Geheel tegen de gewoonte was de verloving zonder feestelijkheden bekend
gemaakt. Geber was naar z’n land teruggekeerd om alles in ’t reine te
brengen; allen vonden dat de laatste restjes van die leelijke perkara
eerst uit de wereld moesten zijn.
En dan, er viel bij de Uhlstra’s dadelijk een geweldige drukte in. Het
uitzet van Roos nam haar moeder, haar zelf en haar zusters heelemaal in
beslag; er werd gecorrespondeerd met het buitenland, want er moest ook
veel uit Parijs bij zijn; elken dag was het tokobezoek; buitengewone
naaisters werden aangenomen, en de ruime achtergalerij leek soms zelf
een toko, zóó stond het overal vol met witte en blauwe bordpapieren
doozen, stapels tafelgoed en allerlei gekleurde en witte goederen, die
men meende dat de aanstaande mevrouw Geber hoog noodig had om buiten te
wonen, alleen met haar man. Te midden van die drukte, door Uhlstra van
harte verwenscht, kwam een briefje, dat allen deed opschrikken en
waarboven, dicht tegen elkaar, de zwartgelokte hoofden der dames zich
belangstellend vereenigden.
„Wat is het?” vroeg Uhlstra, die op het achtererf z’n planten had
verzorgd en op zijn bloote voeten de marmeren galerij binnenkwam.
„Kasian,” riep zijn vrouw, „het is een briefje van Clara; we moeten er
dadelijk naar toe.”
„Wat is er dan nu weer?” was de tweede, niet zeer vriendelijke vraag.
„Kasian, vent, de oude vrouw is zoo raar.”
Hij bromde iets binnensmonds, haalde de schouders op en ging naar z’n
kamer.
„Je gaat toch zeker ook even kijken!” riep hem z’n vrouw achterna.
„Merci!” riep hij terug. „Ik zal straks van jullie wel hooren of het de
moeite waard is.”
„Hé,” zei mevrouw Uhlstra tegen haar dochters, „met landauer, ja! en
dan gauw een schoone kabaai aan.”
Zij reden het erf op van een huis, mooier en grooter nog dan het hunne,
hoog uit den grond, sierlijk ingericht met europeesche heele en halve
ameublementen, keurig onderhouden. Maar ze gingen niet het hoofdgebouw
binnen, en reden ineens door naar achter, waar een niet meer jonge,
maar slanke en knappe indische dame haar ontving, het bezoek blijkbaar
verwachtend.
Men kuste elkaar met groot betoon van hartelijkheid, een zweem van
droefgeestigheid op de gezichten.
„Hoe is het met haar?” vroeg mevrouw Uhlstra zacht, als moest er buiten
gefluisterd worden om de rust eener doodzieke niet te storen.
„Kom maar eens meê kijken; de dokter heeft gezegd, dat het wel gauw zal
afloopen.”
Fluisterend onder elkaâr, liepen ze voort door de lange galerij der
bijgebouwen, en gingen eene kamer binnen, waaruit een sterke lucht kwam
van indische oliën en medicijnen. De vensters waren gesloten en in ’t
schemerdonker teekenden tegen den witten muur zich de vormen af van
allerlei voorwerpen, indische en europeesche; een vreemde verzameling
goedkoope inheemsche dingen van dagelijksch gebruik, van bamboe en
rottan, waartusschen marmeren knaapjes, mooi vergulde vazen en andere
artikelen van weelde wonderlijk afstaken. En achter in het fond van het
ruime vertrek op een gewone baleh-baleh, die omringd was door een fraai
kanten met rood lint opgenomen klamboe, lag op een mat een oude
inlandsche vrouw, mama tjang. Mager en gerimpeld, doodstil en met
gesloten oogen, de handen op de borst als een mummie, die daar eeuwen
had gelegen en geheel was uitgedroogd. Toen zij de stemmen hoorde,
gingen hare groote oogen wijd open en haar blik, helder en vast, gaf
aan het masque ineens de geheele uitdrukking van leven terug. Mevrouw
Uhlstra ging dadelijk naar haar toe en vroeg, zich neerlatend in een
lederen armstoel naast het geïmproviseerde ledikant, in het maleisch
met groote belangstelling naar de gezondheid van mama tjang, die
dadelijk bewees, dat zoo het haar aan goede oogen niet ontbrak, ook
haar spraakvermogen haar niet in den steek had gelaten. Op een zachten
jammertoon, snel pratend maar telkens afgebroken door diepe
ademhalingen, als kostte het haar moeite en kon zij haast niet meer,
beklaagde zij zich bitter. Men veronachtzaamde haar: niemand keek meer
naar haar om; een arm oud mensch in den kampong had het beter dan zij;
ze wou dat ze maar dood was; ze zou ook wel gauw dood gaan, dan was ze
niemand meer te veel; dan had niemand meer last van haar; dan kon men
haar begraven in de aarde; dan was men van haar af. Mevrouw Uhlstra
kende dat lied, zij wist hoe haar zuster Clara, ondanks de donderende
protesten van Lugtens, haar man, mama tjang verzorgde en liet oppassen,
doch zij sprak maar niet tegen, nu en dan, zachtjes en opbeurend, haar
met een enkel woord in de rede vallend. Ook Roos en haar zusters waren
bij het bed komen staan en spraken meê in dien trant, alles in het
maleisch, de een door de ander, met tranen in de oogen over het
lamenteeren der oude vrouw, wier slapen ze met eau de cologne
verfrischten, terwijl twee baboe’s als steenen beelden op den grond
zaten, zonder een vin te verroeren wanneer het haar niet werd gelast.
