XIX.

„TOELOENG! TOELOENG, TOEAN!”

Toch was het geroep en het gegil van het arme slachtoffer gehoord

geworden. Te laat, helaas evenwel om redding aan te brengen.

Dat gedeelte der kloof, waarin de jagers ter vervolging van de

vluchtende tjellengs in allerijl gedrongen waren, was niet heel lang,

een vijftienhonderd meters hoogstens. Hare zool echter was uiterst

bochtig, en naast de kronkelende bedding van de Kali Banjoe Pahit

voortloopende, als met rotsblokken bezaaid; terwijl de wanden van

donkergrauwen trachietlava zich tot eene hoogte van vijftig of zestig

meters schier loodrecht verhieven.

De lucht weergalmde in dien engen doorgang van het geknor en geschreeuw

der wilde varkens, die in wanhoop krioelden en vluchtten, over de

rotsen buitelden en tuimelden, in het riviertje een toevlucht zochten,

maar daarin door de woest voortschietende wateren medegevoerd en

onzacht met de lavablokken der bedding in aanraking gebracht werden.

Aan het wanhopig gegil der dieren, paarde zich aan den eenen kant van

de kloof het geratel, het geklop der drijfjagers, die bij de

achterwaartsche beweging der tjellengs hun spektakel hervat hadden, en

van den anderen kant het moorddadige geweervuur der Europeanen, dat

onverpoosd onderhouden werd. Radeloos en in de grootste verwarring

stormden de gejaagde dieren de Javanen te gemoet, welker geklop en

gegil hen bij ondervinding minder gevaarlijk voortkwam. Wel stelden

ettelijke der dèsabewoners, toen de drom in de nabijheid kwam, zich

ijverig te weer en staken er met hunne lansen duchtig op los. Maar het

meerendeel week, toen de grimmige bende op hen instormde, en sloeg

geheel en al op de vlucht, toen de kogels der jagers hen om de ooren

begonnen te snorren. Zoo’n cilindro-conische kogel van de hedendaagsche

draagbare vuurwapenen maakte ook zoo’n afgrijselijk gefluit bij het

afleggen harer baan, dat het was om iemand kippenvel op het lijf te

jagen. In minder dan geen tijd, was de linie der drijfjagers voor de

aanrennende zwijnenschaar als de nevel voor de morgenzon verdwenen.

Verreweg het meerendeel was op hooge rotsblokken geklommen; het andere

was in de dwergboomen geklauterd. Maar geen enkele Javaan had zich

achter rotsen of achter boomstammen verscholen, waar hem de slagtanden

der tjellengs bereiken konden.

De bende wilde varkens was zeer geslonken. Het waren er niet velen, die

den doorbraak der linie drijfjagers overleefden. Het grootste gedeelte

was in de kloof onder de kogels der Europeesche schutters gevallen. Het

was eene ware slachting, die daar plaats gehad had. Een vijftiental

lijken lagen daar uitgestrekt, ongerekend de tjellengs, die met een

kogel in het lichaam, of de huid opengereten door een schampschot, hun

heil in de vlucht gezocht hadden, maar den dood niet ontkomen zouden

[122].

„Vooruit; Vooruit!” riep Verstork, aangemoedigd door den aanvankelijken

goeden uitslag van de jacht. „Vooruit! wij moeten trachten, dat er geen

enkele van dat schadelijk gedierte ontsnapt!”

Dat was evenwel gemakkelijker gezegd en aanbevolen dan wel uitgevoerd.

Wel stormden de jagers het ravijn in en de bende wilde zwijnen

achterna. Wel werd nog menig schot gelost, waarbij telkenmale een

slachtoffer viel; maar de varkens waren vlugger ter been, en nu de

insluitingsketen verbroken was, waren zij spoedig in de schier

onuitwarbare wildernis van doornachtige struiken, van woest dooreen

geworpen boomstammen en rotsblokken, waarmede de zool van het ravijn

overdekt was, uit het oog verdwenen. De jagers spanden alle krachten

in, om het wild te volgen; maar daartoe waren de vlugheid en de

lenigheid van een orang-oetan noodig geweest en, wie weet, of ook die

de vervolging niet had moeten opgeven.

Opgeven?... Ja; want op een gegeven oogenblik stonden de blanke jagers

daar met gescheurde kleedingstukken, met verwonde handen door de

doornen, uitgeput van den verwoeden wedloop, hijgende naar hun adem. Op

het geroep eindelijk van Verstork kwamen zij langzamerhand te zamen.

„Waar is Grashuis?” vroeg de controleur.

„En waar is Grenits?” vroeg Van Rheijn.

Men keek rond; maar zag hen niet. Een paar geweerschoten in de verte

gaven te kennen, dat de twee vermisten de jacht nog niet opgegeven

hadden.

