[1] Opgenomen in het Jaarboekje der Indologische Vereeniging voor het
jaar 1886.
[2] Tandjang-soorten = Risophoren. De voornaamste soorten op Java’s
noordkust zijn: Tandjang Bangoe of R. macronata, Kajoe Tinggi of R.
Roxburgh, en T. Lanan of R. conjugata.
[3] Boeaja’s, boeloes, kapitings en oedangs. Boeaja is de maleische
naam van den kaaiman. Op het modderige strand van Java’s noordkust
wordt voornamelijk de Crocidilus biporcatus aangetroffen. Boeloes
beteekent schildpad. Op bedoeld strand komt de Chelona imbricata het
meest voor. Mimi is de inlandsche naam van de degenkrab, de Limulus
Polyphemus. Kapiting beteekent krab. Hier wordt voornamelijk op de
Cancer Pagurus (zeekrab) gedoeld. Oedang beteekent garnaal of Crangon.
In den Ind. Archipel worden garnalensoorten aangetroffen, die in omvang
de grootste kreeften evenaren; maar er bestaan ook soorten, die
microscopisch klein zijn.
[4] Saoe-boomen. Mimusops kauki is een boom, die tot de Sapotaceeën
behoort. Hij ontwikkelt een zwaren stam, komt veelvuldig op de lage
stranden langs en op de eilanden in de Javazee voor en levert zeer
fraai en uitmuntend timmerhout op.
[5] Katjangmatten en atappen. Dit zijn bouwmaterialen, die gewoonlijk
van de breede bladeren van den Nipahpalm vervaardigd worden.
[6] Babah is de algemeene benaming van op Java of in den Archipel
geboren Chineezen, het best te vergelijken met „liplap.”
[7] Moeara Tjatjing. Moeara beteekent monding. Gewoonlijk wordt die
naam aan kleine inhammen gegeven, waarin riviertjes uitwateren.
Tjatjing beteekent pier, aardworm. Sommige riviertjes worden aldus van
wege hunne kronkelingen genoemd.
[8] Prahoe sajab is eene vlerkprauw, die door een geraamte van lang
uitstekende bamboestaken in holle zee tegen omslaan beveiligd wordt.
[9] Sero’s zijn vischfuiken, die aaneengeschakeld in zee, vooral bij
riviermondingen geplaatst worden. Met stevige staken worden die fuiken
bevestigd. Meestal vormen die staken hechte staketsels, die bij
hooggaande zee de aanrollende baar in haren loop vertragen, zoodat haar
kam of nok de beweging niet vooruitijlt, waardoor het breken belet
wordt. Achter zoo’n staketsel, waarin gewoonlijk schaakvormig openingen
gespaard zijn, treft een vaartuig betrekkelijk kalm water aan; het
gevaar althans is dan verdwenen.
[10] Matamata. Mata beteekent oog; mata-mata oogen. ’t Is eene niet
onduidelijke uitdrukking om een spion aan te duiden.
[11] Gemoetoe touw. Gemoetoe is eene zwarte vezelsoort, die tusschen de
bladsteelen en den stam van sommige palmsoorten, vooral van de Arengga
Saccharifera, aangetroffen en ook Idjoek genoemd wordt. Van die
vezelstof wordt touw geslagen, dat in lenigheid bij het henneptouw
achterstaat, maar in lichtheid en duurzaamheid het van dit wint.
[12] Tombokken. Tombokh is een vierkant bekapte boomstam, waarin
uithollingen uitgespaard zijn om rijst in te stampen. Wordt ook wel als
foltertuig gebezigd. De patiënt wordt dan op het tombokhblok
uitgestrekt, en met de zware stampers deerlijk gebeukt en gekneusd, tot
de dood er op volgt.
[13] Niboeng. Is eene fraaie en slanke palmsoort. Areca Nibung, die
veelvuldig op moerassige stranden voorkomt. Het buitenhout van den stam
is uitermate hard, en laat zich in de lengte gemakkelijk splijten.
[14] De smokkel-rayon. Het is allen vaartuigen, die opium aan boord
hebben, verboden om de kusten van Nederlandsch-Indië elders dan de
plaats van inklaring op korter afstand dan drie mijlen te naderen,
tenzij noodweer, averij of andere onheilen zulks noodzakelijk maken.
[15] Het cachet Van der Leeuw in groen lak was destijds een zeer gewild
botermerk in Ned.-Indië.
[16] Taël is een gewicht om kostbare zaken als goud, opium, enz. mede
te wegen. De taël weegt 0,0386 K.G.
[17] Madat en tjandoe. Tjandoe is gezuiverde opium. Madat is tjandoe
met tabak vermengd, die tot balletjes gekneed en tot rooken gereed is.
[18] Salak. Een stamlooze palmsoort, door de plantenkundigen Sacca
edulis genoemd, draagt rinsch wrange vruchten, die evenwel door velen
zeer gewild zijn.
[19] Rein als de witte bloem, waarvan zij den naam draagt.—Dalima
beteekent granaat en heet bij de geleerden Punica granatum. Er zijn
verscheiden dalima-soorten op Java, waarvan D. meirah met vuurroode, D.
soesoen, de in den tekst bedoelde, met witte, D. koening met gele en D.
berrem met dubbele bloem de voornaamste zijn.
In Indië is het niet zeldzaam, dat aan meisjes de naam eener bloem
gegeven wordt. Schrijver heeft te Batavia een lieve baboe gekend, die
Baboe Dalima heette. Wat uiterlijk betreft, heeft die wel ietwat voor
model van haar romantisch zusje gediend.
[20] Zoolang de kongsie dat goed zal vinden.—De oud-Gouverneur-Generaal
Duymaer van Twist verklaarde op 25 Februari 1859 in de Tweede Kamer:
„Er waren Inlanders, die door de Chineesche pachters verbannen waren
naar een aangewezen oord van Java, op straffe des doods in geval van
terugkeer; het waren de zoodanigen, voor wier getuigenis de pachters
bevreesd waren, wanneer hun smokkelhandel aan het licht mocht komen.”
[21] Orang oppas of oppasser is de benaming in Ned.-Indië voor
politie-agenten.
[22] Kamadoog is de Javaansche naam van het Karbouwenblad of de
Duivelsnetel, de Urtica urentissima der geleerden. Schrijver heeft eens
de toepassing van die bladeren op een blanke gezien, die hardnekkig
rheumatische verlamming simuleerde en aan alle listen en lagen, om het
bewijs van zijn toeleg te erlangen, weerstand bood. Hij was op het punt
om voor den milit. dienst afgekeurd te worden, toen de behandelende
geneesheer een laatste proef nam. Een paar striemen met een bosje
Kamadoog-bladeren op den naakten rug waren voldoende om ieders geweten
te bevredigen. De simuleerende vloog onder een Himmel kreuz
donnerwetter, das ist ja Feuer! overeind, van het bed af en het vertrek
uit. Nimmer heeft die man later meer aan verlamming geleden. De
Kamadoog wordt ook gebezigd bij gevechten van tijgers met karbouwen.
Door de onduldbare branderige pijnen worden de arme dieren tot den
hoogst mogelijken graad van woede opgezweept.
[23] Sirihkalk wordt van schelpen gebrand, is zeer zacht en mist de
scherpte van de steenkalk.
[24] Sirihblad, waarin de pinangnoot. Dat blad is afkomstig van eene
slingerplant, door de geleerden Chavica bettle genoemd. De pinangnoot
is de vrucht van eene palmsoort Areca pinang genoemd.
[25] Pandoppo is eene ruime overdekte galerij, die achter het
hoofdgebouw van iedere aanzienlijke woning in Ned. Indië aangetroffen
wordt, en loodrecht daarop aangebracht is. ’t Is de meest geliefkoosde
plek van het huis.
[26] Semoet api letterlijk vertaald vuurmier. Dit is de roode
boschmier, die wanneer zij slechts over de huid loopt reeds een
onaangenaam branderig gevoel te weeg brengt. Een beet van het diertje
doet zich als eene brandwond gevoelen. De semoet api is de Formica rufa
der geleerden.
[27] Tjitjaks en Gekko’s zijn hagedissoorten. Met de eerste wordt
bedoeld de muurhagedis, de Lacerta muralis; met de tweede de
Platydactylus guttatus.
[28] Doekoen is een ongepromoveerde Inlandsche geneeskundige,
gewoonlijk eene oude tooverkol, die dan veel werk van aphrodisiaca
maakt.
[29] Cultuurprocenten. Destijds genoten de Nederlandsche ambtenaren bij
het Binnenlandsche Bestuur op Java een tantum van de producten, die
door de bevolking voor de Europeesche markt opgebracht moesten worden.
Dat was wel het meest zedelooze middel om tot de exploitatie van een
volk aanleiding te geven, dat uitgedacht is kunnen worden. Tot welke
onbillijkheden de hebzucht, geprikkeld door zoo’n middel, gevoerd
heeft, is niet te beschrijven. Gelukkig behoort die
cultuurprocenten-aera tot de geschiedenis.
[30] Poesaka wapens. Poesaka heeft hier de beteekenis van erfstuk. De
Javaan koestert grooten eerbied en aanhankelijkheid voor de wapens,
kris, lans, enz. zijner voorouders.
[31] Dat kan ik begrijpen. Aan de opium worden erotische uitwerkingen
toegeschreven. Ziet daaromtrent de Proeve van eene geschiedenis van den
handel en het verbruik van opium in Ned.-Indië door J. C. Baud, gewezen
minister van koloniën, voorkomende in de Bijdragen tot de Taal-, Land-
en Volkenkunde in Ned.-Indië. Eerste deel 1853. Die eminente staatsman
op koloniaal gebied laat zich in die verhandeling uit liefde voor de
waarheid tot zoo eene openhartigheid, en tot zoo een realisme
verleiden, dat een romanschrijver hem onmogelijk op dat terrein volgen
kan.
[32] Anak s.... Anak beteekent kind. Omtrent de beteekenis der hier
bedoelde uitdrukking zie men Max Havelaar door Multatuli 5de druk
bladz. 267.
[33] Tali api. Vuurtouw of lont. Sedert de verschijning van de
Zweedsche tandstickors op de wereldmarkt, is het gebruik van tali api
grootendeels verdwenen. Dat ’s wel jammer; want dat heeft het
verdwijnen van den tali-api-jongen tengevolge gehad, en die was eene
echt Oostersche figuur in eene Oostersche omgeving. Geheel verdwenen is
de tali-api-jongen evenwel nog niet. In Java’s binnenlanden zou menige
groote hem niet willen missen; want die jongen behoort tot de staatsie.
[34] De opiumpachter, die aan het hoofd stond der smokkelaars van het
heulsap. Dat is geen laster. De Regeering is er zoo van overtuigd, dat
een Minister v. Kol. bij depêche van 16 April 1869 aan den Koning
schreef o. a.: het blijkt daaruit, dat de smokkelhandel der pachters
aanleiding geeft tot ondermijning van het gezag.
Een Procureur-Generaal bij het Hoog Gerechtshof van N.-I. schreef bij
miss. dd. 3 October 1866 aan den Gouv.-Gen.:
„Oost- en West-Java zijn overdekt met een goed georganiseerd net van
sluikhandel, waarvan de draden zich bevinden in handen van de pachters,
een net dat, om de ongehoorde voordeelen, die het oplevert, trots de
hoogste boeten, trots de hoogste straffen, zal blijven bestaan, zoolang
het belang der pachters medebrengt het te behouden.”
[35] Vijf en twintig à dertig percent morphium. De Levantsche opium
bevat 7–15 %, de Bengaalsche iets meer morphium. Is de tjandoe van
onvervalschte opium verkregen, dan wordt gewoonlijk 25 % van dat
alkaloïd aangetroffen. Zie daaromtrent het voorkomende op bl. 692 van
den Ind. Gids Meinummer 1885, waar het gevoelen van den heer F.
Hekmeijer, 1e apotheker v. h. N.-I. leger en bekend als uitstekend
scheikundige, medegedeeld wordt, in verband met de bewering van J. C.
Baud, dat uit onvervalschte opium slechts 15⁄32 tjandoe gewonnen wordt.
[36] Wanneer hij nog een tiental pikols rijst verorberd zal hebben. Een
gewoon gezegde in Ned. Indië, om op een langer verblijf daar te lande
te duiden. Er wordt gerekend, dat iemand een katie of 1⁄100 pikol rijst
per dag eet. Om dus tot een nuttig Indisch ambtenaar vervormd te
worden, werden Van Nerekool nog ongeveer 2¾ jaar gegeven.
[37] Landraad. De landraden op Java zijn de gewone dagelijksche
rechtbanken voor Inlanders en met dezen gelijkgestelden. Zij zijn
gevestigd op alle hoofdplaatsen van gewesten en van afdeelingen, aan
wier hoofd een assistent-resident geplaatst is, en zijn samengesteld
uit twee Inlandsche hoofden tot leden, uit den panghoeloe tot adviseur,
en worden gepresideerd door een rechterlijk ambtenaar. De djaksa
(Inlandsch officier van justitie) vervult daarbij de betrekking van
ambtenaar van het openbaar ministerie; terwijl aan die rechtbanken
daarenboven nog een griffier en een deurwaarder (beiden Europeanen)
toegevoegd zijn. Voor enkele residentiën treden de residenten of
assistent-residenten als voorzitters der landraden op.
[38] Hij heeft in ieder geval voor mijn pleizier zooveel maanden
gezeten. Zulke gevallen zijn niet zeldzaam. Die zich daarvan overtuigen
wil, zie Macht tegen recht door den raadsheer bij het Hoog Gerechtshof
van Ned. Indië Mr. M. C. Piepers, Eerste gedeelte bladz. 196.
[39] Een minister van Koloniën eens aan den Koning schreef. Ziet
daaromtrent de aanteekening No. 1 op bladz. 47 hiervoren. Een
uittreksel van bedoelde depêche is te vinden op bladz. 25 van Eene
bijdrage tot de studie der opiumquaestie op Java.—De officiëele
litteratuur door Mr. W. K. Baron Van Dedem, Lid van de Tweede Kamer der
Staten Generaal.
[40] Om die zaak aan de behandeling van den bevoegden rechter te
onttrekken. Dat zoo iets wel eens voorvalt, is te lezen op bladz. 15,
16, 17, 18 en 19 van de brochure Iets over de afhankelijkheid van de
Nederlandsch-Indische rechterlijke ambtenaren, in de laatste helft van
1880 bij J. H. De Bussy te Amsterdam uitgegeven.