Toen de dames na een half uur ongeveer weer buiten kwamen, bliezen ze
van de benauwdheid in de ziekenkamer.
„Ga even binnen,” zei mevrouw Lugtens, met haar waaier naar het
hoofdgebouw wijzend, „Jacques is thuis.”
Fatsoenshalve kon mevrouw Uhlstra niet nalaten haar zwager te gaan
groeten; voor haar genoegen deed ze het niet; ze was veel liever naar
huis gegaan; ze steeg, gevolgd door de meisjes, met loome schreden de
hooge trap open volgde haar zuster, door de prachtige zaal, die het
middengedeelte van het huis vormde, in een der kamers, waar Lugtens aan
den glimmenden cylinderlessenaar zat te schrijven. Met iets in haar
houding, dat deed denken aan een aanstellerig uiterlijk vertoon van
beslistheid, trad zij binnen.
„Zoo!” begroette Lugtens haar, stug en uit de hoogte. „Hoe gaat het?”
„O, heel goed; we hebben het erg druk, nu Roos gaat trouwen.”
„Wanneer moet dat gebeuren?”
„Er is nog geen dag bepaald, maar toch binnen een week of zes....”
Hij keerde z’n gezicht naar Roos; haar en de meisjes had hij toen ze
binnenkwamen met een rondgaanden hoofdknik begroet. Zijn „zoo” gold
voor allen te gelijk.
„Je doet daar een goed huwelijk, Roos!”
Zijn scherpe grijze oogen keken vlak in de hare met iets in z’n trekken
dat haar verlegen en zenuwachtig maakte, en dat het haar moeder ook
altijd deed; maar evenals deze zette zij zich schrap, haar best doende
zich tegenover oom Lugtens niet bingoeng te toonen.
„Vindt u?” vroeg ze glimlachend en vriendelijk.
„Zeker, zeker.... het is een goed land, en Geber is een zeer geschikt
man.”
„Ja,” kwam mevrouw Uhlstra er met gedwongen vroolijkheid tusschen, „de
heeren, die met elkaar homberen, houden elkaar altijd de hand boven ’t
hoofd.”
Haar opmerking kreeg geen ander antwoord dan een schuinen nijdigen
blik, en Lugtens vervolgde, alsof ze niets gezegd had, tegen Roos:
„Je weet hoe het op het land gaat, en je kent de taal goed; dat zijn
ook twee voorname dingen.”
„Ja, oom.”
Roos wist waarlijk niet wat ze er anders op moest zeggen; zij had haar
aanstaand huwelijk nog niet hooren beschouwen dan qua zaak.
„Nu,” zei mevrouw Uhlstra. „We komen je maar even groeten, want we
moeten weêr gauw naar huis.”
„En ik heb ook de handen vol. Adieu dus en groet je man van me.”
Weêr knikte hij eens even in het rond, een algemeenen korten groet, en
de dames gingen, mevrouw Uhlstra met een kort uitgestooten „Dag!” blij,
dat ze het kantoor weêr uit was. Beneden aan de trap der achtergalerij
lei ze haar eene hand op haar hart en sloeg haar groote zwarte oogen op
naar boven, vol wanhopige ergernis, met de andere hand den pols vattend
harer zuster, terwijl ze fluisterend zei als bang door anderen gehoord
te worden:
„Wat een nare vent is het toch, Claar! Hoe is het mogelijk, dat je met
hem leven kunt? Ik hield het geen vierentwintig uur bij hem uit!”
