„Anna!... Anna!...” had Van Nerekool geroepen.
In dien kreet had hij zijne geheele ziel gelegd. Maar, te vergeefs. Bij
de buiging van het pad waren de beide meisjes achter de rotsen
verdwenen. Toen Karel, Theodoor en Murowsky het punt bereikten, waar
zij de lieve gestalten voor het laatst gezien hadden, was er van haar
niets meer te bespeuren.
„Anna!... Anna!” herhaalde Van Nerekool zijn geroep.
Een heldere echo antwoordde als eene bespotting achter hem van den
kant, van waar zij kwamen.
Een oogenblik stonden alle drie stil, om adem te scheppen. Het pad
slingerde scherp omhoog, en bij de snelheid, waarmede zij zich
voortgespoed hadden, was het geen wonder, dat zij verademing noodig
hadden.
„Anna!... Anna!...” kreet Karel andermaal.
Niets dan de echo, die van den verkeerden kant, de beide lettergrepen:
Anna! Anna! scherp liet hooren.
Eindelijk ijlden zij weêr voort. Het pad slingerde steeds over de
ribben en wrongen, die van den nok van de bergmassa afdaalden, vermeed
hier een groote rots, week ginds voor een plotselinge kronkeling van
eene woeste bergbeek uit, overwon elders door zijn zigzag-wendingen
eene te scherpe helling, maar bleef steeds klimmen, en voerde blijkbaar
naar den nokrand, die het plateau van den Goenoeng Poleng omgaf. Soms,
ja veelvuldig zelfs, daalde het pad, om het ravijn tusschen twee
bergribben te overschrijden; maar dat dalen, wel verre van ontspanning
te verleenen, putte integendeel meer uit; want, afgescheiden dat
daarbij de knieën op die steile hellingvlakten schier ontwricht werden,
werd iedere afdaling door eene hoogere stijging gevolgd, die de longen
op eene geduchte proef stelde.
Maar.... voort! altijd voort! spoedden de drie vrienden. Het ongeduld
van Van Nerekool gedoogde geen talmen, geene vertraging. Alle drie
hijgden, snakten naar adem of bliezen als noordkapers; maar getroostten
zich die inspanning en ijlden voort. Naar hunne meening moesten zij de
beide meisjes inhalen. Aan een ontkomen kon niet gedacht worden, want
het eenige pad kronkelde door zoo’n woest terrein, dat een rechts of
links uitwijken tot de onmogelijkheden gerekend konde worden.
Intusschen van Anna en Dalima werd niets meer bespeurd, hoe de
vervolgers dan ook uitkeken, wanneer zij een hoogen ribnok bereikt
hadden, en soms een uitgestrekt gedeelte van het te volgen pad overzien
konden.
Eindelijk hadden zij het hoogste punt van den plateaurand bereikt, en
stonden een oogenblik uit te blazen van de geweldige inspanning. Maar,
hoe zij ook uitkeken, van de beide lieve meisjes was geen spoor te
ontdekken. Het pad, dat nu niet meer klom of daalde, slingerde tusschen
rotsblokken, heuveltoppen en boschjes van dwergachtig geboomte door, en
leverde geen uitgebreiden gezichtskring op.
„Zij kunnen ons niet ver voor zijn,” sprak Van Nerekool. „Kom, vooruit!
Vooruit!”
Toch vergiste de rechterlijke ambtenaar zich eenigermate. De meisjes
waren veel voor. Vooreerst hadden zij reeds een aanmerkelijken
voorsprong gehad, toen de vervolging begon. Dan hadden zij zich met
vluggen voet gerept op dat pad, hetwelk haar bekend was, en dat zij
gewoon waren te betreden. Zelfs hadden zij door die bekendheid
gelegenheid gevonden, hier en daar een bocht, een kronkeling af te
snijden. Eindelijk had de angst van ingehaald te worden, Anna vleugelen
verleend, en was Dalima genoodzaakt geweest haar te volgen. Toen zij
het plateau bereikt hadden, liepen zij recht voor zich uit in
zuidelijke richting. De zee kon niet ver meer af zijn. Het gedonder der
branding, die zich, zoolang de meisjes zich op de berghelling bevonden
hadden, als een verwijderd gerommel had laten vernemen, was thans
duidelijker waarneembaar. Ja, naarmate de meisjes volgens de ingeslagen
richting voortijlden, konden zij den grond soms voelen trillen onder de
machtige mokerslagen, die de oceaan aan de loodrechte rotswanden,
waartegen hij brak, toebracht.
„Waar loopen wij heen, Nana?” vroeg Dalima hijgend.
„Voort! voort!” riep Anna; terwijl zij schuchter achter zich keek.
„Maar, waarheen, Nana?”
„Naar ginds!” sprak het meisje beslist; terwijl zij met den vinger
zuidwaarts wees.
„Maar, daar is de zee!” kreet Dalima.
„Ja, daar moeten wij zijn!”
„Maar, wat wilt ge daar?”
„Daar weet ik een schuilplaats, waar ons niemand vinden zal.”
„Daar eene schuilplaats, Nana?”
„Ja, kom voort! Voort! Nog eene inspanning! Wij naderen!”
„Eene schuilplaats! Maar, gij hebt mij verteld, Nana,” hernam Dalima
voortstrompelend, echter met hijgenden adem, „dat daar niets was dan de
naakte rots?”
„Maar in die rots zijn holen?” sprak Anna gejaagd.
„In de Goewah’s!” kreet de baboe ontzet. „Wilt gij daarin uwe toevlucht
nemen?”
Anna antwoordde eenige woorden, die de baboe niet verstaan kon. Als een
hinde voortijlende, was de residentsdochter hare Javaansche gezellin
ietwat vooruit gekomen. Helaas, hoe sterk van gestel deze laatste ook
was, hoeveel goede wil haar ook bezielde, de toestand, waarin zij zich
bevond, deed zich gelden. De last, dien zij te torsen had, was dubbel,
en bij de inspanning, die zij had moeten aanwenden, was het geen
wonder, dat de krachten haar begonnen te begeven. Het bloed begon haar
naar het hoofd te stijgen, hare slapen klopten, hare ooren suisten,
hare oogen werden met een roodachtig waas overtogen, een ondragelijk
gevoel van loomheid en matheid overviel haar. Toch strompelde zij
voort. Met beide handen ondersteunde zij hare lendenen, die dreigden te
bezwijken. Hare ademhaling werd sissend, zij was eene onmacht nabij.
Maar hare geestkracht hield haar staande. Zij volgde hare gezellin,
terwijl zij prevelde:
„Madjoe! Madjoe!” (vooruit, vooruit).
Neen, zij zou Nana in dezen stond niet aan haar lot overlaten.
Zoo ging het nog een poos voort. Eindelijk bij het omslaan van een
rotsgevaarte, dat het pad scheen af te sluiten, stond Anna stil. Voor
haar breidde zich de Indische Oceaan, die zij van eene hoogte van 1200
voeten beheerschte, in zijne geheele onmetelijkheid uit. Angstig keek
zij achter zich. Het pad, dat zij gevolgd had, was van hier over eene
groote uitgestrektheid waarneembaar; maar daarop was hoegenaamd niets
te ontwaren. Zouden de drie mannen de vervolging opgegeven hebben? Of
zouden zij haar niet bespeurd hebben? Zij meende toch herhaaldelijk
haren naam te hebben hooren roepen. Dat kon evenwel eene uitwerking
harer angstige verbeelding geweest zijn. Nogmaals liet zij het oog
achterwaarts waren, en peilde den gezichteinder met scherpen blik.