[41] Den Grooten Heer met den stralenkrans van zijne meervoudige
zonneschermen omgaf. Het is begrijpelijk, dat ijdele ambtenaren er meer
dan een pajoeng op na houden. In den regel staan in zoo’n standaard
vier van die hoogwaardigheids emblemata, b. v.: een voor hooge
gelegenheden als: Koningsverjaardag, Chineesch Nieuwjaar, Garebeg
besar, enz.; een voor gewone officieele, eene voor niet officieele
gelegenheden, als het afleggen van bezoeken, enz. en eene voor de
wandelingen.
[42] Pretto ook „tahi madat” genoemd, is het uitschraapsel van de
opiumpijp. Dat residu wordt vermengd met het verdikte sap, vooral van
de Sedap malam, de Polyanthes tuberosa en van de Gandja, de Canabis
Indica. Zoo wordt de opium in N.-I. op groote schaal vervalscht, zeer
ten nadeele—hoe jammer nietwaar?—van de schatkist, maar vooral ten
nadeele van de menschheid; want de vervalschingsmiddelen zijn nog veel
schadelijker, dan de morphine, die het hoofdbestanddeel der opium
uitmaakt.
[43] O! sama djoega, Kandjeng toean. Dat tafereel van den resident met
den Chinees en den hond is meesterlijk in teekening gebracht door J.
den Beer in zijne Tjampoer-Adoek, uitgave van Gualth. Kolff te Leiden
en G. Kolff & Co., te Batavia.
[44] Gekko’s oendoek, oerat minjangan, laler idjoe, sarong lawet, Van
al deze dieren worden door zoogenaamde deskundigen teeldriftprikkels
vervaardigd. Zie omtrent de gekko de aanteekening No. 2 op bladz. 40
hiervoren. De oendoek, te Bandjermasin sedjangang genoemd, is een
vischje dat zeer veel in de moerassige streken van Zuid Borneo, maar
ook hier en daar op Java aangetroffen wordt. Het heeft een kop, die wel
eenige overeenkomst met dien van een paard heeft. Ik heb niet kunnen
opsporen, hoe de geleerden deze heeten. Zij kan niet tot de Hypocampi
behooren, die in het aquarium te Amsterdam aanwezig zijn; het verschil
daarmede is te groot. De oendoek, waarop hier bedoeld wordt, heeft
geheel en al het lichaam van een visch, maar kan zich met de
borstvinnen zeer vlug over drooggevallen modder voortbewegen. Er
bestaan verscheidene soorten van oendoek. Die soort evenwel, die met
fijne grasgroene schubben bedekt is, wordt voor erotische doeleinden
het meest geschikt geacht. Oerat minjangan zijn hertenpeezen,
voornamelijk afkomstig van de Cervus russa. Er wordt in hertenpeezen
een belangrijken handel gedreven, daar de Chineezen een kopje bouillon,
daarvan gekookt, als een uitstekend aphrodisiacon hebben leeren kennen.
De laler idjoe, hier bedoeld, is eene vrij groote groengoudvlieg, wie
de erotische eigenschappen van de Kantharis toegekend worden. Sarong
lawet zijn de zoo bekende eetbare vogelnestjes. Lawet is de Javaansche
naam van de zeezwaluw, de hirundo esculenta, die haar nestje uit een
soort slijm bouwt. Ook die nestjes worden als uitstekend
opwekkingsmiddel door de Chineezen geroemd.
[45] Daoen gettal is een gewas, dat door de Javanen Rawèh, en door de
geleerden Mucuna prurita geheeten wordt. De boontjes worden voor een
sterk werkend aphrodisiacon gehouden.
[46] Een paal is eene lengtemaat gebruikelijk op Java van 1506,94
meter.
[47] De heerlijkste manga’s, de lekkerste ramboetan’s, de rinschste
assam’s, de saprijkste bliembieng’s, de geurigste djeroeks en de meest
verfrisschende djamboe’s. De manga-boom met zijne niervormige vruchten
is een gewas, dat 40 voet hoog wordt, en eene dichte kruin vormt. Er
bestaan vele variëteiten van manga’s op Java, waarvan de Mangifera
Indica en de M. foetida de voornaamste zijn. De ramboetan met zijn
vleezig behaarde roode en gele vruchten, vormt ook een hoogen boom, die
door de plantenkundigen Nephelium lappaceum geheeten wordt. De pohon
assam is de zoo fraaie tamarindeboom met zijn fijn gevind loof, de
Tamarindus Indica. De bliembieng met zijne komkommervormige frissche
vrucht is meer een struik, en is in twee hoofdsoorten verdeeld: de
bliembieng manies = Averrhoa carambola, en de bliembieng assam =
Averrhoa bilimbi. De djamboeboom is mede een fraai gewas, meestal met
machtige kruin. Er bestaan wel 70 soorten in Ned.-Indië, waarvan de
djamboe Samarang of Jambosa alba, de djamboe bol of J. domestica, de
djamboe ajer of J. aquosa, de djamboe mawar of J. vulgaris de
voornaamsten zijn.
[48] Katja-piring, kembang mentega, melattie, poekoel ampat, kemoening,
kembang spatoe, patra kombala. Allen bloemstruiken, ware sierplanten.
De Katja-piring = Gardenia grandiflora; de kembang mentega = Nerium
oderum; de melattie = Jasminum Sambac; de poekoel ampat = Mirabilis
jalappa; de kemoening = Murraga exotica; de kembang spatoe = Hibiscus
rosa sinensis; de patra kombala = Caesalpinia pulcherrima.
[49] Bamboe betong = Bambusa nigra ciliata.
[50] Bandeng’s, djampal’s batak’s, gaboes zijn vischsoorten, die door
de ichtyologen respectivelijk Lutodeira chanos, Pangasius djambal,
Anabas scandens, en Ophicephalus striatus geheeten worden.
[51] Singo was eerst in handen van wervers voor het leger gevallen. De
Gouv.-Gen. Duymaer van Twist meende de ergerlijke praktijken, die
gebezigd werden, om met behulp van opium, vrouwen en dobbelspel de
Inlanders te ronselen, te moeten tegengaan, en verbood die praktijken
ernstig bij circulaire. Maar, heel kort daarop verscheen eene geheime
circulaire, waarbij de eerste ingetrokken en de schandelijke toestand
bestendigd werd.
[52] Het aantal opiumkitten in het pachtdistrict met een tiental
vermeerderd werd. De lezer kan de waarheid van die bewering toetsen.
Bij art. 8 van de opium ordonnantie (Ind. Stsbl. No. 197 van 1872) was
het aantal opiumkitten voor de residentie Samarang op 42 bepaald. Bij
eene volgende opium ordonnantie, twee jaren later geslagen, (Ind.
Stsbl. No. 229 van 1874) werd dat aantal voor die residentie op 52 en
negen jaren later (Stsbl. No. 197 van 1883) op 61 bepaald. Toch schreef
de Min. van Kol. Rochussen, op 4 Mei 1858, dat geen meer afdoend middel
om het opiumverbruik tegen te gaan, kan worden aangewend, dan het getal
der opiumkitten te verminderen. „Het is,” zoo waren zijne woorden,
„door de vermenigvuldiging van deze, dat de Inlandsche bevolking zich
meer en meer in verzoeking gebracht ziet, om zich aan het gebruik van
het verderfelijk heulsap over te geven en de amfioenpacht zelve van het
doel, dat er mede beoogd moet worden, zich van lieverlede verwijdert.”
Bij circulaire van den Directeur van Middelen en Domeinen, d.d. 4 Nov.
1862, No. 3823 (B 1298), werd den residenten medegedeeld: „dat de
Regeering met vasten wil er naar streeft, om het amfioenverbruik door
verbodsbepalingen en beperkingen tegen te gaan. Daartoe beveelt zij aan
eene inkrimping van het aantal kitten” enz. Die circulaire is nimmer
ingetrokken en derhalve nog van kracht. Maar, zeg mij: kon die vaste
wil der Regeering op ergerlijker wijze gebrandmerkt worden dan door
haar zelve geschied is?
[53] Galangan’s zijn dijkjes, die de natte rijstvelden omgeven. Die
dijkjes moeten goed onderhouden worden, wil de landbouwer geene
teleurstellingen bij het bevloeien zijner sawah’s ondervinden. Zij
moeten van tijd tot tijd verlegd worden, eerstens om de vruchtbare
maagdelijke aarde, waaruit zij bestaan, weer met den bodem te
vermengen; ook om te beletten, dat die dijkjes broeinesten worden van
ongedierte als slangen, yoeyoe’s (krabbesoort) enz.
[54] In den vollen oogsttijd. De rijstoogst valt op Java niet overal
gelijktijdig in. Op de strandvlakten heeft hij gewoonlijk einde Juni
plaats, in de bergstreken later.
[55] Het is dan voor haar eene ware kermis. Dat is ook het gevoelen van
den oud-Hoofd-inspecteur der Cultures in Ned. O. Indië K. W. van
Gorkom. Zie zijne Oost-Indische Cultures 1e deel bladz. 115.
[56] Gamelan is een muziek-orchest, uit vele metalen bekkens en andere
instrumenten bestaande. Na de Koloniale Tentoonstelling te Amsterdam
vertrouwt de schrijver, dat voor het lezend publiek een verdere uitleg
overbodig is.
[57] Aloon aloon is een plein, dat schier in iedere dèsa aangetroffen
wordt. Gewoonlijk wordt het door Wariengienboomen, de Ficus religiosa,
een der prachtigste keerkringsgewassen overschaduwd. Aan de westzijde
staat gewoonlijk het bedehuis, de missighiet, terwijl de andere zijden
door de woningen der hoofden ingenomen worden. Voor de komst der
blanken had daar onder die boomen de rechtsbedeeling door de Javaansche
hoofden plaats.
[58] Kamprits en kalongs. De kamprit is eene kleine soort vledermuis,
die in verbazende menigte onder de daken der dèsa-woningen huizen, en
bij het vallen van den avond in dichte zwermen uitvliegen. De meest
verspreide soort op Java is de Vesperugo noctula, die hoofdzakelijk van
insecten leeft. De kalong behoort even als de voorgaande tot de
handvleugeligen, maar is veel grooter. Hij bereikt de grootte van een
jongen patrijshond, en is een ware plaag voor de dèsa-bewoners, daar
hij zich uitsluitend met vruchten voedt. Door de geleerden wordt hij
Pteropus edulis geheeten.
[59] Sedap malam. Zie daaromtrent de aanteekening No. 1 op bladz. 78.
[60] De Pernakh-an gedang en de gambang. De eerstgenoemde is een der
kleinste bekkens van het Javaansche orchest en met zeer hoogen toon. Er
bestaan twee instrumenten van dien naam, die evenwel in afmeting, maar
ook in toon met elkander verschillen. De gambang is een schuitvormige
bak, op welks randen latten van zeer klankrijk hout rusten, die met een
paar kamertjes bespeeld worden.
[61] De rebab en de gender. Eerstgenoemde is eene tweesnarige viool. De
gender is even als de gambang een schuitvormige bak, een soort
glaslatten-harmonica, waarvan de toetsen evenwel van metaal zijn.
[62] Topeng is de naam van de oorspronkelijke tooneelvoorstelling op
Java, die door ettelijke acteurs en actrices met begeleiding van het
gamelanspel uitgevoerd wordt. Meestal worden daarbij historische
legenden aanschouwelijk gemaakt.
[63] Ronggeng zou kunnen vertaald worden door het woord actrice. De
ronggeng kan bij de topeng niet ontbeerd worden. In den regel zijn de
ronggeng’s zeer schoone vrouwen maar tevens lichtekooien van de ergste
soort.
[64] Hadden de Chineezen alle redenen van tevredenheid. De lezer zou
kunnen meenen, dat de schrijver hier bij het ontwerpen van dit
verleidingstafereel overdreef, of de waarheid geweld aandeed. Luister
eens, wat de Min. van Kol. Hasselman, bij de behandeling der begrooting
van N.-Indië in de volle Tweede Kamer liet hooren. Het waren woorden,
die hem destijds als resident door een opiumpachter ingefluisterd
waren. Het gold toen inkrimping van het bestaande aantal opium-kitten.
„Er kwam nog iets bij,” zei de Chinees in het vuur van de verdediging
zijner belangen. „Er kwam nog iets bij, namelijk: dat het zoo jammer
was, als eene kit, nadat ze met veel moeiten en kosten was productief
gemaakt, werd ingetrokken. Men moest om de bevolking te lokken, feesten
en danspartijen geven, en dit mocht toch niet tot eene vergeefsche
moeite worden gemaakt.”
Wanneer nu in den boezem der vertegenwoordiging, waarin slechts uiterst
schroomvallig, vooral door Ministers v. Kol. de opiumkwestie behandeld
wordt, zulke mededeelingen weerklonken hebben, dan kan de lezer
oordeelen over wat er er in werkelijkheid omgaat, en dan moge hij
uitspraak doen, of het in den tekst voorkomend verleidingstafereel
overdreven mag heeten.
[65] Krachtige bondgenooten aangetroffen in de vrouwen. In de
Itinerario, Voijage ofte Schipvaert van Jan Huygen van Linschoten, een
Haarlemmer, die in 1569 naar Indië zeilde, worden uitvoerige
bizonderheden aangetroffen, die een romanschrijver niet bezigen mag.
Die bizonderheden geven evenwel de oorzaken aan, waarom de vrouwen in
N.-I. op het samenzijn met een opiumschuiver zoo verlekkerd zijn. Jean
Chrétien Baud, hoewel niet zoo in bizonderheden afdalende, bevestigt
volkomen het bestaan dier oorzaken in zijne Proeve, in de aanteekening
No. 1 op bladz. 43 hiervoren reeds aangehaald. Men zie ook Van Dedem’s
studie in de aanteekening No. 1 op bladz. 74 hiervoren aangehaald. Bij
inzien van die aangehaalde werken zal de lezer ook ervaren, waarom de
opium naast of zelfs boven ieder ander aphrodisiacon gesteld kan
worden.
[66] Mata’s. Een mata, ook wel „tiembang” genaamd, is het 1⁄1600 van
een katie, of het 0,368 van een milligram.
[67] Tegen slechts veertien cent per mata. Zie Koloniale Verslag voor
1884, hoofdstuk M., Afd. I., bladz. 154.