„En ik heb het al twaalf jaar bij hem uitgehouden,” zei haar zuster met
een pijnlijken trek om den mond, „maar het is me nooit zoo moeilijk
geweest als in den laatsten tijd, nu met die ziekte van de oude vrouw.”
„Zanikt hij daar nog altijd over!”
„O, Leen, houd-je stil; daar maakt hij me den heelen dag het leven zuur
meê.”
Mevrouw Uhlstra keek haar zuster met innig medelijden aan.
„Ik ben er maar niet over begonnen; de mijne is er ook nooit over te
spreken, maar zoo’n bullebak als die Jacques....”
De meisjes hadden haar tante al goeden dag gezoend, en riepen uit den
landauer haar moeder.
„Nu,” zei deze, van mevrouw Lugtens afscheid nemende, „als er iets is,
laat je me maar roepen, ja?”
Lugtens was rustig voortgegaan met zijn correspondentie; regelmatig en
netjes, zijn volle aandacht bij het werk, schreef hij met de blijvende
barsche uitdrukking op z’n gezicht, het type van een kalm despoot. Zóó
kende men hem overal in Indië. Hij stond al veel jaren aan het hoofd
eener groote maatschappij, die hij zelf had georganiseerd; die hij
bestuurde met ijzeren hand; in wier dienst zijn wil wet was, en die hij
door zijn bekwaamheid, tact en toewijding tot grooten bloei had
gebracht. Niemand hield van hem. In zijn breeden kop, als met korte,
forsche houwen uit één stuk geslagen, lag de grootste
onverzettelijkheid uitgedrukt, en schoon hij baard noch knevels droeg,
altijd zorgvuldig geschoren, was zijn gezicht met krachtige trekken
langs den neus en om den mond, mannelijk en flink, als van een oud
romeinsch imperator. Thuis te zijn of in dienst zijner maatschappij
maakte voor hem weinig verschil; zijn vrouw, zijn kinderen of zijn
ondergeschikten op het kantoor,—ze hadden allen maar één ding te doen:
hem te gehoorzamen; en ze vreesden hem hier niet minder dan daar. Toen
hij klaar was en zijn correspondentie gesloten had, ging hij naar
achteren, rondziende als iemand, die inspectie houdt en zoekt naar een
gelegenheid om aanmerkingen te maken. Maar Clara was in den dienst van
haar huwelijk volkomen gedresseerd; nu, als altijd, was het stil in
huis, stond alles op zijn plaats, netjes en tot in ’t overdrevene
zindelijk.
„Ze zijn daar straks zeker allen achter geweest,” zei hij tegen haar.
„Ja, de oude vrouw is erg naar.”
„Zoo, is ze alweêr erg naar? De gewone kunstjes natuurlijk! Je hebt me
hier wat op m’n dak gehaald; ditmaal is het voor ’t laatst; zoo gauw ze
beter is, is het uit.”
Clara liet hem praten; in dat ééne opzicht weêrstond ze hem, en
ofschoon er geen dag omging, zonder dat ze de onaangenaamste dingen
daarover hooren moest, had ze toch volgehouden en was ze nu ook vast
besloten voor de oude inlandsche moeder in haar eigen huis te blijven
zorgen.
Terwijl hij doorsprak op den nurkschen, bevelenden toon, met
hatelijkheden en verwijten, reed een klein rijtuig door de poort het
achtererf op; voor het nog heelemaal stilstond, sprongen er twee
jongens en twee meisjes uit. Het waren de kinderen van Lugtens, die uit
school kwamen en vroolijk, rumoerig en luidruchtig de trap opholden. ’t
Was of ze verschrikten, toen ze zagen dat hun vader thuis was, zóó stil
werden ze ineens, zóó rustig liepen ze, een bezorgden blik op de
schoolboeken, die ze in de hand hielden en met de andere de petten
rechtzettend en de haren gladstrijkend. Alleen het kleinste meisje ging
gewoon door; het scheen niet in die mate den invloed te ondergaan, dien
het gezicht van den vader op de anderen maakte, en zij was ook de
eenige, die hij eigenlijk teruggroette, blijkbaar zijn best doende uit
zijn brusken toon in een meer vriendelijken en zachtzinnigen te vallen.
Er was toch niets bijzonders aan dit kind, blank en blond als de
anderen, geheel het Lugtens-type, zonder eenigen schijn der inlandsche
herkomst van moederszij.