Maar, niets! niets! Toen wijdde zij hare aandacht aan Dalima, die
hijgend en kreunend bij haar aangekomen was, en zich schier onmachtig
op den grond had laten vallen. Zij zette zich naast hare gezellin
neder, sprak haar moed toe, wreef en kneedde haar op Inlandsche wijze
de zenuwbundels van hoofd en hals, klopte haar in de handen, en liet
niet na, haar de meest teedere zorgen te wijden, dan toen zij Dalima
kalm zag. Toen dat doel bereikt was, keek zij nog eens angstig
achterwaarts; maar trad, toen zij niets bespeurde, vastbesloten vooruit
naar den rand der helling, die voor haar afdaalde naar beneden.
„Ja,” prevelde zij, „de ladder hangt er steeds. Ik heb veel van de
Goewah Temon [290] hooren verhalen. Daarin zal ik, als het moet, een
toevlucht zoeken.”
En andermaal noordwaarts kijkende.
„Maar ik hoop, dat ik dien schrikkelijken tocht niet zal behoeven te
ondernemen... Ik zie niets,” zei ze met een zucht. „Als Karel mij op
het spoor was, dan zou hij nu reeds op het plateau verschenen zijn.”
Toen keerde zij het gelaat naar den vollen Oceaan. Zij bleef steeds, al
verborg zij zich ook onder een Javaansch kleed, een kind van het
Westen, dat wil zeggen, dat zij een open oog had voor de heerlijkheden,
welke de natuur ter bewondering aanbood. Voor haar strekte zich de
Indische zee uit; daar ginds ver met de lucht samensmeltende, maar toch
een kring vormende, die de afscheidingslijn, waar lucht en water
elkander schenen te raken, scherp waarneembaar maakte. Iets dichter bij
nam de zee een donkerblauwe tint aan, die met het azuur des hemels een
eigenaardige schakeering vormde, welke te merkbaarder werd door de
groote deininggolven die van het Zuiden aangerold kwamen, en vaak de
verbeelding in de war brachten door de meening, dat zij als het ware
vloeibare heuvelenrijen waren, die zich van de kim losgescheurd hadden,
en nu met den spoed van een sneltrein naar den Java-wal losstormden.
Die deiningbaren waren glad en effen, want geen windje rimpelde hare
hellingen; zoodat men ze met de plooien zoude hebben kunnen vergelijken
van een horizontaal uitgespannen onmetelijk blauw doek, dat in golvende
beweging gebracht werd. De vlakken dier golven, welke regelmatig als de
gelederen van een defileerend leger aanrukten, waren naar de zijde van
den gezichteinder zwakhellend, als ware de oceaan te amechtig om zich
te verheffen. Maar naar den kant van den wal was die helling steil,
scherp, en rolde donker-, soms zwartblauw getint, en deed zich voor als
een onmetelijken muur, die naderbij rolde. Aanvankelijk was de top van
den deininggolf zacht afgerond; maar, hoe meer de baar den wal naderde,
des te meer steigerde die top op, des te scherper werd hij. De beide
hellingen naderden elkander al meer en meer. Eindelijk was het geene
ronding meer, die de beide vlakken verbond; het was een nok, later nog
slechts een scherpe kam, die, driest en wild de beweging van den voet
van den golf vooruitliep, daardoor al steiler werd, eindelijk begon
voorover te hellen, een cirkelboog, een onmetelijke krul vormde, nog
meer kromde, ten slotte als het ware scheurde, en zich met een breeden
sneeuwwitten rand, als met eene schitterend zilveren franje tooiende,
met donderend geweld nederplofte, waarbij hij de oppervlakte van den
oceaan in de onmiddellijke nabijheid in een verblindend witte melkzee
deed veranderen, welke schuimend, donderend, opstuivend en klotsend
tegen den rotswand kwam opstormen, die haar toeriep: tot hiertoe en
niet verder!
Anna vermeed daar in de diepte aan hare voeten, waar de watermassa in
woedende golven kookte en bruiste, te kijken. Zij vreesde haren moed te
voelen ontzinken, als het wichtige oogenblik mocht aanbreken. Zij keek
maar liever daar ver, zeer ver aan den horizon. Daar nagenoeg zuiver
ten Westen werd Noesa Kembangan ontwaard, dat fraaie, heuvelachtige
eiland, hetwelk zich met zijn weelderigen plantengroei op den afstand,
van waar het jonge meisje er naar tuurde, als een bloemenmand op de
watervlakte drijvende, vertoonde. Zij zag daar den vuurtoren, welke
zich op den Tjimering-heuvel [291] verhief, en door zijne witte kleur
zeer tegen de blauwe lucht afstak; zoodat hij zich als een smalle,
rechtstandige wolkenzuil vertoonde. Hier en daar was het oppervlak der
zee gespikkeld met blanke zeilen, die haar bevallig stoffeerden, alsof
groote, witte watervogels er op dartelden. En even of het toeval die
gelijkenis wilde bekrachtigen, kwam er een zwerm steltloopers voorbij
gevlogen, die als een mat-witten band op het azuur des hemels vormden
en krijschend naar het Westen vlogen, waarschijnlijk om de vischrijke
moerassen, die de Kinderzee omgeven, een bezoek te brengen. Die snelle
vlucht legde eene weemoedige gedachte in Anna’s hart.
„Ook ik wilde wel heênvliegen,” prevelde zij, „heênvliegen ver, zeer
ver!”
En onder den spoorslag van die opwelling wierp zij een blik op haar
vervlogen leven. Het beeld van Karel van Nerekool verscheen voor haren
geest. Als in een droom tooverde haar de phantasie voor, hoe gelukkig
zij aan de zijde van dien man had kunnen zijn. Zij herinnerde zich, de
„invitation à la valse,” bij welker heerlijke tonen zij, in zijne armen
gestrengeld, gezweefd had, en hem de bekentenis zijner liefde ontsnapt
was. Zij doorleefde in gedachten de heerlijke oogenblikken, die zij
daarna in den tuin van het residentiehuis genoten had. Zij zag het
Pandanboschje, waarachter Karel haar staande hield, om haar nogmaals
zijne liefde te belijden. En, bij het rythmisch gedonder van den
oceaan, die aan hare voeten zijne machtige melodieën deed hooren,
weerklonk in hare ooren, de vertolking van het fraaie duo, door picolo
en cornet à piston gebracht:
„Un jour l’âme ravie,
Je vous vis si jolie,
Que je vous crus sortie
Du céleste séjour.
Etait-ce donc un ange, une femme,
Qui venait d’embraser mon âme?
Las! Je ne sais encor... mais depuis ce beau jour,
Je sais que j’âime d’un pur amour!”
Zij voelde Karels armen hare leest omklemmen. Zij hoorde zijne stem:
„Anna, ik heb u lief, onmetelijk lief, anders lief dan ik mijne moeder,
mijne zuster, anders dan ik mijn eigen zou liefhebben!”