„Wij dienen hen te volgen,” sprak Verstork. „Men kan niet weten, wat er

gebeuren kan, en hoezeer hulp noodzakelijk kan zijn. In welke richting

hebben die schoten weerklonken?”

Alle handen gingen omhoog; maar allen in verschillende richting. Als er

handen genoeg geweest waren, zouden alle streken van de kompasroos

aangewezen zijn.

„Daar!”

„Neen, daar!”

„Gij vergist u, het was daar!”

„Mis! het was in die richting!”

„Drommels,” zei Verstork „dat ’s lastig. En zelf heb ik er niet zoo op

gelet, dat ik de richting zou kunnen aanwijzen. Die schoten hebben mij

verrast. Wij zullen wat wachten; er zullen nog wel schoten vallen.”

„Dat ’s juist goed,” antwoordde August van Beneden, „dan kunnen wij wat

rusten en tot adem komen. Ik ga hier op die rots zitten.”

Die rust duurde kort; want nog geen tien minuten later weerklonk

andermaal een schot, dat een poos later door een tweede gevolgd werd.

Dat geknal klonk verder verwijderd dan straks; maar de richting was

thans behoorlijk waargenomen.

„Komt, heeren, daar heen!” sprak Verstork, terwijl hij zijn geweer

opnam.

„Zouden wij nog niet een oogenblik toeven?” vroeg Van Beneden.

„Drommels, ik ben nog zoo moe!”

„Ik zal onderwijl in dien boom klimmen,” sprak de wedono, op een

gladden Komessoe [123] wijzende. „Misschien zal ik de verdwaalden

ontdekken.”

Het Javaansch districtshoofd, een vlugge jonge kerel was in een oogwenk

boven. Bij het klimmen ging hij geheel en al volgens zijn landaard te

werk. Hij omvatte den slanken boom met beide handen en steunde met de

voeten tegen den stam. Zoo kon hij afwisselend handen en voeten

verzetten, en was dan ook vlug in de kruin.

„Ziet ge wat, wedono?” vroeg Verstork.

„Nog niet, Kandjeng toean.... maar wacht!.... ja, daar ginds zijn ze.

Zij klauteren langs de helling van het ravijn op en zetten eenige

tjellengs na. Maar, dat is zeer ver.”

„Kom heeren, nu op het pad! Wij zullen trachten onze vrienden in te

halen!”

Inderdaad, Leendert Grashuis en Theodoor Grenits waren voortgespoed en

vervolgden met het ontembaar vuur, hetwelk moedige jongelieden kan

bevangen, die eene zoo opwekkende jacht bijwonen, een troepje wilde

varkens, hetwelk uit een kolossalen grooten beer, een vrouwtje en vier

biggetjes bestond. In woeste vaart ging het zoowel bij vervolgers als

vervolgden over en onder rotsen heen, door en over struiken, soms in

het riviertje, waarin de varkens onder de watervlakte verdwenen,

krachtig voortzwommen, en te midden van het wielende schuim

voortspoedden. Soms kregen de jagers het troepje varkens in het

gezicht, terwijl het over een rotsblok heenworstelde, dan trachtten zij

vast te staan op den moeielijken bodem om goed te kunnen mikken. Maar,

nog voor dat zij het geweer aan den schouder gebracht hadden, waren de

tjellengs òf onder een overhangend woest daar heen geworpen

rotsgevaarte, òf achter een struik verdwenen, en dan hervatten de

jagers de vervolging, die zij een oogenblik gestaakt hadden.

Zoo ging het een poos voort, totdat de beer op zeker punt zijn gezin

tegen de helling van den ravijnwand wilde opvoeren, om zoo het vrije

veld te bereiken, waar de vlucht met meer spoed zou kunnen geschieden.

