Clara!”

„Och,” zei hij, „wat was er dan aan Clara te zien?”

Inwendig maakte het hem boos, dat ze nu juist in dit moment dááraan

scheen te denken en dáárover begon, ’t Was het allerlaatste onderwerp,

dat hij verlangde aan te roeren, en nu dreigde juist het gesprek

dáárover te zullen loopen! Vleiend voor zijn eigenliefde vond hij het

ook in het geheel niet. Voor de eerste maal trof het hem hoogst

onaangenaam, dat haar huwelijk, wat le vrai motif aangaat, niet eens

zooveel belangstelling bij haar scheen op te wekken als een

welgeslaagde pudding of een portie goed gecombineerde roedjak.

„Soengoe mati, Wim, heusch het is waar; ze heeft me weer niet

gefeliciteerd en jou ook niet.”

„Wat mij betreft, ik heb er niet op gelet, en ’t is me ook volmaakt

onverschillig.”

Hij had haar hand losgelaten en was weer achterover gaan liggen tegen

het grijs bekleedsel van ’t rijtuig.

„Er moet,” ging Roos voort, zonder aan zijn doen of laten aandacht te

schenken, geheel in beslag genomen door die valsche plooi in haar

familieverhouding, „er moet iets gebeurd zijn; ze moet ergens het land

over hebben.”

„Best mogelijk! Wat kan het ons schelen?”

„Ik heb nooit iets met haar gehad, en altijd veel van haar gehouden. Ze

was zóó lief, weet-je, en van mij hield ze heel veel, erg veel.”

En toen Geber daar niets op zei, als de eenige manier om los te komen

van dit vervelend gepraat, herhaalde Roos op den stelligsten toon:

„Nooit, nooit, weet-je, heb ik iets met haar gehad.”

„Nu, des te beter; dan heb je je ook niets te verwijten; dan zou ik er

me ook maar niets van aantrekken en er verder niet over denken.”

„Ik moet eraan denken Wim,” hield zij met de stijfhoofdigheid van een

Uhlstra vol. „Zie-je, zij is de eenige zuster van mama... het mooie

cadeau van oom Lugtens kan me niks schelen.... niks hoegenaamd.... maar

dat ze zoo hatelijk en onhartelijk....”

„Daar heb je nu,” dacht Geber, „het gedonder in de glazen!” Na die

„korvee” den heelen dag, nog een huilpartij in het rijtuig en roûte

naar Koeningan, en dat wel om de voor hem allerellendigste van alle

redenen! Bij het schemerlicht der twee lantaarns zag hij, dat ze

wezenlijk met haar zakdoek voor de oogen zat te huilen. Zachtjes

beproefde hij haar over het geval heen te zetten en het gesprek te

brengen op een vroolijker onderwerp, zijn aanvankelijke stemming

daarbij nemend als uitgangspunt.

„Wat kan ze toch tegen mij hebben?” was ondanks zijne goede bedoeling

en zachtzinnig streven, toen de tranen gedroogd waren, haar eerste

verdrietige uitroep.

„Immers niets,” herhaalde hij, nu een beetje ongeduldig. „Misschien

heeft ze wat tegen mij.”

Daar zweeg Roos een oogenblik op; van dien kant had ze de zaak niet

bekeken.

„Kan ze dan iets tegen jou hebben?” vroeg ze met groote belangstelling.

Het was nu toch al te gek! Hij kon nu toch zijne jonge vrouw, die hij

voor de eerste maal naar zijn huis voerde, niet vergasten op dat malle

verhaal van zijn oude amours met haar tante.

„Ik weet het niet,” zei hij ontwijkend, „dames zijn zoo raar.”

Zij liet zich niet zoo makkelijk uit het veld slaan; zij nam nu zijn

hand in de hare, gezellig tegen hem aanleunend, met allerlei pogingen

om hare nieuwsgierigheid bevredigd te krijgen, eenmaal opgewekt door

het idee dat de wind van dien kant waaien kon. ’t Was, vond hij,

overweldigend vervelend; het prikkelde zijn zenuwen in de hoogste mate;

door een brutaliteit wilde hij haar niet afschrikken, en, in de hoop er

een eind aan te maken, zei hij:

„Nu ja, zij heeft iets tegen mij; ik heb indertijd een quaestie met

haar gehad, die ze mij nooit schijnt vergeven te hebben. Verder kan ik

er me heusch niet over uitlaten.”