Wat heerlijke woorden! Wat goddelijke stond! En voortdroomende:
„Zeg, Anna,” fluisterde hij, „zeg, bemint gij mij, dierbare? O, ik weet
het, gij hebt mij daarop straks reeds antwoord gegeven; maar herhaal
dat „ja” hier, waar wij ons alleen en ver van het gewoel der wereld
bevinden, alleen onder het oog van God. O, herhaal dat woord, Anna, dat
mij zoo gelukkig maakt.”
Zij had goed onthouden, het lieve kind. Geen wonder, die woorden waren
in haar hart gegrift. En zij voelde den kus, die de bezegeling van haar
antwoord was. Zij voelde;... maar evenals te Santjoemeh was de
ontwaking uit den schoonen droom nabij. De stem harer moeder meende zij
nog te hooren. Verschrikt keek zij op. Zij wilde vl... Neen... dat
niet! Zij vloekte niemand; maar toch sloeg zij de oogen met een
verwijtenden blik ten hemel op, bij het besef van zooveel geluk, dat in
ramp verkeerd was. Het liefelijke droombeeld was reeds verdwenen.
„Een verwoest leven!” zuchtte zij.
Een plotselinge kreet deed haar ontzetten.
„Nana,” riep Dalima, „toean toean njang datang!” (de heeren komen).
En, inderdaad, Anna zag daar met schrik bij eene buiging van het pad
Murowsky, Van Nerekool en Grenits met groote haast naderbij treden.
Zonder zich te bedenken, liep zij de scherpe helling, die voor haar
naar de zee afdaalde, naar beneden.
„Nana! Nana!” riep Dalima in de grootste ontsteltenis uit. „Wat gaat
gij doen?”
Het arme Javaansche meisje poogde hare gezellin te volgen, maar
alvorens zij opgestaan was, was Anna haar reeds ver vooruit.
Daarenboven beladen en vermoeid, als zij was, kon zij haar onmogelijk
vlug genoeg volgen. Toen zij aan het uiteinde der helling gekomen was,
welke in een loodrechten rotswand eindigde, die steil in zee afdaalde,
kwam zij nog tijdig genoeg, om daar op een afstand Anna de bovenste
sporten eener rottanladder te zien grijpen, welke langs dien
natuurlijken muur naar beneden voerde.
„Nana!... Nana!...” kreet zij.
Zij stormde vooruit. Zij zag haar den voet op de ladder zetten;... zij
zag haar lichaam trede voor trede verdwijnen.
„Nana!... Nana!...”
Nu kon zij het hoofd nog slechts zien... Dat dook ook weg. Nu ontwaarde
zij slechts de handen, die de bovenste sport omklemden...
„Nana!... Nana!...”
Ook die handen lieten los;... eerst de eene... toen de andere... Juist
bukte Dalima zich, om die laatste hand te grijpen... Weg!... weg!
Toen wierp zich het Javaansche meisje voorover op den bodem, en bracht
het hoofd over den rand van den afgrond, die daar onder haar gaapte.
Helaas! wat zij daar zag was ijzingwekkend. Maar, zij had geen tijd, om
hare aandacht te wijden, aan wat daar beneden haar oog trof.
„Nana!... Nana!...” kreet zij nogmaals.
Maar, daar voelde zij zich bij den arm gegrepen. Zij keek op. Van
Nerekool stond naast haar.
„Gij, Dalima!” riep hij uit, niet begrijpende, wat er gebeurde. „Waar
is nonna Anna!”
„Allah! tobat, toean!” riep de baboe, steeds op den grond liggende, met
hartverscheurende stem uit, en wees met den vinger in de diepte.
„Daar, daar?” vroeg Karel ten hevigste ontsteld; terwijl hij zich op
zijne beurt op den grond wierp, om in de vervaarlijke diepte te turen.
Gelukkig, dat Grenits en Murowsky hem op den voet gevolgd waren. Bij de
gevaarlijke stelling, die hij innam, en bij het meer dan onvoorzichtig
voorover buigen van het bovenlijf over den rotsrand, was het noodig,
dat die twee hem bij de beenen grepen.
„Karel!... Karel!...” riepen zij ontzet.
„Anna!... Anna!...” kreet hij op hartverscheurenden toon.
Daar beneden zich zag hij het meisje langs de lange ladder [292]
behoedzaam naar beneden dalen. Van rottankabels vervaardigd, wiegelde
die ladder onder den last, dien zij droeg. Haar uiteinde raakte de zee,
en werd door de verbolgen branding heen en weer geslingerd. Kwam de
baar aanstuiven, dan werd dat uiteinde meegesleept, de grot in, waarin
het water met donderend geweld drong: liep zij terug, dan volgde dat
uiteinde de beweging, die de kracht eener cataract had, met zooveel
onstuimigheid spoot dan als het ware het water naar buiten. Bij dat
slingeren smakte Anna herhaalde malen tegen den rotswand, of hing zij
op aanmerkelijken afstand van dien muur boven de zee, die onder haar
woelde, kookte, zich in fijn verdeeld waterstof sloeg, en naar het
meisje opspatte als naar eene wisse prooi.
Afgrijzen, ontzetting bevingen Van Nerekool bij dat schouwspel.
„Anna!... Anna!...” kreet hij andermaal.
Dezen keer scheen zij gehoord te hebben. Schuchter keek zij omhoog. Zij
was reeds twee derde der ladder afgedaald. Toen zij dat hoofd, hetwelk
zij dadelijk herkende, zich daar boven haar tegen de heldere, blauwe
lucht zag afteekenen, stiet zij een gil uit, en haastte zich verder
naar beneden.
Van Nerekool sprong op.
„Ik moet naar beneden,” sprak hij gejaagd.
En, voor dat zijne vrienden zich tegen dat voornemen hadden kunnen
verzetten, had hij de topeinden der ladder gegrepen, het been over den
afgrond uitgestrekt, en op een der eerste sporten geplaatst, en begon
hij de schrikkelijke afdaling. Het was thans de beurt van Grenits en
Murowsky, om zich op den grond te werpen, ten einde gade te slaan, wat
daar beneden hen gebeurde.
Het was een ontzettend schouwspel, die twee wezens daar op die
beweeglijke ladder boven die woedende branding te zien bengelen. Beiden
gevoelden zich benauwd, schier ademloos, en bovenal rampzalig
ongelukkig, daar zij in den uitersten nood geene hulp vermochten aan te
brengen.
Toen Anna bemerkte, dat Van Nerekool haar volgde, gaf zij onbewust
gehoor aan den aandrang, die haar bezielde, om te vluchten, en daalde
nog sneller naar beneden. Evenwel begon eene andere gedachte haar bezig
te houden. Veel had zij de bewoners van de dèsa Ajo over de Goewah
Temon hooren vertellen. Zij wist, dat bij eb de ingang van die grot,
welke met de oppervlakte der zee gelijk was, te bereiken en daar in te
dringen was. Zij wist ook, dat het indringen slechts zwemmende kon
geschieden, daar de zool der schacht ter hoogte van zes voeten onder
water was. Daarvoor was zij evenwel niet teruggedeinsd; want zij zwom
als eene meeuw. Maar... maar... dat was bij eb. Bij eb!... Ja, bij
eb... wanneer de zee kalm is en de branding ver van de voet der rotsen
verwijderd blijft... En thans... thans beukten de golven tegen de
rotswanden, de deining brak tegen hun voet.... Het was haar
daarenboven, alsof iedere vloedgolf hooger steeg... En zij daalde
steeds... daalde... daalde nog meer.