Helaas, maar ook daar zou de uitwerking der vuurwapenen van de twee

vervolgers haar voordeel hernemen. Reeds dadelijk bij het bestijgen van

de helling, waarbij het troepje een oogenblik op het korte gras voor

het oog zichtbaar werd, knalden twee schoten, en buitelde een der

biggetjes achterover en rolde de helling weer af. Grimmig snelde de

moeder te hulp. Maar, welke moeite zij ook deed om haar jong voort te

krijgen, het was te vergeefs. Voort moest zij, wilde zij niet onder de

wisse kogels vallen. Een oogenblik later stortte een ander biggetje,

thans evenwel ongewond, van de scherpe helling omlaag. Fluks was de

moeder weêr bij de hand om het diertje, dat slechts uitgegleden was, op

de been te helpen. Voor onpartijdige toeschouwers ware het aandoenlijk

geweest te zien hoe die moeder haar jong verzorgde, hoe zij het met

hare snuit liefderijk maar toch krachtig voortstootte, terwijl zij

daarbij een aanmoedigend geknor liet hooren. Helaas! jagers hebben geen

medelijdende harten! Nog was de moeder met haar jong niet bij den

hoofdgroep aangekomen, of daar knalden weer twee schoten, èn jong èn

moeder rolden de helling af naar beneden. Nog een zielsvol oog voor het

jong, waarna die goede moeder nog een woesten, wraakzuchtigen blik op

de jagers wierp, en een schrillen kreet uitte, om den vader te

waarschuwen. Daar klonk weer een schot, en een der kleinen rolde de

beide blanken te gemoet. De beer gromde vreeselijk, zette zich in

postuur met overeindstaande borstels en opgetrokken lippen, waardoor

niet alleen de slagtanden, maar ook de snijtanden, die er als beitels

uitzagen, schrikkelijk tegendreigden. Een tweede schot knalde dadelijk

daarop, maar miste. Toen de kruitdamp opgetrokken was, waren beer en

het laatste overgebleven biggetje in eene terreinplooi voor het oog

verdwenen. Maar Grenits en Grashuis gaven de vervolging niet op, en

voort ging het langs de wandhelling op. Inspanningsvol waren de

pogingen die de beide jagers aanwendden om den ravijnnok vóór het wild

te bereiken. Maar, al gaven zij het niet op en al klommen zij ook met

taaie voortvarendheid omhoog, zoo moesten zij zich toch bekennen, dat

eene rotshelling, waarop de gespleten en spits toeloopende hoeven van

een wild zwijn plaats en vat vonden, geen wandelpad was voor den

geschoeiden voet van Europeanen.

Eindelijk waren de twee jagers na een onmenschelijk klimmen op den nok

van den steilen ravijnwand aangekomen. Hijgend keken zij rond, maar

ontwaarden van de vluchtelingen geen spoor. Die waren hen voorzeker

voor geweest, en thans in het struikgewas van de onafzienbare vlakte

verdwenen. Waarheen hen te zoeken? Dat zou immers noodeloos werk zijn.

Doodmoede als zij waren, wilden zij zich in de schaduw van eenige

struiken op het gras uitstrekken, om van hunne inspanning wat te

bekomen; toen Grenits plotseling een schreeuw uitstiet. Hij zag zich

aangevallen door den beer, die evenzeer uitgeput, daar met zijn jong

zich ook uitgestrekt had om te rusten. In zijn leger als het ware thans

bestookt, zag het woedende dier van de vlucht af en sloeg, zooals zijne

soortgenooten gewoonlijk doen, ten aanval over. Grenits had waarlijk

nauwelijks den tijd, om met een sprong uit te wijken en zijn geweer,

dat met den riem over den schouder hing, in tot verdediging gereede

positie te brengen. De beer ontweek behendig een bajonetsteek, dien hem

Theodoor toebracht, en rende op zijn tegenstander in. Gelukkig, dat

diens rechterbeen, door hooge lederen beenbekleeding beschermd was,

anders zou de jager deerlijk door de slagtanden van het woedende dier

verwond zijn. Nu evenwel was de slag, welke het zwijn door middel van

eene krachtige kopbeweging met den snuit toebracht, toch nog zoo hevig

dat Grenits het evenwicht, verloor, achterover tuimelde en in groot

gevaar verkeerde. Ware hij alleen geweest, dan voorzeker zou de beer

zich op hem gestort en, weerloos als de jager was, hem met zijne

machtige slagtanden den buik opengereten hebben. Grimmig en met bloed

beloopen oogen schoot hij reeds op den gevallene toe. Theodoor voelde

reeds in zijn aangezicht den brandend heeten adem van het monster, en

wachtte met dichtgeknepen oogen den noodlottigen schok af; toen op

eenmaal de tjelleng een gebrul van woede uitstiet en front naar een

anderen aanvaller moest maken. Hoe bliksemsnel het verhaalde toch in

zijn werk was gegaan, zoo had Leendert Grashuis evenwel tijd gehad om

snel eene patroon in zijn achterlaad-buks te schuiven en zijne bajonet

in aanvallende positie te brengen. Zooals hij zich evenwel tegenover de

strijdenden bevond, was er aan schieten niet te denken, daar hij meer

kans zou gehad hebben om zijn vriend dan den beer te treffen. De

minuten, ja de seconden waren goud waard. Theodoor lag reeds op den

grond uitgestrekt, en de noodlottige ontknooping kon niet uitblijven.