Het was gezegd, dááraan viel niets meer te veranderen; maar ineens

stond hem nu ook duidelijk voor den geest, dat hij reddeloos verloren

was; dat hij olie had geworpen op de vlam, en hem nog enkel de keus

restte leugens te verzinnen of ronduit de waarheid te zeggen. Aan het

eene had hij zijn leven lang een hekel gehad; hij kon niet liegen; het

ging hem niet af en stuitte hem geweldig tegen de borst, en de waarheid

zeggen.... neen, dat kon hij evenmin.

Ze kibbelden letterlijk toen het rijtuig stilhield voor zijn landhuis.

Roos had zich opgewonden en was sérieus uit haar humeur.

„Dat,” zei ze, „kwam nu in ’t geheel niet te pas!” Als er iets ernstigs

bestond tusschen haar man en een harer naaste bloedverwanten, zóó, dat

het noodwendig tot verwijdering moest leiden, was het ongehoord en

gemeen de reden voor haar te verzwijgen; zij had er nu in de eerste

plaats de gevolgen al van gedragen; zich heelemaal te laten behandelen

als een kind, dáár bedankte zij voor; ze wilde niets van Geber weten,

en niets met hem te doen hebben, vóór hij haar de zuivere waarheid had

verteld.

Maar Geber dacht daar niet aan, ofschoon anders alle hulpmiddelen

beproevend om haar in betere stemming te krijgen; bewerend dat het toch

al te gek was, over zoo’n betrekkelijke kleinigheid nu zoo’n ernstig

dispuut te maken; het kinderachtig noemend, overdreven en dwaas; doch

zonder baat. Het eind van ’t lied was, dat een uur later Roos in ’t

groote mooie, zoo netjes in orde gebrachte bruidsbed in haar eentje lag

te schreien van kwaadheid, en Geber in nachtbroek en kabaai op een

langen rottanstoel in de achtergalerij een sigaar rookte, eerst ook

zeer uit z’n humeur, maar ten slotte de comische zijde van deze

zonderlinge vertooning vattend, bij zichzelf spottend met het gekke

figuur, dat hij bezig was te maken in zijn eersten huwelijksnacht.

Toen hij z’n sigaar had opgerookt, ging hij zachtjes naar de

slaapkamer. Roos, waarschijnlijk overweldigd door de vermoeienis van

dien dag, sliep benijdenswaardig vast. Een oogenblik stond hij

aarzelend, besluiteloos; toen ging hij naar de logeerkamer, mopperend

in zich zelf, en toch met een groot gevoel voor het bespottelijke, en

een drang om zich zelven uit te lachen. Hij deed het eenige, wat hij

doen kon: hij ging ook slapen.

Toen Geber den volgenden morgen klokke vijf ontwaakte, frisch en

uitgeslapen, zag hij het gebeurde heel anders in; veel ernstiger en

veel beschamender. Hij dacht erover een briefje te schrijven aan zijn

schoonmoeder en haar hulp in te roepen, doch vóór hij daartoe overging,

en vóór hij het huis opende om de bedienden gelegenheid te geven binnen

te komen, moest hij toch eens gaan zien of de bui bij zijn jonge vrouw

niet was overgedreven; de nacht scheen als altijd raad te hebben

gebracht; de opkomende dageraad zette de wereld in een ander licht.

Het briefje aan mevrouw Uhlstra, dat hij bij voorbaat in de logeerkamer

had geschreven, scheurde hij een uur later in de kleinst mogelijke

snippers!...

En nu volgde het leven op Koeningan, zoo aangenaam en gezellig als hij

het er nooit gekend had. Hij had een fatsoenlijken Europeaan in dienst

als opziener; zijn zooveel jaren verwaarloosde huishouding richtte zich

als het ware op, alles kreeg een net, goed onderhouden aanzien onder de

bedrijvige handen der jonge vrouw, die, op het land opgevoed door een

kloeke moeder, geheel in haar element was. In die eerste maand raakten

Geber’s plannen, om z’n land te verkoopen en naar Europa te gaan,

heelemaal op den achtergrond; gansch andere ideeën traden daarvoor in

de plaats. Als geïnspireerd door de practische activiteit zijner vrouw,

verminderde zijn meer uit gewoonte dan uit aard ontwikkelde

onverschilligheid, en zijn werkzaam aandeel in de levering der voor de

kongsi benoodigde producten prikkelde hem.