[68] Van den eenen zwijmel in den anderen overgingen. Een volbloed
Chinees schreef nog niet zoo heel lang geleden in de Times: „Wijs mij
één geval, waarin iemand zich heeft gehouden aan eene vaste hoeveelheid
opium, waarmede hij tien jaren geleden begon, en ik zal u honderd
gevallen toonen, waarin men begon met eene matige hoeveelheid, doch
binnen tien jaren het gebruik zoo toenam, dat het de schuivers te
gronde richtte.”
[69] Waarvan het verhaal onmogelijk moge schijnen; maar die helaas!
toch zoo dikwerf plaats vindt. Helaas, hoe dikwijls hebben de Indische
dagbladen gelegenheid zoodanige gebeurtenissen mede te deelen.
Dergelijke berichten van opiumschandalen komen schier nog menigvuldiger
voor, dan in de Nederlandsche dagbladen die der kinderlijkjes in
grachten, slooten, enz. gevonden.
[70] Njonja mahal. Zie daaromtrent bladz. 160 van Macht tegen recht
Piepers, bij de aanteekening hiervoren op bladz. 73, reeds aangehaald.
[71] Ngoh, de Watergod. Zie daaromtrent bladz. 299 van de Jaarlijksche
feesten en gebruiken van de Emoy-Chineezen door Dr. J. J. M. de Groot.
[72] Bij de beschrijving van de werkkring van het Binn. Bestuur vindt
men op bladz. 153 van de Regeerings-Almanak voor 1881 aangeteekend,
omtrent deze Inl. ambtenaren: „Elken regent is een patih toegevoegd, in
alles zijn plaatsbekleeder, door wien de regent zijne bevelen laat
overbrengen aan mindere hoofden en die voor de tenuitvoerlegging dier
bevelen te zorgen heeft.”
[73] Kanarie-boomen, eene fraaie boomsoort met prachtige kruin, door de
geleerden Canarium commune geheeten.
[74] Pradjoerits zijn zoogenaamde regentstroepen, infanteristen, die
eigenlijk tot niets anders dienen, dan tot geur der civiele ambtenaren.
Geen deskundige heeft hen ooit eenige militaire waarde toegekend.
[75] Hoofd-djaksa is de officier van justitie en de openbare aanklager
bij de Inlandsche rechtbanken in Ned. Indië. Zie deswege bladz. 67 van
den Regeerings-Almanak voor N.-I. van 1881; ook de bladzn. 305 en
volgenden tot 311 van de Essai sur les principes régissant
l’administration de la justice aux Indes Orientales hollandaises, door
Mr. Winckel. De Inlandsche officieren van justitie bij de landraden in
de hoofdplaatsen der residentiën voeren den titel van hoofd-djaksa. Hem
zijn een of meer helpers toegevoegd, die officieel adjunct hoofd-djaksa
heeten, maar in den regel evenals de officieren van justitie bij de
landraden in de onderafdeelingen slechts djaksa genoemd worden.
[76] Radhen ajoe. Zoo worden de eerste vrouwen van de Javaansche
grooten genoemd, die als Mahomedanen de veelwijverij toegedaan zijn.
[77] Tjemårå’s. Er zijn in Indië verscheiden soorten van dat gewas. De
hier bedoelde is de Casuarina equisetifolia.
[78] Pandan rampeh gedeh. Dit is de Pandanus latifolius der geleerden.
Wordt veel op Java aangekweekt om zijne sierlijkheid, maar vooral om
zijne aangenaam riekende bladeren, die fijn gesneden door de vrouwen in
het haar gedragen worden.
[79] Makassaren. De inheemsche paarden van Zuid-Celebes zijn door den
geheelen Archipel beroemd. Zij worden Makassaren genoemd naar de
hoofdplaats Makassar.
[80] Kedoeërs en Batakkers. In den tijd, lang geleden, toen de
Nederlanders nog hart voor hunne koloniën hadden, werden Friesche
hengsten ingevoerd en in de residentiën Kedoe en
Preanger-Regentschappen stoeterijen opgericht. De stoeterijen zijn
reeds lang verdwenen; maar de afstammelingen van die Friesche hengsten
vormen een zeer fraai en krachtig paardenras, dat evenwel door gebrek
aan nieuw bloed langzamerhand uitsterft. Batakkers zijn een fraai
inheemsch paardenras, in de Bataklanden in Noord-Sumatra. Het zijn
kleine paarden, maar van zoo edelen vorm, dat moeielijk iets meer
volmaakt op dit gebied uit te denken is.
[81] Tamarinde-boom is een groote kruinboom met uiterst fijn gevinde
bladeren. Bij de geleerden heet hij Tamarindus indica.
[82] Toeri- of klampiesstruikjes zijn sierlijke gewassen, die door de
geleerden genoemd worden, de eerste: Agati grandiflora, de tweede
Acacia tomentosa.
[83] Wedono, djoeroetoelis, loerah, kabajan, kamitoewa en tjarik zijn
allen titels van Javaansche hoofden. De wedono is het districtshoofd,
de djoeroetoelis is zijn schrijver, de loerah is het dèsahoofd en de
drie vorigen zijn leden van het dèsabestuur.
[84] Als de bevolking er gebruik van mag maken. De tijd ligt zoo ver
niet achter ons, dat de Javaan geprest werd, om in onbetaalden
heerendienst prachtige wegen over berg en dal voor zijne blanke
overheerschers aan te leggen, evenwel daarvan zelf geen gebruik mocht
maken, maar zich vergenoegen moest met de zoogenaamde karrewegen, naar
welker onderhoud niemand omzag, en dan ook in een niet te beschrijven
toestand van verwaarloozing verkeerden.
[85] Met dispensatie van het afleggen van eenig examen. Bij koninklijk
besluit dd. 21 Januari 1879 No. 28 werd aan tien Nederlandsche
landsdienaren dispensatie verleend van het examen, bedoeld bij
Staatsblad No. 194 van 1864. Men hoopte door dien maatregel de
comptabiliteits-wet, die dreigde te stranden, in vlot water te brengen.
De lezer kan nagaan welke specialiteiten toen naar Ned. Indië gezonden
zijn. Helaas! de zoo schoone Koloniën ondervinden er de naweën en
Nederland plukt er de vruchten van.
[86] Die zij gewoonlijk ’s Vrijdags slechts aan hadden. De Vrijdag,
hari Djoemahat, is de Zondag der Mahomedanen.
[87] Kanarievogel. De uniformen der oppassers zijn ruim met geel laken
uitgemonsterd. Van daar die gebruikelijke benaming.
[88] Te zeer gewoon aan zoo’n bejegening. Voor hen, wien deze episode
te sterk gekleurd mocht voorkomen, raden wij eene vlijtige inzage van
de Indische dagbladen aan. Zij zullen dan menig staaltje lezen, als het
ondervolgende, dat een uit zoovelen uitgekozen en in het Indische
Vaderland van 16 Januari 1883 aangetroffen wordt: „OPIUMZAKEN. Toen
gisteren namiddag de opiumambtenaar Steinfort huiszoeking zou doen bij
den Chinees Lim Kwa Hong, vond deze laatste bij de gebruikelijke
visitatie aan den lijve, dat de oppasser van den heer S., Rono genaamd,
een klein doosje met klandestiene tjandoe bij zich had.” Hetzelfde feit
werd op denzelfden dag ook door het dagblad de Locomotief medegedeeld.
[89] Keh is eene gemeenzame benaming van een Chinees, bijna een
scheldnaam.
[90] Kedjineman hier in de beteekenis van wachthebbende.
[91] Wariengienboom. Zie de aanteekening No. 3 op bladz. 94 hiervoren.
[92] Kalong. Is eene soort vliegende hond, die tot de handvleugeligen
behoort. Hij wordt door de zoölogen Pteropus edulis geheeten. Edulis
beteekent eetbaar, en werkelijk dat dier wordt door ettelijke jagers
met graagte genuttigd.
[93] Kwenni. Is eene soort manga, en wordt door de botanici Mangifera
foetida geheeten.
[94] Tongeret oetan wordt door de entomologen Tosena fasciata geheeten.
[95] Baud’s bekende Proeve. Zie omtrent den titel dier verhandeling de
aanteekening Nr. 1 op bladz. 43 hiervoren.
[96] Companie ketjil = de kleine kompagnie is de benaming bij den
Inlander van de Nederlandsche Handelmaatschappij.
[97] Wiens naam mij ontschoten is. Die Chinees heet Li Schi Tschin. Hij
schreef in 1596 zijn Pen Tsao Kang Mo of Chineesche pharmacopoea.
[98] Von Miclucho Maclay. Zie daaromtrent Natuurkundig Tijdschrift van
N.-I. XXXVste Deel.
[99] Mannen als Rochussen, Loudon, Hasselman, Van Bosse. Rochussen: zie
zijn missive aan de Ind. Regeering dd. 3 Mei 1858; Loudon: zie Tweede
Kamerzitting December 1861; Hasselman: zie zijn brief aan den Koning
dd. 16 April 1869; Van Bosse: zie Kamerzitting 11 Maart 1872.
[100] De kit is nog open. Bij art. 7 van het regl. voor de opiumpacht
op Java en Madoera (Ordonn. 25 Sept. 1874 Ind. Stsbl. No. 228) wordt o.
a. ook bepaald, dat: de kitten worden gesloten en de opiumverkoop
gestaakt tusschen elf uur des avonds en half zes des morgens.
[101] De pijp uitkrabben, om zoo het noodlottige narcoticum machtig te
worden. De opiumpachters koopen dat uitkrabsel, hetwelk „tahi madat”
geheeten wordt, op, om hunne officiëele waar mede te vervalschen. Die
vervalsching wordt bij art. 13 van het bij de vorige noot op bladz. 212
aangehaalde reglement met zware boete bedreigt. Hoe edelaardig niet
waar? Den Javaan tegen vervalschte vergiftiging te beschermen! Er dient
bij verteld te worden, dat die vervalsching te zeer de onvervalschte
vergiftiging van het Staatsmonopolie zou benadeelen.
[102] Om zoo het noodlottige narcoticum machtig te worden. Zie
daaromtrent de aanteekening No. 1 op bladz. 78.
[103] Dagteekent reeds van 1824. Dat besluit is van 3 December en te
vinden in het Ind. Staatsblad No. 44 van dat jaar.
[104] Omdat men vreesde, dat de bevolking koffie zou stelen, om zich
aan het amfioenschuiven te kunnen overgeven. Zie Baud’s Proeve enz.
reeds in de aanteek. No. 1 op bladz. 43 hiervoren aangehaald. Op bladz.
162 van het daar vermelde deel der Bijdragen staat woordelijk: „De
Preangerlanden werden van het pachtgebied uitgesloten en alle invoer
van opium aldaar verboden. Dat stond in verband met de vrees voor
sluikhandel in koffie. Verslaafden de Inlanders zich aan het
amfioenrooken, dan zouden zij, meende men, de Gouvernements-koffie
verkoopen om aan die neiging te kunnen voldoen.”
[105] Met vrede te Atjeh te decreteeren, die nog in de verste verte
niet te bespeuren is. Zie hieromtrent de hoofdartikelen in 1885 in de
Nederlandsche dagbladen: Het Algemeen Handelsblad, De Amsterdammer, Het
Vaderland en zooveel anderen in de maand Juli 1885 gepubliceerd.
[106] En de Vertegenwoordiging nam die raming zonder blikken en blozen
aan. Och, wat was Grenits nog naïef met zijne verontwaardiging. De
opiumramingen van 1886 en van 1887, die respectievelijk 21 en bijna 22
millioen bedroegen, zijn evenzeer zonder blikken of blozen aangenomen.
Nederland heeft geld noodig en dan komt het er niet op aan, uit welk
riool dat geld door de Regeering met vuil viezen vinger gehaald wordt.
In de Eerste Kamer werd de Minister Sprenger van Eyk in 1885 nog
geprezen voor zijn financiëel beleid. Hoera, voor de Nederlandsche
Vertegenwoordiging!
[107] Lees de Indische dagbladen maar geregeld. Alle verschenen
artikelen op te sommen, is niet doenlijk. Maar de lezing van b. v. Het
Indische Vaderland van 15 Januari en 8 Februari 1883, en ook de
Locomotief van 25 Juli en 1 Augustus van hetzelfde jaar kan ik
aanbevelen.
[108] Elke regeling moet worden veroordeeld, die de strekking heeft, om
door een vermeerderd debiet de rijzing van den pachtschat te
verkrijgen. Grenits kwam waarlijk beslagen op het ijs, want de Minister
van Koloniën Rochussen verkondigde in nagenoeg dezelfde bewoordingen
dezelfde stelling in zijne missive aan de Ind. Regeering dd. 3 Mei
1858. Hoe die waarlijk verheven grondstelling nagekomen is en wordt,
leert de noot op de vorige bladzijde.
[109] Door een minister van Koloniën tot een belastingheffingsstelsel
verheven is. Zie de inlichtingen van den Min. v. K. Sprenger van Eyk,
aan de Tweede Kamer aangeboden bij zijne geleidende missive dd.
September 1884 No. 1.
[110] Dan wordt hij beboet. Ziet ook over het bezit en verkoop van
opium door apothekers in Ned. Indië de Ordonnantie dd. 8 October 1872
(Ind. Stbl. No 170).
[111] Stipt en onwrikbaar hun plicht zullen doen. Ja, dat zullen zij!
Maar... hoe wordt hun plichtsbetrachting door de Regeerende personen
gewaardeerd? In de Kamerzitting van 11 November 1885 permitteerde de
Min v. Kol. Sprenger van Eyk zich de persiflage: „zij pruttelen wel,
maar dat is niet gevaarlijk. Rechtmatige klachten inbrengen wordt in
den mond van die Excellentie pruttelen geheeten, en daaraan wordt eerst
aandacht geschonken als het gevaarlijk wordt.
[112] Atapoepoe of de Tomini-baai. Eerstgenoemde is een kleine kampong
op de noordkust van het eiland Timor vlak bij de Portugeesche grens
gelegen. De Tomini-baai is een groote inham, welke de Moluksche zee in
Noord-Oost-Celebes maakt.
[113] Advocaat Winckel. Deze rechtsgeleerde, die redacteur was van een
der Indische bladen, werd in 1873 wegens eenige ondoordachte woorden
over den toenmaligen Gouverneur-Generaal met betrekking tot den
Atjeh-oorlog zonder vorm van proces uit Nederlandsch-Indië gebannen.