„Anna!... Anna!” kreet Karel boven haar.
Eindelijk had zij het gewelf van de grot bereikt. Zij wist, dat die
ingang bij lagen waterstand vijftig voet hoog was. Wat kwam haar die
poortopening nu klein voor! O, een groot gedeelte was onder de
wateroppervlakte bedolven. Zij meende de rottanstellingen te kunnen
bereiken, die van den ingang langs de wanden der grot naar haar
binnenste aangebracht waren, om de vogelnestplukkers bij hunne
inzameling ten dienst te zijn... Zij stak reeds de hand uit, om die
kabels te grijpen... Daar krulde een onmetelijk hooge baar aan hare
voeten, brak met donderend geweld, en schudde het ondereind der ladder,
die zonder steun voor de opening der grot slingerde, met zoo’n kracht,
dat het arme meisje, ten hoogste ontsteld, het bewustzijn verloor, de
handen losliet en in de diepte neerstortte.
„Een verwoest leven!” kreet zij nog in haren val.
Van Nerekool zag haar een oogenblik in het midden van die kokende
branding drijven. Vol afgrijzen zag hij haar in dat witte schuim als in
een lijkwa rollen en wentelen. Een ondeelbare seconde zag hij haren
donkeren haardos in rijke lokken op dien helderen grond golven; toen
werd zij door de opdringende zee de grot ingesleurd, en was zij voor
zijn blik verdwenen. In zijn oog was zij verloren, onherroepelijk
verloren. Hij bengelde daar boven den afgrond, die het dierbaarste
wezen verzwolgen had en wist niet wat te doen. Hij zag de baar tot rust
komen, hij zag haar naar zee terugijlen, hij zag het water met
grootsche kracht de grot uitstroomen; maar... in de helderblauwe kolom,
die daar als het ware voortspoot, werd hij niets gewaar, dat op een
lijk of op een drenkeling geleek. Hij begreep, dat Anna in de grot
gebleven was; hetzij zij zich had weten te grijpen, hetzij zij met hare
kleeding ergens aan was blijven haken. Snel daalde hij. Hij moest van
het oogenblik gebruik maken. Hij moest, voor dat een nieuwe baar
aanrolde, het bovengewelf bereikt hebben. Met koortsachtige haast greep
hij de sporten. Hij gebruikte zijne voeten niet; neen, hij gleed
veeleer naar beneden, en.... daar greep hij een der rottankabels der
stelling, en had zijn voet de ladder verlaten, toen deze andermaal
geweldig geschud, en voor den ingang heftig heen en weder geslingerd
werd.
Hij was nu betrekkelijk in veiligheid. Twee zeer dikke kabels strekten
zich op evenwijdigen afstand van elkander langs den wand naar het
binnenste der grot uit. Van afstand tot afstand waren zij met
gemoetoe-touw aan uitstekende rotspunten bevestigd. Op den eenen kon
hij de voeten zetten, en zich aan den anderen met de handen.
vastklemmen. Onder hem kookte de zee, boven hem en rondom hem
fladderden de „lawets” (zeezwaluwen) met schellen kreet, en vlogen door
het opspattende zeeschuim en het fijn verdeelde waterstof de grot in en
uit, verschrikt als zij waren, over het verschijnen van dat menschelijk
wezen, hetwelk niet anders kon, volgens hen, dan een aanslag komen doen
op hunne nesten.
Grenits en Murowsky hadden het vallen van Anna en het verdwijnen van
Karel in de grot met de grootste ontsteltenis waargenomen.
„Wat nu?” riep de een.
„Wij kunnen hierboven niets doen!” riep de andere.
Dalima smeekte om mededeeling van hetgeen zij gezien hadden. Toen zij
dat vernomen had, riep zij:
„Dan snel naar den loerah van de dèsa Ajo, die heeft eene djoekoeng,
waarmede hij wel eens de Goewah’s bezoekt!”
En het moedige Javaansche meisje vergat haren toestand, vergat
vermoeidheid, en ijlde reeds het pad, gevolgd door de beide Europeanen,
af.
En ziet, ja, zij vonden de djoekoeng, waarvan Dalima gesproken had.
De loerah zette een bedenkelijk gezicht, toen hij den wensch der twee
blanken vernam. Hij wees hoofdschuddend naar de monding der kali
Djeties. En, inderdaad, daar worstelde het afstroomende rivierwater met
den opkomenden vloed, en deed de aanrollende deininggolven in woeste
brekers opstuiven. Het hart der twee vrienden gevoelde zich op dat
gezicht als in eene klemschroef besloten. Zouden zij het moeten
opgeven, en Van Nerekool aan zijn lot overlaten?
„Vijftig gulden, loerah,” zei Theodoor Grenits, „wanneer gij ons in de
grot brengt!”
De Javaan krabde zich met een eigendommelijk gebaar in den hoofddoek
achter het oor.
„En ik voeg er vijftig bij,” vulde Murowsky aan.
Het gekrab werd verdubbeld. De Javaan was besluiteloos. Hij wisselde
angstvallig eenige woorden met een paar mannen van zijn gevolg. Deze
schenen niet zoo zwaartillend. Zij antwoordden met een gebaar van
geruststelling en sprongen in de djoekoeng, waarin de beide Europeanen
hen volgden.
„Ieder uwer vijf en twintig gulden, als wij het doel bereiken,” sprak
Grenits aanmoedigend tot hen.
„En ik doe er evenveel bij,” sprak de Pool. „En nu flink de „dajoengs”
(pagaaien) gerept!”
De loerah had plaats aan den achtersteven van het ranke vaartuig
genomen, en voerde den stuurpagaai. Ook de beide Europeanen en zelfs
Dalima hadden zich van een pagaai voorzien en hielpen naar vermogen om
te roeien. De djoekoeng schoot onder den aandrang van die zes
schepbladen snel vooruit.
Aanvankelijk, zoolang het vaartuig in de baai was, ging alles goed. De
loerah stuurde naar het midden van den ingang der Moeara, om de
wielingen en terugstroomingen des waters door den gekartelden,
rotsachtigen oever teweeggebracht, te mijden. Met den stroomdraad der
rivier meegaande, schoot de djoekoeng als een pijl aan de boogpees
ontsnapt, vooruit. Maar, zoo meer zij de monding naderde, zoo meer liet
zich de aandrang van den oceaan gevoelen. De stroomsnelheid der rivier
vertraagde toch langzamerhand, vertraagde nog meer, totdat zij
eindelijk schier niet meer merkbaar was. Daarentegen begon nu de
oppervlakte van het water in beweging te komen. Reeds kabbelden golfjes
tegen den voorsteven, alsof zij dien lekten; die golfjes namen in
omvang toe, zij sloegen langs de boorden en begonnen aan het vaartuig
eene stampende beweging te geven. Men was de zone der brekers nabij. De
djoekoeng schoot immer vooruit; zij bevond zich reeds te midden van de
melkzee, door de branding veroorzaakt, te midden der kokende
opborrelingen, door een zoo even neergeploften deininggolf veroorzaakt.