Hij kreeg allerlei plannen in z’n hoofd voor bouwwerken en

waterleidingen, voor den aanleg van wegen en nieuwe aanplantingen ter

vergrooting van het voortbrengend vermogen van zijn land, en er scheen

geen wolkje aan de lucht, tot.... op een ochtend een briefje kwam van

Lugtens, hem en Roos uitnoodigend voor een groote danspartij.

Het behoorde tot de vaste gewoonten van Lugtens: was een onderneming

voor een deel geslaagd, dan gaf hij een feest, gelijk de inlander een

sedekah, maar zonder bijgeloof en als instinctmatig. Daar was dan niets

te goed voor. De fijnste wijn, de keurigste gebakken, het duurste

souper,—’t was alles voor de gasten in overvloed. En al wat de stad aan

„notabelen” telde, kwam met vreugde op de luxueuse feesten in het mooie

huis, waar Lugtens ontving met zijn barsch maar deftig gezicht, in zijn

zwarten rok en met zijn witten das als weggeloopen van een ouderwetsch

olieverfportret. Altijd beleefd en op een afstand voor de menigte;

geheimzinnig familiaar met sommige hooggeplaatsen.

Markens kwam er met zijn vrouw. Zij werd met bijzondere égards

ontvangen, en ze nam die aan als iets dat vanzelf sprak. Onder haar

voornaamheid ging Markens, nu goed in den dienst vooruitgekomen, juist

zoo gebukt als vroeger toen hij nog tot de mindere goden behoorde; hij

was ’n eenvoudig mensch in zijn doen en laten, zich verheffend op het

feit, dat hij zijn loopbaan nederig was begonnen, snoevend zelfs

daarop, maar niet als Etienne er bij was, wier zich meer en meer

ontwikkelenden hoogmoed hij vreesde. Zij was inderdaad van een goede

familie, met ontaarde zijtakken, uit een waarvan zij voortsproot. In

Holland had ze dat laatste diep gevoeld, doch in Indië, getrouwd met

Markens, en uit de ellendige omgeving van verarmde, gedemoraliseerde en

drank misbruikende bloedverwanten,—onbekend in de Indische

maatschappij, had ze met succes den ouden goed klinkenden familienaam

vooropgezet, tot ze, alles vergetend, als in een idée-fixe verviel over

haar eigen voornaamheid, gedoubleerd, ten slotte, door de mooie positie

van Markens.

’n Knappe, slanke vrouw was ze nog ondanks de dreigende nadering van

den ouden dag; een vrouw, die nog werk maakte van haar toilet, zich nog

décolleteerde en monsteren durfde en kon met veel jongere vrouwen, wat

de kleur harer huid betrof en de lijnen van schouders, borst en armen.

Het was niet dáárom, niet uit jaloerschheid, dat men haar algemeen

verfoeide,—dàt kwam enkel door haar hoogmoed, dien iedereen hield voor

een vrijwillige ondeugd, die niemand als een kwaal beschouwde.

Haar entrée de salon zou misschien niet kwaad zijn geweest op een

hofbal van Hendrik den vierde,—hier in den kring van gegoede of

ambtelijk goed geplaatste burgerlieden geleek het een paskwil, nog

verhoogd door de op het marmer eenigszins glijdend achter haar

aanloopende figuur van Markens, die altijd bij zulke gelegenheden het

land had, en zich als het ware democratiseerde om een tegenwicht te

leveren, daarbij niets bereikend, dan ’n dwaze tegenstelling.

Lugtens mocht haar wel, en zij vond hem de eenige deftige man ter

plaatse, hij, met nog barscher gezicht dan anders, boog, bood haar zijn

arm en bracht haar naar een stoel.

Clara lachte in haar zelve.

„Die twee zouden net bij elkaar komen,” zei ze tegen mevrouw Uhlstra,

nadat de Markens haar gegroet hadden.

Achter den waaier haalde mevrouw Uhlstra den neus op.

„Het is jammer dat hij niet zoo’n gek wijf heeft.”

„Waarom is Roos niet gekomen!”

„Dat behoef jij niet te vragen, Claar. Iemand, die zich zoo

onverstandig aanstelt als jij....”

„Soedah, Leen.... Niet mopperen. Je hebt misschien gelijk.... We praten

er nog wel eens over.”

"Ups" en "downs" in het Indische leven · 第 10 / 83 题