[114] Dit distichon beteekent vrij vertaald: hij die een kus verwerft
en het overige niet weet te veroveren, is waard, dat hij datgene
verliest, wat hij reeds erlangd heeft.
[115] Vierbekkige palita. In het meerendeel der dèsa’s van Java’s
binnenlanden, waar de petroleum-verlichting nog niet is doorgedrongen,
wordt een soort van ijzeren bakje met vier tuitjes in de toeken, waarin
in katjang- of klapper-olie een pitje ligt, tot lamp gebezigd.
[116] Sembong, Kemanden kerbo en Oering aring zijn heestergewassen, die
op Java veelvuldig langs berghellingen op steenachtigen bodem werden
aangetroffen. Zij behooren tot de Compositeeën. De eerstgenoemde wordt
Conyza balsamifera genoemd. De bladeren, vooral de jonge spruiten zijn
zeer welriekend. De Kemanden kerbo heet C. Macrophylis en de derde
genoemde Eclypta erecta.
[117] Oeweh lilin is eene rottansoort en heet Calamus melanoloma.
[118] Djatie doeri. Dit is eene variëteit van gedoornde Tectona
Grandis.
[119] Siwallan is de Javaansche naam van een dwergpalm, die niet hooger
wordt dan 20 voet. Hij wordt door de geleerden Borassus flabelliformis
geheeten.
[120] Melati bloem. Zie de aanteekening No. 1 op bladz. 89 hiervoren.
[121] Tjoe is jonge arak. Wordt door Chineezen veel gedronken. De
Bataviasche tjoe heeft onder hen een zeer gunstigen naam.
[122] Maar den dood niet ontkomen zouden. Een gewond wild sterft in den
regel in tropische gewesten. De tallooze vliegen en andere insekten,
die zich op de wonden werpen, maken genezing onmogelijk.
[123] Komessoe is een boom, die nog al op Java op steenachtigen grond
aangetroffen wordt. In de Vorstenlanden heet hij Pohon malam, en wordt
daar soms aangeplant, voor de was, die uit de vruchten getrokken wordt
en mienjak tangkallah heet. De plantenkundigen noemen den boom, die tot
de Laurineeën behoort: Cylicodaphne sebifera.
[124] Zie daaromtrent de aanteekening No. 1 op bladz. 44 hiervoren.
[125] Soengoe mattie. Soengoe beteekent: zeker en mattie: dood. Dus de
uitdrukking: zeker dood; kan gelijk gesteld worden met de Nederlandsche
uitdrukking: „ik mag doodvallen” of iets dergelijks, om de waarheid te
bevestigen.
[126] Koekoesan is een spits toeloopende kegelvormige mand van
bamboevlechtwerk, waarin de rijst in den stoom van een ketel „dandang”
genaamd, gaar wordt gestoomd.
[127] Kerri’s, sajoran’s, sambalan’s en atjaran’s. Kerri is eene soort
bouillon, waarvan de „koenier” (curcuma longa) het hoofdbestanddeel
uitmaakt. Sajor is de naam voor groenten. Tot toespijs wordt een soort
bouillon gekookt, sterk spaanschgepeperd, waarin vele groentesoorten.
Zoo’n groentesoep heet sajoran. Sambalan’s zijn ook alweer
saus-bereidingen, waarin de sambal of lombokh (spaansche peper) niet
vergeten is. Atjaran’s zijn zuren.
[128] Kerri ikan. Is eene kerri- of koenier-bouillon, van visch
gekookt.
[129] Piendang ajam en piendang klowek zijn lichte bouillons van kip of
gerookt vleesch gekookt, zonder groenten, maar met zeer veel spaansche
peper.
[130] Rawoen daging, sajor loddeh en sajor gado gado zijn verschillende
bouillons, naar hunne verschillende bestanddeelen genoemd.
[131] Sambal oelak, s. goreng oedang, s. telor, s. ikan mejrah, s.
peteh, s. badjak. S. oelak is eenvoudig spaansche peper met zout
fijngewreven. S. goreng oedang is sp. peper met garnalen gebraden. S.
telor is sp. peper met eieren toebereid. S. ikan mejrah is sp. peper
met makassaarsche roode vischjes. S. peteh is sp. peper met petehboonen
gebraden. De petehboon is de peulvrucht van eene groote accaciasoort,
die door de geleerden Parkia speciosa geheeten wordt. S. batjak
beteekent letterlijk vertaald: zeeroovers-sambal, van wege de scherpte,
die door het aanwenden van lombokh-rawiet of l. sejtan (Capsicum
baccatum) verkregen wordt.
[132] Atjar bawang, a. lombokh, a. tjampoer adoek beteekent: zuur met
uien of met sp. peper vervaardigd en gemengd zuur.
[133] Dendeng ragi, d. minjangan. Dendeng zijn dunne lapjes vleesch,
die, na met zout en met verscheidene kruiden ingewreven te zijn, in de
zon gedroogd worden. D. ragi is afkomstig van rundvleesch, d. minjangan
van hertenvleesch.
[134] Sasateh, besengeh en petjiel zijn kleine stukjes vleesch
gebraden, gepoft of geroosterd, de eerstgenoemde aan zeer dunne stokjes
geregen.
[135] Ajam goreng en a. pangang is gebraden en gepofte kip. De laatste
is een heerlijk gerecht, wanneer de kip voor het poffen behoorlijk met
kruiden ingewreven en met boter besmeerd is.
[136] Ikan goerami en i. bandeng assep. Ikan goerami is een heerlijke
zoetwatervisch door de ichtyologen Olphromeus olfax geheeten. De andere
behoort tot de Clupea en wordt Lutadeira Chanos genoemd. Assep
beteekent gerookt.
[137] Telor troeboek, kroepoek oedang. Telor troeboek is gezouten
vischkuit, afkomstig van eene groote staart-elft-soort, die in groote
menigte in de Brouwerstraat, een onderdeel van Straat Malakka, op de
oostkust van Sumatra gevangen wordt. Die elft heet Alausa macrusus.
Kroepoek oedang is een deeg van fijngewreven garnalen, dat, aan zeer
dunne koeken gesneden, zeer krap gebakken is.
[138] In dezelfde keuken klaargemaakt. De schrijver heeft het in 1859
bijgewoond, dat een geheel Boegineesche kompagnie soldaten te
Martapoera (Zuid en Ooster Afdeeling van Borneo) tot een begin van
verzet kwam, omdat zij een en dezelfde keuken moest deelen met eene
Europeesche kompagnie, aan welke laatste op gezette tijden spek
verstrekt werd. Inlandsche soldaten beweerden, dat hun eten
verontreinigd werd door de aanraking met het keukengereedschap, dat op
zijn beurt met het spek in aanraking was geweest.
[139] De opiumpacht rust op het land als eene ware vervloeking. Overal
ontmoet men haren stempel. Helaas ook bij de justitie. Zie het lijvige
werk Macht tegen recht door Mr. M. C. Piepers, 1ste deel, bladz. 81 der
aanteekeningen.
[140] Als ik mij wel herinner. Het is niet te verwonderen, dat een jong
koopman als Grenits de verslagen van de zittingen van den Raad van Ned.
Indië niet ongeschonden in het hoofd had. Het advies van dat
regeeringslichaam, waarop de jeugdige handelaar doelde, was in de
zitting van 21 Mei 1861 uitgebracht en luidde woordelijk:
„De opiumpacht heeft steeds als middel van inkomst de belangstelling
van de regeering dezer landen in hooge mate gaande gehouden, en ieder
middel, dat leiden kon om de jaarlijksche opbrengst van deze pacht op
te voeren, werd met gretigheid aangenomen. Zelfs de latere tijd getuigt
daarvan, want de in 1832 aangenomen en sedert gevolgde wijze van
opiumverpachting had ten doel om van dezen tak van inkomst meer
voordeel voor de schatkist te hebben, en het mag niet worden ontkend,
dat het gestadig toenemen van den opiumpachtschat voor de Regeering tot
dusverre geene onverschillige zaak is geweest.”
Hoort ge, Nederlanders? Ieder middel—ik cursiveerde die woorden—dat
leiden kon de jaarlijksche opbrengst van deze pacht op te voeren, werd
met gretigheid aangenomen. Ieder middel! Ook de meest onzedelijke! En
laat u nu niet misleiden, dat die volzin op het verledene, op 1871 zou
duiden. Telken jare wordt de opbrengst van de opium op de begrooting
door uwen Min. v. Kol. twee millioen hooger geraamd, wat aan een bevel
gelijk staat, om den opiumhartstocht al hooger en hooger op te zweepen.
[141] De rijke ervaring door mij op dit gebied gedaan, Nederlanders
minder dan ooit fantaiseerde ik hier. Ik laat hier Controleur Verstork
zijne ervaring uitkramen. Och, dat er zulke controleurs te vinden
waren! Maar, wiens waarheidlievendheid ik dan benuttigd heb?....
Eenvoudig die van een eerbiedwaardig evangelie-verkondiger, van een
man, die zijne waarheidsliefde niet ten offer brengt voor wereldsche
aangelegenheden, die zijn geweten niet verkoopt aan den fiscus. De
geheele volgende tirade, voorkomende op bladz. 290 en volgd., is
woordelijk overgenomen uit een stuk, getiteld: nog een woord over
opium, geschreven door den zendeling-leeraar P. Jansz, in het
Maart-nummer van de Indische Gids van 1882. Dat plagiaat zij mij door
dien waren Christen vergeven! Ik kon het niet van mij verkrijgen, zijn
opstel onbenut te laten. En de woorden, die hij bezigde, en de
toestanden, die hij schetste, waren zoo treffend, dat het mij
onmogelijk was, daaraan iets meer te veranderen, dan voor de
inlassching in mijne romantische schets noodig was.
[142] Kediri heeft eene bevolking van ruim 700,000 zielen. Zie Indische
Gids, 1882 het artikel: Eene stem uit Indië. Ik verheel dat plagiaat
niet. Integendeel, ik beijver mij die stem uit Indië in breeder kring
over te brengen.
[143] Nieuwsgierig als een neusaap. Neusapen behooren voornamelijk op
Borneo te huis. Het zijn roodharige apen, die ter gemelde plaats een
vrij langen en welgevormden neus bezitten, waarin echter geen neusbeen
aanwezig is. Dat klompje vleesch verleent die apen een koddig en
voornaam uiterlijk. Zij worden door de geleerden Symnopethicus nasicus
geheeten en zijn zeer nieuwsgierig van aard.
[144] Het zijn pilletjes. Zie deswege de Catalogus der afd. Ned.
Koloniën op de Intern. Koloniale en Uitvoer Tentoonstelling in 1883 in
Amsterdam, 3de groep op bladz. 5 van het aanhangsel, vermeldende de
voorwerpen van wege het Ned. Zendelinggenootschap ingezonden.
[145] De lezer bedenke, dat deze roman voor het optreden van Mr.
Keuchenius als minister van Koloniën geschreven werd. Ik heb de
overtuiging dat mits men dien Staatsman daartoe den tijd late, hij het
middel wel zal weten te vinden, den opiumramp krachtig tegen te gaan.
[146] Om aan de meest onzedelijke lusten te voldoen of hun haat te
koelen. Die geheele tirade, beginnende met de woorden: „dat de
opiumpacht is een Staat in den Staat” is getrokken uit het Indisch
Vaderland No. 168 van 1883. Lezers, gij ziet, ik beken gaarne plagiaat.
[147] Staatsblad No. 136 van 1876. Bij bedoeld Staatsblad is den
controleur van het Binnenlandsch Bestuur het opsporen van overtredingen
omtrent de wettelijke bepalingen betreffende de opiumpacht op Java en
Madoera opgedragen.
[148] Nontonnende. Nontonnen is eene Indische uitdrukking, waarmede te
verstaan gegeven wordt: buiten gade te slaan, te zien of te hooren, wat
binnen gebeurt. Geschiedt in Ned. Indië bij concerten, opera’s,
receptiën, enz. veel. Bij zulke gelegenheid is soms meer publiek buiten
dan binnen.
[149] Dat was bij den val van den minister Van Bloemen Waanders.
[150] Brengbreng is een metalen bekken, dat wanneer er op geslagen
wordt, een uiterst onaangenamen trillenden toon voortbrengt. Dit bekken
wordt bij oproepingen, maar vooral bij vendutiën gebruikt.
[151] Broeang beteekent in het maleisch: beer, de Ursus der zoölogen.
Bekin broeang, in de beteekenis, die in den tekst daaraan gegeven is,
zou gelijk staan of een Hollander tegen een Franschman van faire des
ours gewaagde.
[152] Crotons. De Adal adal wordt door de plantenkundigen: C. Tiglium,
de Kamilakkian: C. Corylifolius, de Camilla: Rothlera tinctoria of C.
Philippense, de wasdragende: C. Sebiferus genoemd.
[153] Tottokh is de benaming van de blanken, die niet in Ned.-Indië
geboren zijn.
[154] Aloon-aloon. Zie daaromtrent de aanteekening op bladz. 94 van het
eerste deel.
[155] Boepati is de Javaansche, eenigszins verouderde naam voor de
Inlandsche machthebbenden, die door de Nederlanders Regenten genoemd
worden.
[156] Inlandsch kind. Zoo worden gewoonlijk de afstammelingen genoemd
van een Europeeschen vader en eene inlandsche moeder.
[157] Toean lakkel zou hier moeten klinken: toean rakker. Rakker als de
Inlandsche verbastering van het woord rechter, waarvan de Chineezen
wegens de moeilijkheid, die zij ondervinden om de r uit te spreken,
lakkel maken.
[158] Dat geheele tooneel is geen fictie maar weer te vinden in de
brochure:
Iets over de tegenwoordige afhankelijkheid van de Nederlandsch-Indische
rechterlijke ambtenaren in de aanteekening op bladz. 75 van het 1ste
deel reeds aangehaald. De lezer zal zich daar kunnen overtuigen, hoe
stipt nauwkeurig ik in mijne beschrijving ben. Dat plagiaat erken ik
gaarne.
[159] Artikel 24 van het reglement voor de opiumpacht op Java en Madura
(Ordonnantie dd. 25 September 1874 Stbl. v. N.-I. No. 228) luidt als
volgt:
„De voor de aangehaalde en verbeurdverklaarde opium overeenkomstig art.