Zij scheen op schuim te dansen.
De loerah zat met saamgeknepen lippen en met scherpziend oog vooruit te
turen, en hield zijn stuurpagaai onwrikbaar vast, hoezeer de golven er
tegen beukten, hoezeer de wielingen hem in zijne hand poogden te
verwrikken. Hij tuurde uit. Zou hij kunnen laten vooruitschieten? Toen
de eerst nabijzijnde baar brak, was de uitgeholde boomstam nog op een
zekeren afstand er van verwijderd. Zou hij de ruimte tusschen die en de
daaropvolgende kunnen doorstevenen, alvorens die tweede brak? Neen,
meende hij, dat ging niet. Hij keek uit, daar kwam de baar nader. Als
eene onmetelijke plooi kwam zij aangerold. Voor hen, die in de
djoekoeng zaten, had zij het voorkomen van een berg. Zij ijlde het
vaartuig te gemoet, dat op zijne beurt onder den druk der vijf pagaaien
steeds krachtig vooruitstevende. De baar naderde, zij steigerde reeds,
als het ware; loodrecht verhief zij zich voor den notedop, die onzinnig
genoeg scheen, haar te willen trotseeren; reeds kuifde zij zich met een
schitterenden zilverrand, en scheen een aanrollenden blauwen muur te
zijn, die, blinkend gepolijst, onder de zonnestralen schitterde.
„Brenti!” (ophouden) beval plotseling de loerah, die de gedaante der
baar en haren afstand zorgvuldig gadesloeg.
De dajoengs staakten hunnen voortstuwenden arbeid, en had de djoekoeng
spoedig hare voortgaande beweging verloren. Daarop was het, alsof zij
zonder eenigen aandrang vooruitging de baar te gemoet. Het was of zij
opgezogen zoude worden in de krul, die zich vormen ging.
„Moendoer! Moendoer!” (achteruit!) schreeuwde de loerah; terwijl hij
zelf zijn werktuig te water sloeg.
Gelukkig, dat het ranke notedopje aan dien aandrang dadelijk
gehoorzaamde en achteruitstoof; want, daar helde de baar in een
onmetelijken boog voorover. Een oogenblik, slechts, een ondeelbare
seconde gunde zij aan de opvarenden der djoekoeng, die haar zoo nabij
gadesloegen, een blik in de uitholling, welke zij daarstelde, en
waardoor zij zich als een overgrooten in vorming zijnde cilinder
voordeed, wiens wanden gedeeltelijk uit zachtblauw doorschijnend
kristal zouden bestaan. Maar nog meer krulde de baartop voorover,
vormde ongeveer drie vierde van een cirkelomtrek, en plofte toen met
donderend geweld op slechts weinige passen van het vaartuigje uiteen,
en overtoog het geheele oppervlak der zee in de nabijheid met blinkend
wit schuim.
„Madjoe! Madjoe!” (vooruit) schreeuwde de loerah.
En daar schoot de djoekoeng, door krachtige armen voortgestuwd, over de
wielingen, de kolken, de schuimmassa’s, die haar omringden. O, zij
moest zich reppen. Zij moest die streek voorbij zijn, alvorens de
achteraan rollende golf haar bereikt zoude hebben, zij moest in volle
zee zijn, alvorens die dezelfde branding onderging. Met kracht sloegen
de dajoengs te water, en trillend schoot het vaartuig vooruit. Nog een
poos, nog eene inspanning.... Daar verhief zich de steven....
„Madjoe! Madjoe!” moedigde de loerah aan; terwijl hij zelf zijne
inspanningen verdubbelde.
Het vaartuig, stevig voortgestuwd, steeg tegen de helling der baar op,
die nog niet steil opgesteigerd was, verscheen een oogenblik op de
kruin van den waterheuvel, alsof hare beide uiteinden in de lucht
zweefden, en zij slechts in het middengedeelte ondersteund werd, schoot
de andere helling vlug af, en.... was nu buiten gevaar.
Ras stuurde de loerah zuidoostwaarts. Er was evenwel tijd noodig om den
ingang van de Goewah Temon te bereiken. Toen men dan ook ter harer
hoogte kwam, was de eb reeds ingetreden en had de stuurman slechts
eenige voorzichtigheid te betrachten, om die grot binnen te loopen.
Wat vond inmiddels daar binnen plaats?
Toen Van Nerekool op de stelling aangeland was, schreed hij in het
halfduister, dat in de spelonk heerschte, behoedzaam voorwaarts. Hij
bespeurde, dat dit onderaardsche gewelf zich zeer ver onder den berg
uitstrekte; maar hij bemerkte ook, dat de zool der grot onmerkbaar
klom, zoodat de zee, behoudens in eenige nevenholen, in de hoofdgrot
slechts een paar honderd voet naar binnen drong. Maar in dat gedeelte
heerschte zij dan ook in deze oogenblikken met oppermachtigen scepter.
Aanvankelijk bespeurde hij niets van hetgeen hij zocht. Hij keek scherp
uit, terwijl hij zijn koorddansers kunststuk volbracht, en de grot al
dieper en dieper indrong. Eindelijk, daar bij een groot trachietblok,
waartegen het water heftig bruischte en dwarrelde, meende hij iets te
ontwaren. Van de uitstekende gedeelten van de ruwe rotsmassa, liet hij
zich behendig naar beneden zakken, en was gelukkig genoeg de
bovenvlakte van die trachietmassa te bereiken. Ook deze verleende hem
steunpunten genoeg, om naar de wateroppervlakte af te dalen en daar
vond hij Anna geheel bewusteloos, die zich in haren doodsangst aan de
brokstukken van het reddende blok geklemd had. Het benedengedeelte van
haar lichaam lag in het water; het hoofd rustte op haren arm, die een
vooruitstekenden rotsbrok omgaf. Snel omvatte Karel haar middel, en
tilde haar tegen het trachietblok op. Hij moest zich haasten; want het
was niet te ontkennen, de vloed liep al hooger en hooger, en onmogelijk
was het niet, dat het rampzalige, bewustelooze meisje medegevoerd werd.
Na eene geweldige inspanning gelukte het hem, haar op het bovenvlak van
de rots te tillen en nam hij daar naast haar plaats. Hij ontdeed zich
van zijn jasje en spreidde dat op den steen uit, om haar de zitplaats
zooveel mogelijk zachter te maken. Haar hoofdje rustte op zijnen
schoot, en in die houding liet hij haar stil rusten. Met zijn zakdoek
wischte hij haar het zeewater van het bleeke gelaat en spreidde hare
weelderige lokken over zijne knieën uit, om die te doen drogen. Een
enkele blik had hem de overtuiging geschonken, dat de vloed nimmer het
bovenvlak van het trachietblok bereikt had, en dat zij derhalve daar
veilig zaten. Hij begreep dat, zoolang de eb niet ingetreden was, er
aan geen terugtocht te denken viel, daarvoor was het geweld van de
deininggolven dier onmetelijke wereldzee te groot. Met laag water zou
het mogelijk zijn de ladder, die nog steeds voor de opening der grot
heftig heen en weder geslingerd werd, te bereiken. Anna zou tegen dien
tijd wel tot bewustzijn teruggekeerd zijn; zij zou dan kunnen zwemmen
tot bij de opening en eenmaal op de ladder...