Wat mevrouw Uhlstra, tante Lena, niet had gedurfd, deed de kleine Lena
dadelijk: ze vroeg naar mama tjang, en toen haar moeder, aarzelend en
bevreesd voor nieuwe uitvallen van haar man, zei dat ze erg ziek was,
weifelde het kind geen oogenblik, maar ging, zonder zich om haar vader
te bekreunen, met den vasten tred en de rechte houding, die Lugtens
kenmerkten, naar achteren.
De andere kinderen waren dadelijk in de kamers geslopen, liefst buiten
een onmiddellijke, minder aangename nabijheid.
Met de oogen wijd open en strak gericht op de deur lag mama tjang te
wachten; zij had de kinderen hooren thuiskomen, in de verte, en toen er
een naderde en de deur van haar kamer opendeed, wist ze wel dat het
kleine Lena was. In haar oud, bruin perkamentachtig gezicht kwam leven
en ontspanning; toen het kind op den rand van de baleh-baleh zat, nam
ze het witte handje in haar bruine vingers. Zij mopperde nu niet, dat
niemand naar haar omzag, en men haar verwaarloosde.
In het maleisch, vlug babbelend met veel gebaren, vertelde het kind van
haar school, van de andere meisjes, van de verhaaltjes uit haar
leesboeken, al maar door pratend, wel een kwartier lang. Mama tjang zei
nu en dan een woord ertusschen of deed een uitroep, maar ze keek maar
altijd door naar het kindergezicht, het handje streelend, dat ze niet
losliet, en strijkend over het blonde krullende haar. Niemand wist van
deze gewone inlandsche vrouw, dat ze daar aan huis het genadebrood
bleef eten, eenig en alleen om dat kleinkind. Voor haar zelf had ze
veel liever een woninkje gehad in den kampong. Herinneringen had ze op
haar ouden dag hoofdzakelijk nog alleen aan haar eerste jeugd, en
daarmeê was de kampong één. Een groot verlangen voelde ze naar een
stil, rustig erfje, waar de kippetjes rondpikten tusschen de pisang- en
de mangaboomen, naar zoo’n bamboezen huisje in de schaduw, met een
atappen dak en zoo maar neergezet op de bloote aarde. Zij had het
kunnen krijgen, o zoo graag! Zij wist heel goed welk een bron van
ongenoegen haar wonen was in het huis van Lugtens, en ze was daar erg
boos om; op haar manier verontwaardigd; maar als ze dan dacht aan het
ééne kleinkind, dat ze verlaten moest, dan was al het andere weg.
Haar dochters verzorgden haar; als zij dachten de oude met iets
genoegen te kunnen doen, brachten ze het mee; de kamer leek wel een
uitdragerij van mooie, kleurrijke dingen, die zoowat overal stonden in
bonte verwarring; het liet haar koud; ze gaf er niet om; maar de minste
kleinigheid, die ze kreeg van dat ééne kleinkind, een oud lintje, een
prentje of iets anders zonder de minste waarde, behandelde ze of het
een schat was; sloot ze zorgvuldig weg, netjes alles bij elkaar in een
bundeltje in een lâ van haar eigen kast.
Het schoot haar nu weêr te binnen, dat Lugtens het Clara zoo moeilijk
maakte, en te gelijk dat zij zoo dikwijls het verlangen voelde om terug
te gaan naar den kampong, waaruit ze afkomstig was.
„Waarom blijf ik hier,” zei ze als in zichzelf.
„Waarom?” vroeg kleine Lena, die daar dadelijk antwoord op gaf, „wel
omdat je hier woont net als wij.”
Maar mama tjang schudde van neen.
„Ik woon hier niet, kind; je vader woont hier en die is boos op me.”
„Dat geloof ik ook,” zei Lena heel wijs, „maar waarom is hij boos op
mama tjang?”
De oude kon er geen antwoord op geven; ze wist het wel, maar ’t kind
zou het toch niet begrijpen, dacht ze; wat mis was, want Lena dacht er
het hare van en sloeg den spijker aardig raak; ze ging naar haar vader,
die weêr in z’n kantoor aan ’t werk was. Toen hij even opkeek, vroeg ze
met grooten nadruk:
„Papa, waarom bent u toch zoo boos op mama tjang?”
Verwonderd richtte hij zich op. Niemand anders hier in huis dan dat
kleine ding zou den moed hebben gehad; schoon hij dikwijls op het punt
stond Lena af te snauwen, zoo barsch en uit de hoogte als hij gewoon
was, kon hij er nooit toe komen. Daarbij had hij plezier in haar
onbeschroomdheid, alsof het voor zijn aard een behoefte was althans op
de een of andere wijze over zich den baas te laten spelen. Hij vond er
iets grappigs in, dat die kleine blonde krullebol zoo niks bang voor
hem was, hem zoo heel gewoon aandurfde.