22 uit ’s lands kas uit te keeren gelden, zoomede de boeten, verbeurd
en voldaan ter zake van overtredingen van dit reglement, worden
onverwijld, nadat de veroordeeling kracht van gewijsde zaak heeft
bekomen, of nadat in de gevallen, bedoeld bij Art. 415 van het Inl.
regl. de boete vrijwillig is voldaan en verklaard is, dat in de
verbeurd verklaring wordt berust, verdeeld als volgt:
a) aan den aanbrenger of aanbrengers 3⁄7; b) aan den aanhaler of de
aanhalers 2⁄7; c) aan allen, die tot het ontdekken der overtreding en
het doen der aanhaling hebben medegewerkt 1⁄7; blijvende... enz.”
[160] Zie de aanteekening op blz. 27 hierachter.
[161] Een paal is gelijk aan 1506,96 Meter.
[162] De heer Meidema doelt hier op het besluit van 18 Sept. 1853 No 5
(Ind. Stbl. No 73) waarin bij Art. 1 1a B. bepaald is: dat de
aanbrengloonen nimmer kunnen genoten worden door hoofden van
gewestelijk en plaatselijk bestuur en hunne secretarissen, doch dat
hunne aandeelen in den buit, bijaldien een van deze ambtenaren als
aanhaler of aanbrenger mocht voorkomen, zullen worden gebracht ten bate
van den lande; en op het besluit 11 April 1874 No 14 (Ind. Stsbl. No
106) waarbij de vorenstaande bepaling toepasselijk is verklaard voor de
assistent-residenten voor de politie.
[163] Nan Hioeng is een Chineesche stad in de provincie Kwantoeng op 2½
graad nagenoeg ten noorden van Canton gelegen. Volgens de babah’s op
Java zijn de omstreken van die stad het zijde-district bij
uitnemendheid.
[164] Zie omtrent het geven van geschenken bladz. 463 en volgende van
de Jaarlijksche feesten en gebruiken van de Emoy-Chineezen door Dr. J.
M. de Groot.
[165] Sobat baai beteekent: goede vriend. Sobat is de verbastering van
het Arabische sjachbat = vriend.
[166] Art. 23 van het opium-reglement luidt:
„Alle overtredingen der bij dit reglement gemaakte bepalingen waarop
geen bizondere straffen zijn gesteld, worden gestraft met boete van een
duizend tot tienduizend gulden voor elke hoeveelheid van honderd katie
opium of daar beneden, waarmede de overtreding is gepleegd en een
honderd gulden voor elke katie meer en bovendien met gevangenis, de
eerste maal voor den tijd van een maand tot drie jaren en bij herhaling
voor den tijd van drie maanden tot vijf jaren.
„De gevangenisstraf in de vorige alinea bedoeld, wordt met opzicht tot
Inlanders en met hen gelijkgestelde personen vervangen door dwangarbeid
buiten den ketting van gelijke duur.”
Dwangarbeid staat gelijk met onze tuchthuisstraf.
Nederlanders, hoort gij het? Dwangarbeid voor een eenvoudige sluikerij!
Verbeeld u, dat iemand hier te lande voor eene eenvoudige
smokkelgeschiedenis van gedistilleerd tot tuchthuisstraf zou kunnen
veroordeeld worden. Verontwaardigd werpt gij die veronderstelling ver
van u. Ja, maar uwe lasthebbers daar ginds hebben reglementen volgens
welke de Inlanders voor eene eenvoudige opiumsmokkelarij tot
dwangarbeid veroordeeld kunnen worden. En ziet het Weekblad van het
recht maar eens nauwkeurig in, dan zult gij ervaren dat die straf ook
toegepast wordt.
Tot zulke vreeselijke anomaliën brengt de gevloekte opiumpacht!
[167] Zoo worden op Java rooftochten genoemd, die meestal
gewapenderhand uitgevoerd worden. Gewoonlijk worden zij des nachts
ondernomen, terwijl de deelnemers zich het gelaat meestal hebben zwart
gemaakt. Het ligt voor de hand, dat doodslag, plundering en
brandstichting daarbij niet zelden voorkomen.
[168] De landrente wordt op Java en Madoera met uitzondering van de
vorstenlanden Soerakarta en Djokjokarta, geheven van alle beplante
gronden, waarop zakelijke rechten worden uitgeoefend, en die niet
vallen onder de bepalingen omtrent de verponding. De inning daarvan is
opgedragen aan de dèsahoofden, die daarvoor 8% collecteloon genieten,
en aan Inlandsche beambten, ondercollecteurs bij de Inlandsche
inkomsten genaamd, wien hiervoor eene bezoldiging is toegelegd naar de
belangrijkheid van hunne perceptiën.
[169] Het recht tot den verkoop van opium in het klein wordt op
periodieke tijden door de Nederlandsche regeering aan de meestbiedenden
verpacht, terwijl de pachters, behalve dien bedongen pachtschat de
opium uit ’s lands pakhuizen moeten ontvangen tegen ƒ 30 het katie of ƒ
3000 per pikol. De opium kost het gouvernement alles en alles gerekend
slechts ƒ 13,87 per katie.
[170] Zie daaromtrent o. a. het voorloopig verslag van de commissie tot
onderzoek der ontwerpen van wet tot vaststelling der begrooting van
Ned. Indië voor 1886 in de afdeelingen der Tweede Kamer. (laatste
alinea § 3, te vinden op bladz. 4 van dat document).
[171] In Nederl. Indië bevinden zich in alle wachtkamers van de
militaire garnizoenen scherpe patronen, die in eene blikken trommel
opgeborgen zijn. Die trommel is evenwel verzegeld, en de kommandant der
wacht is voor den goeden staat der zegels verantwoordelijk. Natuurlijk
mag die trommel bij dreigend gevaar onder verantwoordelijkheid van dien
kommandant geopend worden.
[172] Het Besser-gebergte is een bergketen, die dwars door de
residentie Bagelen en meer bepaald door de afdeeling Ledok loopt, en
een verbindingsrug daarstelt tusschen het Midanganggebergte aan de eene
zijde en de vulkanen Soembieng en Sindoro aan de andere zijde. Het
punt, waar de weg over den nok van het Besser-gebergte voert, ligt op
1900 voet boven de oppervlakte der zee.
[173] Het Midangang-, Paras- en Boetakgebergte. Het Midanganggebergte
vormt de grens tusschen de residentiën Banjoemas en Bagelen. In zijn
hoogsten top bereikt het 3318 voet. Het Parasgebergte ligt in de
Afdeeling Keboemen. De hoogste top verheft zich op 1660 voet. Het
Boetak-gebergte ligt in de Afdeeling Karang Anjer en bereikt eene
hoogte van 1252 voet.
[174] Zie daaromtrent de aanteekening No. 2 op bladz. 140 van het 1e
deel.
[175] In Java’s binnenlanden zijn langs de groote wegen op bepaalde
afstanden Rijks postpaarden gestationneerd, die, wanneer de dienst
zulks toelaat, ook voor particulieren tegen betaling verkrijgbaar zijn.
[176] Een gardoe is een wachthuis. Op Java bestaan overal langs de
wegen dergelijke wachthuizen, die door dèsa-volk betrokken worden.
[177] Roepanja kasar dan hitam en bahoenja ketjoet. De in den tekst
bedoelde commissie van keuring en weging bij opiumsmokkel bestaat
gewoonlijk uit Chineezen, die van scheikunde in de verste verte geen
denkbeeld hebben, en dan ook slechts op gevoel, kleur en reuk afgaan,
om te constateeren of de aangehaalde opium al dan niet afkomstig is van
de Gouvernementskitten. Wanneer de lezer nu zal weten, dat de
opiumpachters in den regel de grootste opiumsmokkelaars en
opiumvervalschers zijn, dat de kithouders op hunne beurt een gild
vormen van nog erger allooi dan hunne bazen, dan kan hij zich een
denkbeeld maken, welke soort van rechtsbedeeling den Javanen gewordt.
Dat de lezer nu niet meene, dat ik hier fantaiseer of overdrijf. De
hierboven gebezigde Maleische uitdrukking is getrokken uit een
behoorlijk beëedigd proces-verbaal van zoogenaamde deskundigen. Hij,
die daaromtrent meer wil weten, zie het Ind. Weekblad van het Recht No.
863 van 1879, waarin een vonnis van den landraad te Djoana, praesident
Mr. J. H. Abedanon, dat te recht eene dergelijke keuring brandmerkte.
Maar tegenover ééne zoodanige behandeling van zaken, hoevele
veroordeelingen geschieden niet ter wille van de opiumpacht? De inzage
van No. 879 jaargang 1880 van hetzelfde Weekblad is ook
aanbevelenswaardig. Daarin komt een vonnis voor van den landraad te
Koedoes, en stelt de redactie daaronder: „Bovenstaand vonnis is wel in
staat om menigen politierechter te doen terugdenken aan de tallooze
veroordeelingen in dergelijke zaken, die hij op grond van een onderzoek
door deskundige Chineezen op de politierol heeft uitgesproken.”
’k Voeg aan het woord der redactie v. h. Weekbl. v. h. Recht dezen
uitroep toe: En aan de veroordeelingen tot DWANGARBEID, gelijkstaande
aan onze TUCHTHUISSTRAF! Nederlanders! hoort gij het!?
[178] Een straf van drie maanden ten arbeidstelling aan de publieke
werken voor den kost zonder loon, zijnde zij voor de eerste maal ter
zake in overtreding bevonden. Die straf is geheel en al overeenkomstig
de 6de alinea van art. 23 van het reglement voor de opiumpacht op Java
en Madoera, (Ordonn. 25 Sept. 1874 Stbl. No. 228) zooals zij gewijzigd
werd bij Ordonn. dd. 27 Aug. 1879 Stbl. No. 262.)
[179] De listige streken van de opiumjagers, om de beklaagden aan
overtreding schuldig te doen verklaren (bladz. 115). Die omtrent zulke
streken gesticht wil zijn, sla het Indisch Weekblad van het Recht op,
bij voorbeeld van 1878, 1879, 1882, Nos. 804, 843 en 966 en leze daar
ter plaatse de betrekkelijke vonnissen van de landraden te Japara,
Koedoes en Bodjonegoro. Hij leze ook de Indische dagbladen, b. v. de
Locomotief van 18 Jan. en 21 Febr. 1883, het Ind. Vaderland van 27
Jan., 7 en 17 Febr. en 24 Aug. 1883. En wanneer zulke vonnissen en
dergelijke feiten te constateeren zijn, dan moet de bekentenis afgelegd
worden, dat de Inlander ter wille van den opiumpachtschat met gebonden
handen en voeten aan eene vreeselijke bende is overgeleverd. Want, dat
men zich nogmaals afvrage: tegenover ééne vrijspraak, hoeveel
veroordeelingen door de politierechters? Tegenover één ontmaskerd feit
in de dagbladen, hoevele ergerlijke gebeurtenissen door de opiumbent in
het donker gepleegd?
[180] Opium ondergaat tot zuivering eene koking met water. Gewoonlijk
gaat die koking gepaard met eene vervalsching, die ten doel heeft een
veel grooter product aan tjandoe te verkrijgen dan bij het
opium-reglement bedoeld wordt. Dat nu dergelijke bewerkingen door niet
scheikundigen uitgevoerd, niet steeds identiek hetzelfde product
opleveren, ligt voor de hand en zal voornamelijk begrepen worden door
apothekers, bierbrouwers, zeepzieders, enz., menschen, die, met de
meest mogelijke kundigheden toegerust, niet altijd verhoeden kunnen,
dat hunne praeparaten verschillen met vroegere door hen vervaardigde.
Bovendien het Ind. Weekbl. v. h. Recht No. 955 van 1881 levert het
bewijs, dat zelfs reuk, smaak en gevoel voor de Chineesche deskundigen
volstrekt niet voldoende zijn om sluikopium van wettelijke te
onderscheiden. De landraad van Blitar, praeside Mr. M. Levie,
behandelde toch eene zaak, waarbij opium, onder de noodige waarborgen
bij den opiumpachter gekocht, door de Chineesche Commissie van keuring
verklaard werd voor clandestiene opium, omdat de opium van de pachters
was geuriger, donkerder van kleur en dikker van stof.
[181] Die uitspraak, wierp het Vaderland in zijn nummer van den 3den
December 1887 den Franschen naar het hoofd. Steeds de oude geschiedenis
van den balk en den splinter!
[182] De lezer vergete niet, dat de roman vóór 1886 speelt, dus den
heer Keuchenius niet geldt.
[183] Hadde de handeling van mijn roman in 1886 plaats gegrepen, dan
had ik niet de aanbieding van de roman van Ebers laten doen maar van de
oeconomisch critische en historische verhandeling van „de Opium in
Nederlandsch en in Britsch-Indië” door J. A. B. Wiselius. In zijn
voorwoord zegt die Ned. Indische Ambtenaar:
„Zonder als apologeet voor opiumgebruik op te treden, moeten wij met
den tijdgeest, die uitbreiding van dit consumptie-artikel in al de vijf
werelddeelen voorstaat, vrede sluiten.”
Hoe gerustgesteld moet zich het geweten van menig regeeringsman door
die verklaring gevoelen! Ik vind het dan ook een snoode ondankbaarheid,
dat den Hr. W. het VIRTUS NOBILITAT nog niet uitgereikt is.
[184] Ratoe Lårå Kidoel is een bovennatuurlijk wezen van het vrouwelijk
geslacht. De naam zou kunnen vertaald worden door: Koningin-Maagd van
het Zuiden.
[185] Mer-api beteekent letterlijk vertaald: vuurberg. Met dien naam
worden door de bevolking veelal nog werkende vulkanen aangeduid.
[186] Waaraan de natuur geene bizondere hinderpalen in den weg gelegd
heeft. De schrijver heeft te Meester Cornelis bijgewoond, dat de jonge
Javaansche vrouw van een Inlandsch militair, nog geen half uur na hare
verlossing, zich met haar kind c. ann. naar de rivier begaf, daar zich
zelve en haar kind reinigde, de ann. in een pot deed, die door haren
echtgenoot dadelijk begraven werd, waarna zij naar de kazerne
terugkeerde, een paar uren rust genoot met haar kind aan de borst, en
toen hare gewone werkzaamheden hervatte, alsof er niets gebeurd was,
terwijl een oude vrouw met de jonggeborene solde. Ik wil dat voorbeeld
nu niet als eene type geven, alsof alle Javaansche kraamvrouwen zoo
zouden handelen. Toch kan betuigd worden, dat de bevalling der
Inlandsche vrouwen in Indië lang zoo lastig niet is als van hare
Europeesche geslachtsgenooten.