„Komt tijd, komt raad!” prevelde hij binnensmonds, terwijl hij het
aangebeden meisje, dat daar op zijne knieën lag, met teederheid
beschouwde. „Daarenboven Grenits en Murowsky zullen wel geene pogingen
onbeproefd laten om ons te hulp te komen.”
Het was eene kritieke tijdruimte, welke de rechterlijke ambtenaar
doorleefde.
Daar voor hem lag het wezen uitgestrekt, dat hem het dierbaarst op
aarde was, dat hij liefhad, dat hij hartstochtelijk aanbad; het wezen,
dat hem zijn slaap ontroofde, welks beeld hem immer en overal voor
oogen zweefde, naar welks bezit hij haakte met al den gloed van zijne
geaardheid, die ongekunsteld maar onbedorven onder den weerstand, die
zijne liefde ontmoet had, in lichten laaie was opgegaan. Anna in hare
Javaansche kleeding was slechts gedekt door sarong en kabaja. De
slendang, die haar hoofdje bedekt had, was zij bij het afdalen der
ladder kwijt geraakt. Die zeer eenvoudige kleeding daarenboven, vooral
de kabaja, van uiterst lichte stof vervaardigd, was kletsnat, en
modelleerde derhalve haren hals, haren boezem, hare schouders, hare
lendenen, hare heupen en dijen zoo plastisch, dat zij schier geen
bedekking mocht heeten, en rustte het meisje onbewust, in hare volle
bekoorlijkheid, uitdagend schoon, op den schoot van hem, die haar
aanbad, maar die onder dien lieven last een lijden onderging, hetwelk
waarachtig een plaats in Dante’s hel had mogen erlangen.
Het schemerlicht, dat in de grot heerschte, de nevel van fijn verdeeld
waterstof, die uit de bulderende branding opsteeg, en de grot als met
een mystieken ether vulde, brachten het hunne bij, om aan de houding
van het lieve kind, iets verhevens, iets bovenaardsch mede te deelen.
Onbewust van den gloeienden hartstocht, die haar omzweefde, lag Anna
daar zoo kalm en rein, terwijl hare ademhaling den boezem regelmatig
deed op en neêr gaan, en bij wijlen, wanneer een diepere zucht zich
baan brak, eene onbescheiden gaping van de kabaja deed ontstaan, welke
bekoorlijkheden liet ontwaren, die door den blik van den verliefde
verslonden werden en zijne hartstochtelijkheid nog vermeerderden.
Langzaam vlood de tijd heen, te langzaam voor den armen gefolterde.
Intusschen had het water opgehouden te wassen, en was weldra de
terugtred der golven merkbaar! Iedere baar, die nu de grot binnendrong,
woelde, kookte, bruiste, schuimde als de voorafgaande, maar klom minder
hoog, spatte minder op. Maar, dat zou nog uren zoo moeten duren,
alvorens er aan gedacht kon worden, naar den ingang der grot te
schrijden.
„Och, dat Anna toch bijkwam,” zuchtte Van Nerekool; terwijl zijn
branderige blik op het lieve gelaat en op de aanbiddenswaardige
omtrekken van dat schoon gevormde lichaam strak bleef gevestigd. „In
haar zelve zou zij een veiliger schutsengel hebben, dan in mij!”
Gelukkig, zijne bede werd verhoord. Bij eene poging, die zij in haren
bewusteloozen toestand deed, om een paar droppels van hare wang af te
wisschen, wilde hij haar helpen. Met zachte hand bewoog hij zijn
zakdoek over die koon. Hij had zich evenwel daarbij moeten voorover
bukken, en kwam zijn brandend heete adem met haar gelaat en haren hals
in aanraking. Dat deed haar ontwaken. Mat en lusteloos sloeg zij de
oogen op;.... maar kon geen besef krijgen, waar zij zich bevond. Zij
draaide het hoofd.... keek rond en eindelijk ook Karel in het gelaat.
Met een kreet voer zij op.
„Gij, gij hier?” riep zij, terwijl zij opvliegen wilde om te vluchten.
Hij greep haar om het middel, en trok haar aan zijne borst.
„Pas op, Anna,” sprak hij. „Gij zult uitglijden, de zee is nog
onstuimig.”
„Gij, gij hier?” herhaalde zij. „Maar ik wil... ik zal...”
En zij poogde zich los te rukken uit zijne armen.
„Bedaar, Anna! Wees voorzichtig; de rots is nat geworden en derhalve
glibberig,” zei hij geruststellend. „Pas op, het gevaar is nog groot.”
Hij sprak zoo zacht, zoo wegsleepend, dat het jonge meisje de
worsteling wilde opgeven. Toen zij evenwel een blik op haar zelve
sloeg, en ontwaardde in welken staat zij zich in de armen van een man
bevond, toen poogde zij zich andermaal los te rukken. Haar gelaat was
door het zeewater van de verf, die het bedekt had, gereinigd geworden.
De blos, die hare wangen kleurde, was dus duidelijk waarneembaar; zij
sloeg de oogen schuchter voor zijnen brandenden blik neder.
„Laat mij, Karel, laat mij” sprak zij in de uiterste verwarring.
Hij klemde haar vaster tegen zijne borst aan, en overdekte haar gelaat
met honderden kussen.
„Anna, ik bemin je! Anna, ik heb je weêrgevonden,” kreet hij in het
paroxysme van den hartstocht. „Anna, nimmer verlaat ik je weer!”
„Maar, Karel, heb toch medelijden met mij,” sprak zij met aarzelende,
beschroomde stem, terwijl zij zijne liefkoozingen zooveel mogelijk
afweerde. „Ik kan en mag u nimmer toebehooren.”
„Anna!” kreet hij; terwijl hij haar nog vaster tegen zich aanklemde.
Zij vergiste zich hoogstwaarschijnlijk in de beteekenis van dat gebaar.
Althans met weemoedige stembuiging hernam zij:
„Neen, Karel, uwe echtgenoote kan ik niet worden, en... nietwaar?...
gij hebt mij te lief, om mij anders te verlangen.”
De blik van het jonge meisje was daarbij zoo treurig, dat Van Nerekool
besefte, hoezeer hij hare gevoeligheid gekwetst had. Hij liet haar uit
zijne omklemming los, hoewel hij zijn eenen arm om haar middel geslagen
hield.
„Maar, Anna,” hernam hij, „waarom zoudt gij nu mijne echtgenoote niet
kunnen worden?” vroeg hij met aandrang.
„Destijds niet en nu niet,” sprak zij beslist. „Ik schreef u de redenen
uitvoerig... Laat mij nu los!”
Zij wilde zich ook van dien eenen arm ontslaan; dat gedoogde hij echter
niet.
„Maar, Anna, de omstandigheden zijn zoo veranderd...” hernam hij.
„Welke omstandigheden?” vroeg zij hem in het gelaat starende.
„Nu uw vader en moeder d...”