„Ik ben niet boos,” zei hij en wou weêr aan ’t werk gaan; doch hij zou
er zoo gemakkelijk niet afkomen. Ze kwam vlak naast hem staan, haar arm
familiaar op z’n schouder.
„U bent wèl boos, pa; u vindt het niet goed dat ze hier woont in de
bijgebouwen.”
„Och,” zei hij, de wenkbrauwen fronsend, „je moet niet lastig wezen.”
Hij zei dat heel gemoedelijk voor zijn doen; net alsof hij sprak tot
een volwassen mensch, erbij voegende:
„Je weet wel dat papa niet houdt van inlandsche menschen.”
„Ze kan het toch niet helpen, pa; ze is toch mama’s eigen moeder.”
„Jawel, jawel,” knorde hij in ’t nauw gebracht, „maar ik houd er nu
eenmaal niet van.”
„Mama moet toch voor haar zorgen? U zoudt immers ook zorgen voor uw
eigen moeder?”
Lugtens lei zijn pennehouder neer op den grooten zilveren inktkoker,
verschietend van kleur, de lippen vast op elkaar geklemd, rechtuit
kijkend in de ruimte zonder te zien. Neen, hij had niet gezorgd voor
z’n eigen moeder, die al jaren dood was, gestorven in de diepe armoede
van den kleinen stand eener groote stad!
Strijdend uit al zijn macht in de indische maatschappij om zijn positie
te verbeteren en geld te winnen, was hij, in de dagen van zijn opkomst,
los geweest van alles. Maar nu hij ouder was, zijn positie niet hooger
kon komen en zijn gevestigd fortuin vanzelf toenam, had hij soms
moeite, schoon hij daar nooit tegen iemand over sprak, opkomende
gedachten te onderdrukken, gedachten, verbonden aan herinneringen en
vol verwijt. Voor zijn zelfzucht, verhard in dertigjarigen arbeid en
zorg voor allerlei belangen, viel het niet zwaar, zich wat hij
muizenissen noemde, uit het hoofd te zetten, en dat deed hij dan ook
telkens; doch hij schrikte ervan nu hij zijn groote tekortkoming zoo
onverwacht hoorde formuleeren door het eenige van z’n eigen kinderen
waaraan hij buitengewoon gehecht was. Hij keek de kleine Lena met
wantrouwen aan, twijfelend of ze dit had uit haarzelve dan of het haar
was ingeblazen, en wat een heele gewone omstandigheid was, deed hem nu
bijzonder aan: zij had dezelfde oogen als zijn moeder; in een vlaag van
bijgeloovigheid overviel hem het gevoel als keek zijn moeder, die al
zoo lang dood was, hem aan door de oogen van het kind; zijn wantrouwen
was dadelijk weg. Toch vroeg hij nog:
„Heeft mama je soms gezegd zoo tegen me te spreken?”
„Mama!” zei Lena heel verwonderd. „In het geheel niet; ik vroeg het
zelf maar zoo.”
Lugtens haalde diep adem.
„Nu,” zei hij, „ga dan maar heen. Die oude vrouw kan wel blijven; papa
zal er niet meer boos om zijn en nooit weêr iets van zeggen.”
Het kind wipte met een sprongetje de deur uit, volstrekt niet
doordrongen van het feit, dat ze iets heel bijzonders had verricht,
enkel tevreden dat mama tjang niet weg hoefde te gaan, en haar moeder,
zooals zij het noemde, geen knorren meer zou krijgen. En ze riep dat
hardop, zoodat Lugtens het nog heel goed hooren kon, tot grooten schrik
en ontsteltenis van Clara, die haar haakwerk haast van haar schoot liet
vallen en fluisterend zei:
„Stil toch Lena; wat heb je nu weêr uitgevoerd?”
„Nou,” antwoordde het kind even onbeschroomd als altijd, „ik heb aan
papa gevraagd niet meer boos te zijn, omdat....”
Mevrouw Lugtens was haastig opgestaan.
„Kom, ga mee naar de goedang,” zei ze snel, het kind in de rede
vallend, „dan kan je wat padi halen voor de perkoetoets. Ze hebben nog
niets gehad vandaag.”
’t Was enkel om de kleine woordelijk te laten herhalen, wat ze brani
geweest was tegen haar vader te zeggen.