[187] Obat mentellang. Obat beteekent medicijn. Mentellang is de Inl.
naam van eene windende halfheester, door den geleerden Clitorea
Ternatea genaamd en onder de Papilionaceeën gerangschikt. Aan den
wortel worden zekere eigenschappen toegeschreven, die hier niet nader
behoeven aangeduid te worden, daar die uit den tekst genoegzaam
duidelijk zullen zijn.
[188] Van de lange smalle bladeren van den kokosboom wordt een
vlechtwerk gemaakt, dat den vorm heeft van een vierkant zakje. Dat
zakje wordt gedeeltelijk met rijst gevuld en dan gekookt. Door de
koking zet de rijst uit, en vult het zakje geheel, dat nu den vorm van
een kussentje verkregen heeft. Zoo’n zakje met gekookte rijst wordt
katoepat genaamd, en is voor reizigers door eenzame streken schier
onontbeerlijk, daar die rijst, wanneer de katoepat goed gekookt is,
eene deegachtige massa oplevert, die niet gauw verzuurt of tot bederf
overgaat en met wat lombok en zout genuttigd, zeer smakelijk is.
[189] Dat, wanneer een pauw gezien of gehoord wordt, een tijger steeds
nabij is, heeft de schrijver meermalen door Javanen en ook door Eur.
liefhebbers van de jacht hooren verzekeren. Junghuhn vermeldt die
bizonderheid ook, en meent de oorzaak van dat samenzijn daarin te
vinden, dat de pauw op de uitwerpselen van den tijger zou azen.
[190] Kawat beteekent eigenlijk metaaldraad, waarvan kabar kawat =
telegram, pal kawat = telegraafpaal, bitjara kawat = telegrapheeren. De
telegraafpalen, die in Java’s binnenlanden gewoonlijk uit kapokboomen
(Eriodendron anfractuosum) bestaan, zijn op ongeveer 50 passen van
elkaar geplant, zoodat de afstand, hier aan Dalima opgegeven, op ± 1750
M. of 1⅙ paal geschat kan worden.
[191] Warong is een kraampje, waarin etenswaren, vooral rijst en
vruchten, verkocht worden. Zulke kraampjes worden in Java’s
binnenlanden langs druk begane wegen veelvuldig aangetroffen. De
koffie, welke daar geschonken wordt, is in den regel overheerlijk. Het
ligt in den aard der zaak, dat die warongs, waar de voorbijgangers zich
laven en te goed doen, de uitverkoren plaatsen zijn, waar de nieuwtjes
gewisseld worden; terwijl daarenboven de waronghoudster, wie niets
ontgaat, al de menschen uit de geheele buurt kent.
[192] Pisangblad. De pisang = musa paradisiaca, draagt lange en vrij
breede bladeren, die door den Inlander tot velerlei doeleinden, maar
vooral bij zijne maaltijden bij wijze van bord gebezigd worden.
[193] Sambal peteh. Zie daaromtrent de aanteekening No. 6 op bladz. 283
van het eerste deel.
[194] Nassi ketan. Is een kleverige soort rijst door de geleerde Oryza
glutinosa geheeten. Is met de in den tekst aangeduide toespijs eene
zeer gewilde lekkernij.
[195] Goela aren beteekent palmsuiker. Is een product van de Arenga
saccharifera.
[196] Ramboetan is de Nepheleum Lappaceum. Eene zeer smakelijke vrucht.
[197] Doerian is de Durio zebethinus. Insgelijks eene lekkere vrucht
maar met sterken geur.
[198] Tandoe is een draagtoestel van velerlei vorm. Soms van een licht
bamboeshuisje waarin twee personen zitten kunnen, meestal is het
evenwel slechts een zak als eene hangmat. Bij de eenvoudigste zijn twee
dragers benoodigd; bij zwaardere evenwel meer.
[199] De å klank heerscht op geheel midden- en Oost-Java in alle open
lettergrepen, die niet door andere met een gewijzigden klank of met een
sluitmedeklinker gevolgd worden. Bewesten de lijn die bij de Javazee
dicht bij de hoofdplaats Pekalongan begint en niet ver van Bagelen’s
hoofdplaats Poerworedjo bij de Indische zee eindigt, gaat die å klank
in de heldervolle a over.
[200] Ma is eene hartelijke uitdrukking, welke jonge meisjes tegenover
niet oude getrouwde vrouwen bezigen.
[201] Japara-meubelen: In de residentie Japara houden zich vele Javanen
onledig met het vervaardigen van meubelen, die wat smaak en soliditeit
betreft, het bewijs leveren, dat zij ook op dat gebied met beleid tot
degelijke werklieden gevormd kunnen worden.
[202] Hier wordt het zoo dichterlijke werk van Silvio Pellico bedoeld.
[203] Sirihspuw. Bij het kauwen van sirih,—die uit tabak, kalk en
stukjes pinangnoot en gambier bestaat, welke ingrediënten in een
sirihblad gewikkeld, en zoo tot eene pruim gevormd zijn,—wordt het
speeksel bruinrood. De pinangnoot is afkomstig van de Areca catechu, de
gambier of terra Japonica van de Acacia catechu en het sirihblad van de
Chavica bettle.
[204] Van Rheijn gaf hier bewijzen vlug benaderend uit het hoofd te
kunnen rekenen. Een mata is gelijk aan 0,000386 kilogr. Vijfentwintig
mata’s zijn dus = 0,00965 kilogr. De vergissing is dus niet groot.
[205] Zie omtrent dien geleerde de aanteekening No. 1 op bladz. 211 van
het eerste deel.
[206] Dat om 16.000 gulden te kunnen betalen, minstens voor drie malen
die som aan opium is verkocht moeten worden. Dat zal wellicht
overdreven voorkomen. Ik laat hieronder woordelijk eene rekening
volgen, die mij door een opiumambtenaar werd ter hand gesteld, en die
aan de officiëele bescheiden kan getoetst worden.
Op bladz. 154 van het Kol. Verslag over 1883 vindt men
aangeteekend, dat de opiumpachter van het perceel
Semarang aan pachtschat betaald heeft ƒ 1,260,000
dat aan hem gedurende dat jaar verstrekt zijn 23600
katies ruwe opium uit ’s rijks magazijnen ad. ƒ 30 het
katie 708,000
Nu heeft die pachter eene uitgave gehad, om van die
hoeveelheid ruwe opium te maken tjandoe en
madatpilletjes, gereed om gerookt te worden, ongeveer van 12,000
In het pachtperceel Semarang bestaan volgens Stbl. No.
229 van 1814, 52 opiumkitten, ((Bij Ord. dd. 7 Aug. 1883
Stbl. No. 197 werd het aantal kitten voor de volgende
jaren op 61 bepaald. Dus werd de toestand voor den
pachter nog ongunstiger.)) die gemiddeld eene uitgave
vereischen van ƒ 1000 ’s maands 624,000
=========
totaal uitgaven 2,604,000
Transport uitgaven 2,604,000
Volgens alle deskundigen, ook volgens art. 16 van de
Ordonn. van 25 Sept. 1874, Stbl. 228, levert het zuiveren
van ruwe opium 50% verlies op, zoodat van de uit de
rijksmagazijnen ontvangen 23600 katies ruwe opium slechts
11800 katies tjandoe verkregen werden.
Het aangehaalde Koloniale Verslag geeft aan, dat de
pachter zijn tjandoe verkocht heeft tegen ƒ 0,14 per mata
of tegen ƒ 224 per katie 2,643,200
=========
zoodat er eene netto winst gemaakt is van ƒ 39,200
Maar een opiumpachter in N.-I. is in weinige jaren millionair. De
bedoelde heeft minstens ƒ 10,000 ’s maands noodig om zijn huishouden te
voeren. Vraagt u nu eens af, hoe dat van nog geen ƒ 40,000 ’s jaars te
doen is.
De quaestie verandert evenwel, wanneer de
sluikhandel in het spel komt. Een der meest
bevoegde autoriteiten, de Directeur der Middelen
D. Castens, nam aan, dat de pachters bij de 1600
kisten opium, die hen van gouvernementswege
verstrekt worden, nog 800 kisten sluikten. Dat
is dus de helft. Nemen wij dat ook aan voor het
onderhavige geval, dan debiteerde de bedoelde
opiumpachter nog 11800 katies ruwe opium of 5900
katies tjandoe, tegen ƒ 0,14 de mata, en
verkreeg dus een ontvangst van 1,121,600
tegen eene uitgaaf van 11800 katies opium maal ƒ 13,87,
die hem de gesmokkelde opium maar kost 163,777;
waarbij te voegen om te zuiveren en te
prepareeren 6,000; 169,777
=========
zoodat er overblijft eene winst van ƒ 951,823
En die, gevoegd bij de winst behaald op het wettig verstrekte vergift,
toelaat eene aardige som ’s jaars, stuk te slaan, en na ommekomst van
een driejarigen pachttermijn als Chinees-millionair in de wereld rond
te kijken.
Men zal wellicht tegenwerpen, dat eene maandelijksche uitgaaf van
ƒ 1000 voor iedere opiumkit overdreven is. Toch niet. Iedere kit, zelfs
de kleinste, behoeft minstens twee Chineesche beambten: een weger en
een kassier, ettelijke hetaïren en ander ontuchtig gespuis, enz. Voegt
daar nu bij het legio van opiumbeambten, opiumjagers, opiumspionnen,
dat betaald en goed betaald moet worden, de ongelden die besteed moeten
worden tot omkooperij van Inlandsche en Europeesche ambtenaren, tot het
geven van tandakpartijen, tot het onderhoud der kitten, der wachthuizen
langs het strand en de wegen, enz. enz. enz., dan is de raming van
ƒ 1000 ’s maands per kit ver beneden het gemiddelde.
[207] De lezer zal zich herinneren, dat, toen de HH. v. Goltstein en v.
Lansberghe in 1881 den vrede op het papier decreteerden, de blokkade
opgeheven en de havens onzer vredelievende vijanden voor den handel
zijn opengesteld. Sedert is men daarop terug moeten komen.
[208] Een taël is het 1⁄16 van een katie of 0,0386 kilogr. De taël
heeft 100 mata’s.
[209] Wil de lezer weten, hoe de regeering zich beijvert de opium te
Atjeh te weren? Bij art. 1 van het reglement voor de pacht van het
recht tot invoer en verkoop van opium in Groot-Atjeh, vastgesteld bij
Ord. dd. 6 October 1884 Stbl. No. 168 is o. a. bepaald:
„De pachter is bevoegd te onderzoeken of en zoo ja, hoeveel opium een
vaartuig aan boord heeft, zoomede om een wacht aan boord te plaatsen,
om te waken tegen ongeoorloofde lossing van opium.”
Ik laat de mogelijkheid van het ontstaan van internationale geschillen
door dien maatregel buiten bespreking. Door die bepaling wordt evenwel
zeer zeker de opiumpachter gebaat; maar ’s lands kas?... Ik geloof
niet, dat er eene bepaling zou kunnen uitgedacht zijn, die beter eene
overstrooming van sluikopium in de hand zou kunnen werken en de
verstrekking van wettige opium tot een minimum zou kunnen brengen. In
verband hiermede leze men nog eens de aanteekening No. 1 op bladz. 47
van het eerste deel.
[210] Mata beteekent eigenlijk oog.
[211] De schrijver heeft in Indië een voorbeeld gezien van een volbloed
Europeaan, die zich aan het opiumschuiven had overgegeven. Het was
iemand van aanzienlijke afkomst, die evenwel misbruik van sterken drank
gemaakt had. Tengevolge van dat misbruik was hij impotent geworden en
had toen ter opwekking zijne toevlucht tot de opiumpijp genomen. Na
volslagen uitputting is hij uiterst ellendig gestorven.—Te Londen
bestaan reeds verscheidene kitten en neemt die hartstocht hand over
hand toe.
[212] Tahi madat. Zie daaromtrent de aanteekening No. 1 op bladz. 78
van het eerste deel.
[213] O, het is nog heerlijker dan.... Het restant van den volzin is te
vinden op den 20sten regel van bladz. 246 van deel XXXV van het
Natuurkundig Tijdschrift voor Nederlandsch-Indië. De openhartigheid,
die daar door den geleerden Russischen Schrijver betracht wordt, mag ik
mij als romanschrijver niet veroorloven. Ik vind hier aanleiding om
mede te deelen, dat ik in hoofdzaak de proefneming door den heer Von
Miclucho Maclay gevolgd heb. Ik heb haar echter verrijkt met ettelijke
waarnemingen, die ik gelegenheid had te doen, alsook met die, welke mij
door zeer geloofwaardige mannen medegedeeld werden. Ik heb het
manuscript eener beschrijving van zoo eene proefneming voor mij liggen,
die in afschuwelijkheid alles te boven gaat, wat te bedenken is.
Intusschen dien ik hier bij te voegen, dat niet dikwijls dergelijke
hoeveelheden opium, als bij die proef verbruikt werden, in eens
geschoven worden; hoewel te constateeren valt, dat er zijn, die veel
meer gebruiken. Oppenheim geeft aan, dat de meeste schuivers met een
grein beginnen, dus met iets minder dan twee mata’s, en het al heel
spoedig brengen tot drie drachma’s, dus tien mata’s. Verscheidene
Javaansche hoofden hebben mij bekend, dat er schuivers waren, die voor
vijf gulden in eene keer gebruikten. De gemiddelde prijs der mata is 14
cent, dat zou dus ruim 35 mata’s zijn. Von Miclucho Maclay had bij zijn
proef 107 grein of 18,4 mata’s gebruikt.
[214] Zelfs dames waren verschenen. Dit is ten opzichte der Ind. dames
een licentia poetica, die mijne pen ontsnapt is. Zelden of nooit worden
in Indië rechtsgedingen door schoonen bijgewoond. Zij laten dat
volgaarne aan hare zoo veel volmaaktere zusteren in de brandpunten der
beschaving, bijv. te Brussel bij het proces der gebroeders Peltzer, of
te ’s Hage bij het proces van Jeanne Lorette over. Vooral de
laatstbedoelden zien met diepe kleinachting op hare Indo-Europeesche
geslachtsgenooten neer. Zij hebben er wel redenen toe!