„Wat, mijn vader en moeder dood?”... riep zij uit, voordat hij het
laatste woord nog uitgesproken had.
Hij knikte bevestigend. Het jonge meisje bedekte zich het gelaat met
beide handen en snikte hoorbaar. Het was een zonderling tooneel daar in
die half duistere grot, die twee jongelieden, waarvan de eene in zijne
hemdsmouwen zat, en de andere met haar natte sarong en kabaja
ternauwernood gekleed mocht heeten, daar bij elkander op die rots te
zien zitten. Zij met de handen voor het gelaat, hij haar uitvorschend
aanstarend, en de gedachten bespiedend, welke in dat maagdelijk gemoed
woelden en waarvan zijn levensgeluk afhing.
„Maar, is het wel waar?” vroeg zij hevig snikkend. „Het zou te wreed
zijn zoo eene tijding te verzinnen! Karel!... Karel, wat moet ik
gelooven?”
„Zoudt gij kunnen denken, Anna, lieve Anna, dat ik zoo met uw
kinderlijk gevoel zou kunnen spelen? Dat is mij toch miskennen, zeg,
Anna?”
Zij weende bitter en was troosteloos. Hij trok haar naar zich toe. Nu
evenwel bood zij geen weerstand, maar vlijde zich aan zijne borst. Het
was alsof zij, nu zij wees was, nu zij zich alleen op de wereld
gevoelde, thans bescherming zocht bij den man, die zoozeer indruk op
haar gemaakt had.
„Beiden dood...” herhaalde zij. „Waaraan zijn zij gestorven? Vertel
mij, hoe zich dat toegedragen heeft. Gij komt regelrecht van
Santjoemeh, gij zult, gij moet dus alles weten.”
„Integendeel, mijne Anna, ik weet niets. Toen ik Santjoemeh verliet,
waren uwe ouders springlevend. Dien morgen toen ik met Grenits naar
herwaarts reisde....
„Met Grenits?” vroeg zij. „Theodoor Grenits? Is die bij u?”
„Ja, dierbare,.... toen reisden mijnheer en mevrouw Van Gulpendam, naar
Soeka maniesan?”
„Soeka maniesan?... Wat is dat?” vroeg zij.
„Dat is eene suikerfabriek in het oostelijk gedeelte van de residentie
Santjoemeh gelegen.... Eerst te Gombong kregen wij tijding van het
overlijden, een telegram...”
En, nu verhaalde hij in weinige woorden, hetgeen hij wist, en wat niet
veel was, namelijk, dat het paar door eene bende ketjoe’s was
omgebracht. De brief, waarbij Van Rheijn hem bizonderheden toezeide,
had hij nog niet ontvangen. Die zou wel te Gombong liggen.
Na dat verhaal zweeg Van Nerekool een poos. Hij wilde Anna tijd gunnen,
om van de ontsteltenis te bekomen, die dat bericht op hare zoo
teêrgevoelige ziel moest gemaakt hebben. Het lieve kind zat, tegen hem
aangeleund, bitter te schreien. Neen, haar karakter had hoegenaamd
geene punten van overeenkomst met dat van hare ouders. Zij zelve had de
scheiding bewerkstelligd; zij was heengegaan om hen nimmer weer te
zien; zij had het ouderlijke huis verlaten, met het vaste voornemen
daarin nimmer terug te keeren. Nu evenwel de dood tusschenbeide trad,
om het weerzien onmogelijk en de scheiding onherroepelijk te maken,
vloog hare ziel de wezens, waar zij het leven aan verschuldigd was, te
gemoet, en vergat zij het geledene, het verkeerde, om slechts aan het
goede te denken. Ja, zij was innig bedroefd; en wanneer het in hare
macht gestaan had, zou zij, al ware het ten koste van haar leven, het
gebeurde ongedaan maken.
Terwijl zij daar zoo gezeten hadden, was de eb langzamerhand
ingetreden, en trok het water zich terug. Bij iedere deininggolf, die
aanrolde, drong minder water de grot binnen, spatte het minder hoog,
pleegde het minder geweld. Dat ging afnemend zoo voort, totdat de
kracht aan het aanrollende zilt geheel en al ontbrak om zich te doen
gelden. Het waren nog slechts golfjes, die de Goewah binnendrongen,
zich daar in de grot kringsgewijze uitbreidden, en met zacht geklots de
rots, waarop onze jongelieden zaten, kwamen lekken.
„Het wordt tijd, dierbare Anna,” begon Van Nerekool om de stilte af te
breken, en aan de smart zijner gezellin eene afleiding te bezorgen.
„Wij zouden andermaal door den vloed verrast kunnen worden.”
Zij hief het hoofdje op, en keek rond. Toen zij de zee zoo kalm zag,
begreep ook zij, dat er niet gedraald mocht worden; want dat anders de
vloed weer zou kunnen komen opzetten. Zij veegde hare tranen af.
„Ja, wij moeten heen,” sprak zij.... „Maar kunt gij zwemmen? Want gij
ziet, het water dat in de grot blijft staan, is veel te diep om
doorwaad te kunnen worden.... Ja... kunt ge? Dan is de ladder, die daar
bengelt, spoedig bereikt.”
Zij wilde zich reeds van de rots, waarop zij redding gevonden hadden,
laten afglijden. Maar hij weerhield haar, sloeg den arm nog vaster om
haar middel, en drukte haar zacht tegen zich aan.
„Het is nu, na die vreeselijke mededeeling, wel geen tijd om over
liefde te spreken,” hernam hij. „Maar Anna, ik heb mij in den laatsten
tijd zoo ontzettend ongelukkig gevoeld, beloof mij in dit uur, mij niet
meer te willen ontvluchten?”
Zij keek hem aan. Tranen blonken in hare schoone oogen. Een waas van
droefenis was over haar geheele wezen uitgespreid, en het was haar
onmogelijk een woord te kunnen uiten.
„Alle hinderpalen tot onze verbinding zijn nu opgeheven,” ging hij
zacht fluisterend aan haar oor voort. „Gij zijt thans uwe eigene
meesteres. Zeg, Anna, mag ik hopen?”....
Zij wendde het hoofdje af; maar lei hem de hand op den mond. Hij greep
die hand, hij drukte er een innigen kus op.
„Dank!” zei hij. „Neen, gij kunt mij in dit uur geen ander antwoord
geven... Nogmaals dank!... Maar, Anna nu te water. Wij moeten hier
weg!”
Juist wilden beiden zich van de rots laten glijden, toen stemmen
vernomen werden. Verrast keken beiden op. Het waren Dalima, Grenits en
Murowsky, vergezeld van een paar Javanen, die—wij weten het—in eene
djoekoeng bij den ingang der grot verschenen.
„God!” riep Anna, „en ik in die natte kleeding!”
Zij sloeg een blik op zich en bloosde hevig, toen zij zag hoe hare
natte kabaai en sarong hare ledematen plastisch modelleerden. Zij
voelde het oog van Karel op haar rusten, en dat maakte hare verwarring
nog grooter. Hij evenwel, nam het jasje, waarop zij gezeten had, en
bood haar dat aan.