[215] Sedert de residenten en assistent-residenten als voorzitters van
de landraden door rechterlijke ambtenaren vervangen zijn. Zie
daaromtrent de aanteekening No 1. op bladz. 72 van het eerste deel. Dat
er menschen zijn, die de vroegere toestanden betreuren, laat zich
begrijpen.
[216] Vooral nu een Europeaan voor zoo’n Javaanschen ellendeling zal
pleiten. Gewoonlijk worden voor den landraad geen pleidooien gehouden.
Ziehier, wat Mr. Winckel in zijn Essai sur les principes rêgissant
l’administration de la justice aux Indes Orientales hollandaises op
bladz. 309 dienaangaande zegt: La procédure devant le C. d. P. (conseil
du pays) est assez semblable à celle en tout pays civilisé, sauf que le
M. P. (ministère public) assiste aux délibérations en chambre du
conseil, l’absence normale d’un défenseur et la manière de prèter
serment.
[217] Bij de aanstelling der Chineesche officieren. Hier mag niet aan
militaire aanstellingen gedacht worden. De Chineezen in N.-I. hebben
een soort van zelfbestuur—o, heel weinig, zeer weinig!—en worden hunne
hoofden door het Nederl. Ind. gouvernement aangesteld. Daarbij
verkrijgen zij evenwel militaire titels—niets meer—als van majoor,
kapitein en luitenant, welke titels ook nog titulair verleend kunnen
worden. Zoo bezat de Chineesche gemeente te Batavia in 1881 een
majoor-, vier kapiteins- en zes luitenants-effectief en een majoor-,
drie kapiteins- en tien luitenants-titulair.
[218] Die groote eed wordt ook bij zeer belangrijke civiele gedingen
gevergd. Zie daaromtrent Winckels Essai, hierboven in de aanteekening
No. 2 aangehaald op bladz. 149.
[219] Pen-ta-King letterlijk vertaald: tempel van de witte steenrots.
[220] Eene graphische voorstelling van het Cosmogenisch Eerste
beginsel. Die voorstelling is te vinden op bladz. 46 van de
Jaarlijksche Feesten en gebruiken van de Emoy Chineezen door Dr. J. J.
M. de Groot.
[221] Hijeng-Keng letterlijk: het aanbieden der offerande.
[222] Tao-peh-kong letterlijk: groote heeroom; is het beeld, dat in de
meeste Chineesche tempels en huizen op Java aangetroffen wordt.
Vertegenwoordigt de goden en het beginsel van het graan door de
kolonisten uit hun vaderland medegebracht.
[223] Kree’s. Een soort matwerk van gespleten bamboe of rottan, ter
afwering van het schelle daglicht.
[224] Het was een eigenaardige aanblik. De heeren Woodbury en Page,
photografen te Batavia hebben indertijd een fraaie photographie, zoo’n
landraadzitting voorstellende, in den handel gebracht. Waren de
onkosten niet te hoog, dan zou ik mijn werk met een copie daarvan
hebben verrijkt.
[225] Als type van de rechtbanken voor Inlanders op Java. Java, zonder
de eilanden Madoera, Bawean en Karimon Djawa, bezat in 1881 83
dergelijke landraden, waarvan 53 door rechterlijke ambtenaren
voorgezeten werden, dus 30 door niet-rechtsgeleerden. Aan dien toestand
is weinig veranderd, daar volgens de Regeerings-Almanak voor 1889 op
Java nog 28 landraden door niet-rechtsgeleerden gepresideerd worden.
[226] ’Mbok Dalima. Het is gewoonte op Java, dat de ouders bij de
geboorte van hun oudste kind diens naam aannemen met voorvoeging van
pak of ’mbok (vader of moeder.) Zoo beteekent Pak Ardjan: vader van
Ardjan, ’Mbok Dalima: moeder van Dalima. Er is iets liefs, nietwaar, in
die gewoonte?
[227] De djaksa vertolkte die vraag in het Javaansch. Ongeloofelijk
nietwaar? dat de rechterlijke ambtenaar, die het Openbaar Ministerie
waarneemt, voor tolk speelt. Ziehier, wat Mr. Winckel op bladz. 305 in
zijne hiervoren reeds aangehaalde Essai sur les principes schrijft: „A
l’encontre de toutes les ordonnances et de tous les règlements, le
ministère public sert d’interprête. Interrogé en Javanais par le
djaksa, le témoin et l’accusé répondent naturellement, comme ils ont
répondu a l’interrogatoire préable, fait par le même personnage. Voilà
le débat oral devenu inutile.”
[228] Zich aan de gewone visitatie hadden onderworpen. Zie daaromtrent
de aanteekening No. 1 op bladz. 192 van het eerste deel.
[229] Mijn pleidooi in het Maleisch voorgelezen. Dat zoo iets meer
gebeurt en ook noodzakelijk is, zal de lezer wel gevoelen. De meeste
jonge advocaten kennen geen Maleisch genoeg, om vooral in den beginne
van hunne loopbaan met die sierlijkheid en die overtuiging te kunnen
spreken, welke toch waarborgen van succes geven.
[230] De Goenoeng Poleng verheft zich op ongeveer 1500 meter boven de
oppervlakte der zee.
[231] Een „prororoca” is de Spaansche benaming voor een
natuurverschijnsel, dat zich bij vloed in de monding van snel
stroomende rivieren voordoet. Aanvankelijk is het, alsof de
zoetwaterstroom den vloed weerhoudt door te komen, ja, terugdringt,
totdat deze laatste in den strijd eindelijk de overhand verkrijgt en
dan binnen den tijd van een uur, soms binnen minder tijd, den
waterstand in zulk eene monding twaalf tot vijftien voet boven den
ebstand doet stijgen, waartoe op de omliggende kusten zes uren noodig
zijn. De meest merkwaardige „prororoca” wordt in de monding van de
Amazonen-rivier aangetroffen. Intusschen wordt het verschijnsel bij
springvloed ook op Sumatra’s Oostkust, en wel in de Kampar, de Rokan,
de Panei en Assahanrivieren waargenomen; ook in sommige rivieren op de
Zuidkust van Java.
[232] Nipah-bladeren zijn afkomstig van Nipa Fruticans. Deze is volgens
professor W. R. A. Suringar een zonderlinge dwergpalm met zeer korten
stam, en eene kroon van 13 tot 30 voet lange vederbladeren.
[233] Poeloepoe. Daaronder verstaat men den bamboehalm in de lengte
doorgespleten en platgeslagen. Zij vormt dan eene soort lenige plank.
[234] Loentas is een sierlijk struikgewas, door de geleerden Conyza
indica geheeten. Het leent zich bizonder tot het daarstellen van fraaie
heggen en heeft zeer welriekende bladeren.
[235] Nonna beteekent eigenlijk jonge juffrouw en wordt die naam steeds
aan meisjes gegeven van blank ras, hetzij volbloed of gemengd. Hier is
dat nonna evenwel in de beteekenis opgenomen van meisje van gemengd
ras. Het is eene nonna, wil zeggen: het is een dochter van ouders,
waarvan de een tot het Europeesche en de andere tot het Inlandsche ras
behoort. Nonna voor de vrouwelijke, sienjo voor de mannelijke telgen.
[236] Boreh is een geel kleurmiddel, afkomstig van de radix Curcuma
officinalis, hetwelk veelvuldig door Javaansche vrouwen gebruikt wordt,
om zich de huid bij feestelijke gelegenheden te verven. Hier werd het
door het Europeesche meisje gebruikt om de blankheid van hare tint te
verbergen, in zoo’n geval wordt het gewone boreh vermengd met poeder
van de Koenir poetih toma of Curcuma Zerumbet, welk mengsel eene fraaie
bruine kleur oplevert.
[237] Kain Poleng is gestreept goed, dat met vooraf geverfde garens
geweven en somwijlen met gouddraad doorweven wordt. Is dus een
tegenhanger van de „kain batik”, waarbij de figuren later op het witte
goed gebracht werden.
[238] Njoganni (roode verf) is afkomstig van de Caesalpinia sapan;
Mengkoedoe (bruine verf) wordt voornamelijk getrokken uit de bast van
de Morinda citrifolia; Koenier (gele verf) Curcuma longa.
[239] Aboe kesambi. Aboe beteekent asch. Kesambi is een boom, die door
de geleerden Schleichera trijaga geheeten wordt. Van die asch wordt
door de Javaansche ververs een loog vervaardigd, om overgangen der
tinten zacht, minder scherp te maken.
[240] Nonna hier in de beteekenis van meisjes van gemengd ras.
[241] De zonen van het hemelsche rijk geen kerkelijk huwelijk kennen.
Zie deswege bladz. 586 van de jaarlijksche feesten en gebruiken van de
Emoy-Chineezen, door Dr. J. J. M. de Groot.
[242] Má Tsów Pô kan vertaald worden door Voormoeder de Vrouw. Dat is
een wonderdoend wezen, dat door Keizer Thai Sioe van de Soeng dynastie
in de laatste helft der Xde eeuw tot godin verheven werd, onder den
titel van Onze Lieve Vrouw van Macht en Goedertierenheid. Dr. de Groot
vertelt omtrent die godin een aardige legende op bladz. 208 en volg.
van het hier in de onmiddellijk voorafgaande aanteekening aangehaald
werk. Má Tsów Pô is de beschermster van jonge huwelijken en staat als
godin der vruchtbaarheid in groot aanzien.
[243] Waaronder de bloote beenen en voeten uitsteken. Daarom worden zij
ook Lo-hân-kha of blootvoeters geheeten. Dat costuum is een stipt
vereischte.
[244] Mertjons zijn kleine cilindervormige kokertjes van dicht
ineengerold papier, die met kruit zijn geladen. In ieder kokertje zit
een lontje, dat met een lange algemeene lont is saamgevlochten. Een ris
mertjons bestaat gewoonlijk uit een paar honderd van die kokertjes. Zoo
een ris wordt gewoonlijk aan den deurstijl of het raam der
feestvierenden opgehangen en het benedeneinde van de lont aangestoken.
Het opklimmende vuur ontsteekt achtereenvolgens de lontjes der
kokertjes, die opvolgend uit elkander barsten, hetgeen een geluid
veroorzaakt, alsof een goed gevoed rottenvuur van degelijk gedrilde
soldaten vernomen wordt. Van afstand tot afstand worden soms grootere
en zwaardere mertjons ingevlochten, die dan ook een veel zwaarderen
slag geven, hetgeen voor het gehoor het zware geschut tusschen het
geknetter van het geweervuur laat vernemen.
[245] Rozenrood. Beter ware hier gezegd in fijn persikbloesemkleur
genuanceerd. De persikbloesem is het emblema van geluk bij de Chineezen
in den echtelijken staat.
[246] En gij geeft uwen zoon twee millioen ten huwelijk mede! Het zij
ons veroorloofd hier een entrefilet, dat voor ons ligt en uit een der
Indische dagbladen—waarschijnlijk uit de Locomotief—uitgeknipt is mede
te deelen: „Cijfers en feiten. Een paar weken geleden zonden „de Heer
en Mevrouw” Tan Thwan Tik en „de Heer en Mevrouw” Liem Liong Kien
communicatie rond omtrent het voorgenomen huwelijk van den broeder der
eerstgenoemden „den heer” Tan Thwan Soen, met de dochter der
laatstgenoemden, de bekoorlijke „Mejuffrouw” Liem Yang Nio, met de
mededeeling, dat de receptie zou plaats hebben ten huize van den WelEd.
Heer Liem Liong Kien te Semarang Gang Pinggir.
„Gister had de receptie plaats. De grootpapa van Mejuffrouw Liem Yang
Nio—ach! thans geen Mejuffrouw Liem Yang Nio meer!—de oude majoor
Chinees Beh Biauw Tjoan, heeft volgens de Chineesche kerk ƒ 14000
opgedokt voor de bruiloftskosten. En de bruigom brengt twee millioen,
volgens anderen vier millioen mee ten huwelijk.
„Ho Yam Lo, de tegenwoordige opiumpachter van Semarang, heeft in drie
jaren tijd, zegt men, drie millioen netto winst gemaakt. Men vraagt
natuurlijk niet hoe. Men vraagt ook niet in welk een poel van corruptie
en rechtsverkrachting wij hier rondbaggeren. Indien wij trachtten
daarop een antwoord te geven, zou het ons, bij gebrek aan wettig
bewijsmiddel, waarschijnlijk slecht vergaan.”
[247] Een krans van perzikbloemen en eenige snuisterijen, o. a. een
haan, van perzikhout gesneden, aan te bieden. De perzikboom is bij de
Chineezen het zinnebeeld van levenskracht en eeuwigheid. De
perzikbloesem is het zinnebeeld van vrouwelijke deugd. De perzik is een
schrikbeeld voor spoken en kwade geesten. De haan is het zinnebeeld der
zon en als zoodanig ook een afweerder van spoken en kwade invloeden.
Het aanbieden van een krans van perzikbloesem op Java moge
onwaarschijnlijk voorkomen, maar men verlieze niet uit het oog, dat de
perzikboom, de Amygdalus der geleerden, in het Tengersche gebergte
veelvuldig voorkomt en de vrucht op de passars van Java’s oostkust te
koop aangeboden wordt. Schrijver dezes heeft meermalen op de hellingen
van den Merbaboe en Merapi talrijke perzikboomen in vollen bloei en de
vruchten op den passar van Salatiga te koop aangeboden gezien.
[248] Kiemlo en bahmieh. Kiemlo is een eigenaardig machtig vette soep,
van varkensspek gekookt. Bahmieh is ook een vet kostje, maar waarbij
het varkensvleesch en spek in kleine dobbelsteentjes gesneden, te
midden van een hoop Taughi, peultjes, en andere ingrediënten en van een
hoop mieh, eene soort van Chineesche vermicelli voorkomt. Kiemlo en
bahmieh worden zelfs door Europeesche dames niet versmaad.
[249] Lim Ho links van Ngow Ming Nio. De linksche kant is bij de
Chineezen de eereplaats.
[250] Het huwelijk bewijnen. Zie omtrent die plechtigheid de reeds
vroeger aangehaalde Jaarlijksche feesten en gebruiken enz. van Dr. J.