De djoekoeng naderde intusschen, en zoowel Dalima als de twee vrienden
waren uitgelaten van vreugde, toen zij de reeds verloren gewaanden
springlevend terugvonden. De loerah van de dèsa Ajo had bij het van wal
steken uit voorzorg een paar sarongs medegenomen.
„Om de lijken in te wikkelen,” had hij gezegd, zoozeer was hij
overtuigd, dat een ongeluk gebeurd was.
De sarongs kwamen nu goed te pas. Anna wikkelde zich er goed in, en
werd daarbij door Dalima geholpen. Daarna liet zij zich in den
djoekoeng glijden.
Weinige minuten later waren zij buiten de grot, en ongeveer een paar
uren later waren Anna, Dalima, Van Nerekool, Grenits en Murowsky in het
huisje op de helling van den Goenoeng Poleng vereenigd. In die
samenkomst werden snelle besluiten genomen en voor dat de zon het
zenith overschreden had, zaten Anna en Dalima ieder in een tandoe, en
waren op weg naar Karang Anjer. De blanken vormden eene escorte bij die
twee draagstoelen, die indrukwekkend mocht heeten, daar alle drie met
jachtgeweren gewapend waren.
Bij de familie Steenvlak was Anna de gulste gastvrijheid beschoren. Zij
zou daar blijven logeeren, totdat.... Ja, totdat de rouwtijd om zoude
zijn.
Toen dat alles goed geregeld was, keerden de jonge mannen naar Gombong
terug. Theodoor en Karel wilden van den kapitein-kommandant afscheid
nemen en hem bedanken voor het verleende verlof aan Murowsky.
„Wel,” vroeg de brave krijgsman, „zijt gijlieden in uwe jacht
geslaagd?”
„Uitmuntend,” antwoordde Grenits.
„Hebt gij fraaie exemplaren buit gemaakt?”
„Ja, kapitein,” antwoordde Murowsky schalks; „wij hebben onder anderen
een fraai, een onvindbaar kapelletje, een puella formosa [293]
gevangen.”
„Nou, geluk met dat diertje; maar blijf mij met jullie Latijn van het
lijf.”
Zelfs Van Nerekool kon een glimlach niet weerhouden bij de gedachte aan
het kapelletje dat opgespoord was.
Veertien maanden later trad Anna van Gulpendam met Karel van Nerekool
in den echt. Het huwelijk werd zonder praal voltrokken te Karang Anjer
door en ten huize van den assistent-resident Steenvlak. August van
Beneden en Theodoor Grenits waren de getuigen van de bruid, en Eduard
van Rheijn en Murowsky die van den bruidegom. Bij het eindigen der
plechtigheid kwam ook Willem Verstork aan, die na den dood van den
resident Van Gulpendam weer naar de residentie Santjoemeh overgeplaatst
werd. Niemand rekende meer op zijne tegenwoordigheid, daar een telegram
de tijding aangebracht had, dat het stoomschip, waarmede hij van
Batavia naar zijne bestemmingsplaats reisde, ter hoogte van Tegal aan
den grond geraakt was. Toen evenwel het vlotbrengen van het vaartuig
niet voorspoedig ging, was hij ontscheept, en had de reis van
laatstgenoemde plaats per postrijtuig over de hellingen van den Slamat
[294] naar Karang Anjer aanvaard. Hij moest en hij zou het huwelijk van
Karel van Nerekool bijwonen! Hij ondervond ook bij deze landreis
vertraging, waardoor hij te laat aankwam voor de plechtigheid; maar
toch nog vroeg genoeg, om op dezen heuglijken dag in te stemmen in het
koor van gelukwenschen, dat het jonge paar ten deel viel. Als ooit
hartelijke handdrukken gewisseld waren, dan kon dat betuigd worden van
dien vriendendrom, die, bij gebrek aan verwanten van weerszijden, de
jonggetrouwden omgaf.
Na de voltrekking van het huwelijk, vertrokken mevrouw en mijnheer Van
Nerekool naar Tjilatjap, van waar zij met de boot naar Batavia zouden
reizen. De rechterlijke ambtenaar was bij den raad van Justitie aldaar
overgeplaatst. De anderen keerden naar hunne standplaats, Murowsky naar
Gombong en de overigen naar Santjoemeh terug, waar zij hunne
dagelijksche taak, hen door het lot op de schouders gelegd, hervatten.
Allen werden evenwel door eene machtige gedachte beheerscht, die—zoo
namen zij zich voor—alle hunne daden zoude kenmerken. En die gedachte
was: Onverbiddelijke oorlog, oorlog á outrance aan de opiumpacht!
Slaagde men er in te voorkomen, dat het verderfelijke heulsap der arme
bevolking met behulp der regeering en der politie opgedrongen werd, dan
zoude het opiumverbruik wel verminderen.
En nu, om ten slotte te eindigen met de persoon, welker naam tot titel
van dit boek strekt, zij den lezer medegedeeld, dat baboe Dalima
weinige maanden, nadat de beide geliefden elkander in een der grotten
van het Karang Bollongsche gebergte weêrgevonden hadden, een dood kind
had ter wereld gebracht. Dat had haar uitermate bedroefd; want in
weerwil van de misdaad, waarvan zij het slachtoffer geweest was, had
zij een gevoel van moederweelde in zich voelen ontkiemen en grooter
worden, naarmate het wezen, dat zij binnen hare lendenen omsloten
droeg, zich ontwikkelde. O, zij zou dat kindje zoo teeder bemind
hebben, zij zou het zoo verzorgd, zoo geliefkoosd hebben, als wel geen
ander moeder het beter vermocht. Zij had reeds een wiegje voor het
wicht klaar, geene wieg, zooals wij Westerlingen die kennen, neen, een
eenvoudig mandje van bamboelatjes, maar door haar zelve gevlochten,
doch van binnen zoo weelderig, zoo mollig van kussens voorzien, en door
een harer sarongs omgeven om des nachts de muskieten en over dag de te
felle lichtstralen af te wenden, dat het als het ware een nestje zou
vormen, dat opgehangen met een paar stevige touwen aan de sparren van
de voorgalerij van het vertrekje, hetwelk zij bewonen zou, heen en weer
wiegelen zou; terwijl zij, overgelukkig in hare moedervreugde, zacht op
de gambang [295] zoude tokkelen, om het dierbaar wezentje door de
heerlijke tonen te verrukken. En dat alles was nu weg! Hare vrucht was
niet bestand geweest tegen de vermoeienissen, welke zij zich zelve
opgelegd had, tegen de aandoeningen, die haar bij den tocht naar de
Goewah Temon, waar hare Nana zoo in levensgevaar verkeerd had, bestormd
hadden. Ja, zij was uiterst bedroefd geweest; maar... de tijd verzacht
de grootste smarten. Daarenboven zij was nu bij Nana, zij zou tot haren
laatsten snik bij haar blijven. Zij was met haar naar Batavia gereisd.
Zij zou de baboe zijn van de kleine Van Nerekooltjes, die de
huwelijksweelde van het jonge paar zouden komen verrijken en, voor
ieder, die met de innige genegenheid bekend is, waarmede de Javanen
zich in den huishoudelijken omgang aan de blanken hechten, wanneer zij
door dezen goed behandeld worden, zal het duidelijk zijn, dat zij dat
voornemen stipt getrouw zou blijven.