J. M. de Groot op bladz. 68.
[251] De roode balletjes stellen den Jang, of het mannelijke beginsel
en de witte de Jin of het vrouwelijk beginsel der natuur voor. Volgens
de Chineesche cosmogonie is als eerste beginsel de natuur de Thaï Ki of
het Groote Opperste aangenomen. Uit dat Groote Opperste werd Jang en
Jin of het mannelijk en het vrouwelijk principe geboren, die de beide
regelaars der natuur genoemd worden. De Hemel, de vader van het Heelal
vertegenwoordigt dat mannelijke en de Aarde, die door hem met warmte en
regen wordt bevrucht, het vrouwelijke. Ook is de zon vereenzelvigd met
Jang en de maan met Jin; en warmte en koude, licht en duisternis, in
één woord, alle werkingen der natuur worden zooveel mogelijk tot die
twee principes teruggebracht. (Zie de Groot’s Feesten en gebruiken op
bladz. 45.)
[252] Het boek der liederen, dat lang, zeer lang geleden gedrukt werd.
Volgens Dr. J. J. M. de Groot dagteekent de ode, waarin de in den tekst
bedoelde woorden voorkomen, van uit de XIde eeuw vóór Christus.
[253] Offerstokjes. Dat zijn lange dunne staafjes, van een mengsel van
wierook en asch van sandelhout vervaardigd. Die welriekende staafjes
worden op dunne stokjes bevestigd.
[254] À l’ail. De Chineezen zijn groote liefhebbers van knoflook.
[255] Oreilles de rats. In het Maleisch „koeping tikoes” (rattenooren)
geheeten. Dat is een soort champignon, die den vorm van de ooren van
die knaagdieren hebben. Vandaar de meening bij sommigen, als zouden de
Chineezen rattenooren verorberen.
[256] Tripang is een zeedier, dat tot de stekelhuidigen behoort en dat
gedroogd en gerookt den Chineezen een zeer gewild gerecht oplevert. De
soort, die daartoe gewild is, wordt door de geleerden Holothuria edulis
genoemd. Zij wordt bij de Moluksche en Philipijnsche eilanden gevangen
en veelvuldig in den handel gebracht.
[257] Bier ajam beteekent kippenbier en duidt op het Haantjesbier van
de firma Rendorp, dat te recht eene gunstige vermaardheid in Indië
verworven heeft.
[258] Een recept van pilletjes om de opium te bestrijden. Zie des wege
bladz. 298–299 van het eerste deel en de gemaakte opmerking No. 2 aan
de voet van de eerst aangehaalde bladz.
[259] Dat document luidde. De twee volgende volzinnen in den tekst zijn
letterlijk overgenomen uit het Koloniaal verslag van 1884, bladz. 145.
De lezer kan daaruit zien, dat ook op letterkundig gebied de officiëele
litteratuur niet zielverheffend is.
[260] Het opiumgenot op goedkooper wijze te verschaffen. De volzin,
waarin die tusschenzin voorkomt en de onmiddellijk voorafgaande is te
vinden in het Koloniaal Verslag van 1885 op bladz. 158.
[261] Zij verwierf toch van den resident, wien de verpachting
opgedragen was. De opiumverpachting heeft niet altijd op de hoofdplaats
van het betrokken pachtperceel plaats. Art. 4 van de Voorwaarden,
waarop het recht tot den verkoop van opium in het klein op Java en
Madura zal worden verpacht (Ordonn. dd. 7 Aug. 1883, Stbl. No. 197),
luidt:
„De verpachting wordt gehouden:
„a) Voor de residentiën Bantam, Batavia en Krawang door den resident
van Batavia, ter hoofdplaats Batavia;
„b) Voor de residentiën Soerakarta, Djokdjokarta, Kedoe, Bagelen en
Banjoemas, door de respectieve residenten, ieder voor zooveel zijn
gewest betreft, ter hoofdplaats Semarang;
„c) voor de andere gewesten op hunne hoofdplaatsen, door de Hoofden van
Gewestelijk Bestuur.”
[262] Acht duiten zijn gelijk aan ƒ 0,0666. In de binnenlanden van Java
zijn nog vele duiten in omloop en in vele gevallen door de bevolking
meer gewild dan de centen.
[263] Eene nota van een hooggeplaatst ambtenaar, die uitermate bevoegd
was een oordeel te vellen en wien dat oordeel ook gevraagd was. Die
nota heeft de schrijver in afschrift bij het ternederstellen dezer
bladzijden voor zich liggen.
[264] Solus occasus, virgini Agathae pulcherrimae Bemmelensi dedicatus
beteekent: Een zonsondergang, opgedragen aan de zeer schoone jonkvrouw
Agatha van Bemmelen.
[265] Hemidiptera, diptera, hymenoptera, lepitoptera, coleoptera,
crustaceeën. Hemidiptera zijn halfvleugelige insecten met halve
schilden; diptera dubbelvleugelige insecten; hymenoptera
vliesvleugelige insecten; lepitoptera zijn stofvleugelige insecten als
de vlinders, de coleoptera zijn schildvleugelige als de kevers en de
torren; crustaceeën zijn schaaldieren als de krabben.
[266] De Goenoeng Djampong is in de residentie Banjoemas gelegen en
bereikt eene hoogte van 2580 voet.
[267] De Goenoeng Batoer met zijne voortzettingen, ook in de residentie
Banjoemas gelegen, is 1987 voet hoog.
[268] Waarvan sommigen zeer diep onder den grond uitloopen. De Goewah
Lengkong strekt zich b. v. over een afstand van 700 voet onder den
grond uit.
[269] En zoo iets behoort alweer tot de inkomsten van het Nederlandsche
Gouvernement. De afdeeling Karang Bollong levert jaarlijks 50 pikols
vogelnestjes op. De geheele inkomsten van dat middel is voor 1886
geraamd op ƒ 174.000.
[270] Tali doek. Tali beteekent touw. Doek, ook gemoetoe genaamd, zie
de aanteekening op bladz. 9 van het eerste deel. De rottansoort,
waarvan de touwen vervaardigd worden, die zoowel tot het samenstellen
der ladders en stellingen, waarvan in dit hoofdstuk gesproken wordt,
dienen, wordt door den geleerde Calamus rhomboideus genoemd, en heeft
halmen van vijftig tot zestig M. lengte, die eene dikte van ongeveer
twee duim middellijn hebben.
[271] In die holen, waarin de Oceaan zijne golven stuwt. In het Karang
Bollongsche bestaan slechts drie grotten, waarin de zee niet dringt,
dat zijn de Goewah’s Lenkong, Loe-ee en Tjangak.
[272] Ik heb eene opgave in handen gehad van een ambtenaar in deze
streken. Zie de Beschrijving van de Vogelnestklippen te Karang Bollong
door C. J. P. Carlier, assistent-resident te Ambal in het Tijdschrift
voor de Indische Taal-, Land- en Volkenkunde, uitgegeven door het
Bataviaasch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen, jaargang 1853,
bladz. 304.
[273] Njahi Ratoe Segårå Kidoel. Njahi is de titel van eene voorname
vrouw. Ratoe beteekent: vorstin, koningin. Segårå is zee, en Kidoel het
Zuiden. Dus eigenlijk: mevrouw de koningin van de zee in het Zuiden.
Dat wonderdoend wezen wordt ook Lårå Kidoel of Maagd van het Zuiden
genoemd. Zij wordt gewoonlijk afgebeeld als eene zeer schoone vrouw,
met de voeten staande op een overwonnen stier, met zeven armen, in de
handen waarvan zij verschillende voorwerpen houdt, waaronder een
zwaard, een pijl, een werpschijf, een boog, een schild, enz. Het is in
een woord Doerga, de gemalin van Siva uit den eeredienst van Brahma,
welke hier nog door de Javanen als Ratoe Lårå Kidoel vereerd wordt. Zie
ook de aanteekening No. 1 op bladz. 103 hiervoren.
[274] Kedawang schijnt een plaatselijke naam in het Karang Bollongsche
te zijn voor een gewicht, dat de zwaarte van een vierde duit heeft.
Eene niet al te afgesleten duit weegt drie milligram, zoodat een
kedawang ongeveer twee mata’s weegt. Men lette goed op die verhouding,
om te kunnen nagaan, hoe alles gedaan wordt om den opiumhartstocht op
te zweepen.
[275] In de nota, die ik voor mij heb liggen, staat letterlijk. Zie
bladz. 319 van het hiervoren aangehaalde boekdeel in de noot op bladz.
238.
[276] Eiland Noesa Kambangan is een pleonasme, daar het woord Noesa
eiland beteekent. Het pleonasme is evenwel geijkt; nog nooit hoorde ik
spreken van het eiland Kambangan. Het is een woest bergachtig eiland
met zeer steile oevers. In de zuidkust worden evenwel eenige kleine
inhammen aangetroffen, die een zandig strand opleveren. Het eiland ligt
tusschen 7°41′50″ en 7°46′30″ Zuiderbreedte en 109°40′24″ en 109°1′55″
Oosterlengte van Greenwich.
[277] Een ewah is een kleedingsstuk bij de Dajaks, bestaande uit een
strook linnen, soms ook wel van geklopte boombast vervaardigd, die het
middel omgeeft en om der eerbaarheidswille tusschen de beenen
doorgeslagen wordt.
[278] Driekleedsvlag. Wanneer de drie banen van een vlag ieder slechts
uit de breedte van het gebezigde vlaggedoek bestaan, wordt zoo’n vlag
een éénkleedsvlag genoemd. De banen van een driekleedsvlag hebben dus
drie breedten van het vlaggedoek en zijn natuurlijk ook evenredig
langer. Zoo’n groote vlag wordt alleen bij solemneele gelegenheden
gebruikt.
[279] Kjahi is een titel, Wångså een naam.
[280] Tangkap koepoe koepoe. Poeah! In den regel is de Inlander bang
voor kapellen. Zelfs zijn er vele blanke dames, op Java geboren, die de
fraaiste kapel voor niets ter wereld zouden willen aanraken. Velen
beweren, dat het stuifmeel der vleugels hevige jeukingen doet ontstaan;
anderen zijn overtuigd, dat daardoor melaatschheid (lepra) veroorzaakt
wordt.
[281] Wong spor. Lieden van het spoor. De spoorweg van Djokdjokarta
naar Tjifatjap was in aanleg.
[282] Oelor welang. Een der gevaarlijkste slangensoorten, die op Java
aangetroffen worden. Haar beet veroorzaakt binnen weinige uren den
dood.
[283] Adipattih is schier een vorstelijke titel.
[284] Gewone logeerkamers. Bij iedere aanzienlijke Europeesche woning
op Java behooren een paar blokken bijgebouwen, die onder meer ook de
logeerkamers bevatten. In een tropisch land is zulke inrichting wel
aanbevelenswaardig. Wanneer evenwel zeer hooge gasten ontvangen worden,
wordt dezen gewoonlijk huisvesting in het hoofdgebouw aangeboden.
[285] Iedere vrouw het gelaat moest afwenden. In zeer vele streken der
binnenlanden van Java is dat gebruik nog in zwang. Ontmoet daar een
Javaansche vrouw, soms beladen met een kind of met een gevulde mand in
haren slendang, een blanke, een van het overheersende ras, dan keert
zij den tegemoet tredende den rug toe, leunt met het hoofd tegen een
boom of een rotswand en laat hem zoo voorbijtrekken. Men zal moeten
bekennen, dat dit een rare hulde is. Maar ’s lands wijs, ’s land eer.
[286] Teboe-njamploong en Teboe-itam zijn variëteiten van de Saccharum
officinarum. De eerstgenoemde rietsoort heeft een lichtgele bast, de
teboe-itam eene zwartbruine. De laatstbedoelde wordt ook Cheribonsch
riet genoemd en munt uit door suikergehalte.
[287] Terwijl de wanden met kostbare schilderijen, echter allen van
wellustige, zelfs van pornografische strekking versierd waren.
Indertijd bevond zich op het terrein, waar thans de binnenhaven van
Tandjong Prioek gegraven is, zoo’n lusthuis te midden van een
klappertuin verscholen. Het heette een badhuis; maar waar de eigenaren
de viezigheden, die de wanden tooiden, vandaan gehaald hadden, weet de
hemel. Het waren evenwel allen Europeesche kunstproducten!
[288] Hoekoem madoe is eene verschrikkelijke doodstraf, die in enkele
gedeelten van den Archipel soms op zeer groote misdadigers toegepast
wordt. Zij bestaat daarin, dat men den veroordeelde, na hem geheel
ontkleed en aan een paal gebonden te hebben, de beenen en het onderlijf
met „madoe” (honing) besmeert. Het duurt alsdan niet lang, of die
lichaamsdeelen zijn met myriaden mieren overdekt, die uiterst belust op
het zoete goedje zijn. Maar behalve de honing, tasten zij ook de huid
en het vleesch van den patiënt aan, zoodat binnen een zestal uren de
beenderen blootgelegd, ja afgekloven mogen heeten. De lezer zal wel
gissen, welke ontzettende folteringen de martelaar ondergaat, alvorens
de dood hem uit zijn lijden verlost.
[289] Hoekoem Kamadoog. Zie daaromtrent de aanteekening bladz. 33 van
het eerste deel.
[290] Goewah Temon. Die vogelnestklip ligt aan de westzijde van den
Watoe Boetak, een uitlooper van den Goenoeng Poleng.
[291] De Tjimeringheuvel op het eiland Noesa Kembangan bevindt zich op
7°46′30″ Z. Breedte en 109°1′55″ O. Lengte van Greenwich. Op dien
heuvel—525 voet hoog—verheft zich een vuurtoren ter hoogte van 80 voet
met wit draailicht, dat op 6 D. G. Mijlen zichtbaar is.
[292] De lange ladder. De ladder van de Goewah Djoembling is 660 voet
lang, die van de Tenom-grot, waarop hier gedoeld wordt, verschilt
daarmede zeer weinig.
[293] Puella formosa beteekent: schoon meisje. Zooals de lezer wel
gissen zal, doelde hier de olijke Pool op het vinden van Anna van
Gulpendam.
[294] De Slamat is een nog steeds werkende vulkaan in Midden-Java op de
grenzen der residentiën Tegal en Banjoemas gelegen. Hij bereikt eene
hoogte van 10.385 voet.
[295] De gambang. Zie hieromtrent de noot op bladz. 98 van het eerste
deel.