Toen bracht Grashuis het zwijn een bajonetsteek in de zijde toe, die

wel eene pijnlijke wonde veroorzaakte, maar op het rechter schouderblad

afschampte. Het monster keerde toen zijne geheele woede op den nieuwen

aanvaller, wilde hem een slag met de vooruitstekende tanden toebrengen,

maar die werd behendig op de bajonet opgevangen. Door den schok als

eene hoepel kromgebogen, drong evenwel het wapen, tot bij de

geweertromp in de keel van het dier door. Een oogenblik dacht Leendert

er aan, om zijn wapen terug te trekken; maar de onmogelijkheid daarvan

inziende haalde hij snel den trekker over, zoodat het dier de

losbrandende lading met den kogel door den kop kreeg. Het sprong met

reuzenkracht terug,—waarbij Grashuis zich zijn wapen uit de handen

gerukt zag,—draaide eenige malen in de rondte, en viel toen

stuiptrekkend neder. Weinige seconden later was de doodsstrijd

volstreden.

Onthutst en beteuterd stonden de beiden Europeanen die stuiptrekkingen

een oogenblik aan te kijken. Alles was zoo bliksemsnel in zijn werk

gegaan, dat zij nog geen volkomen besef van het gebeurde en van de

uitkomst hadden. Maar, na een poos begrepen zij wat er gebeurd was; en

toen vielen zij in elkanders armen en feliciteerden elkander hartelijk.

En, waarlijk, zij hadden een bang oogenblik doorgestaan. Voor beiden

was het gevaar groot, maar voor Theodoor Grenits dreigend geweest.

Toen aan de inspraken van het hart voldaan was, hernam de zwakke

menschelijke natuur hare rechten. De vervolging van het wild, de

beklimming van den steilen ravijnwand, het dadelijk daarop gevolgde

gevecht met al zijne aandoeningen hadden onze vrienden zoodanig

uitgeput, dat zij schier ademloos en met heftig zwoegende borstkast op

den bodem vielen, om tot verademing te komen. Zij konden zoo omstreeks

een tiental minuten gelegen hebben, toen Grenits het laatst

overgebleven biggetje in de nabijzijnde struiken meende te ontwaren.

Zonder op te staan, gleed hij eene patroon in het kamerstuk zijner

achterlaadbuks, bracht het wapen aan den schouder en vuurde af in de

richting, waar het varkentje onder de struiken verdwenen was. De echo

weerkaatste statig den knal van het schot, dat door de nabijheid van

het rotsachtige ravijn als de donder rolde.... Machtig als de geest des

onweders duurde dat een poos, waarna dat gedonder langzamerhand afnam,

zachter vernomen werd en eindelijk heel in de verte in eene zachte

rommeling wegstierf. Nog was het geluid waarneembaar, toen Grashuis

zich plotseling, als door eene machtige veer bewogen, op zijn ellebogen

ophief.

„Hebt ge dat gehoord?” vroeg hij, terwijl verbazing zijne stem

kenmerkte.

„Wat?... Het geratel van mijn schot? Ja, dat heb ik gehoord.”

„Neen, niet uw schot. Het was, alsof ik eene menschenstem hoorde

roepen... Hoor!...”

En werkelijk daar klonk heel verwijderd, maar toch vrij duidelijk:

„Toeloeng!... Toeloeng, toean!”

„Dat is eene vrouwenstem!” zei Grenits opspringende.

„Toeloeng! toeloeng, toean!” klonk het weer.

„Eene vrouwenstem die ons te hulp roept,” zei Grashuis. „Hoor...”

„Toeloeng! toeloeng, toean!”

„Ik zie geen andere toeans, dan wij. Onze makkers zijn ver weg... en in

het ravijn... En, van daar komt de stem niet,” merkte Grashuis verder

op.

„Maar ik zie niets, Leendert,” zei Grenits, die aandachtig den geheelen

omtrek opnam.

„Ik ook niet, hoe ik al tuur.”

„Het weerkaatsen van de zonnestralen in de oppervlakte van het water

der sawahs doet mijne oogen zeer.”

„Daar ginder, bij dat boschje, meen ik eene hut te zien. Het geroep kan

niet anders dan van daar komen.”

„Toeloeng! toeloeng, toean!” klonk het.

„Het is onmiskenbaar eene vrouwenstem, die om hulp roept.”

„Maar, welke heeren kan zij roepen?”

„Om het even. Vooruit! Onze bijstand wordt ingeroepen. Vooruit! Ik ben

niet moê meer!”

Alvorens evenwel voort te snellen, wierpen de twee Europeanen eerst een

blik terug in het ravijn, waaruit zij een poos te voren geklauterd

waren, en zagen toen, dat hunne makkers hen volgden, en gereed waren de

helling van den ravijnwand op hunne beurt te beklimmen. Grenits schoot

zijn geweer af, om hunne aandacht te trekken, en toen aller oogen naar

boven gericht waren, riep hij hun zoo luid toe als hij kon, terwijl hij

den arm in de richting van het westen uitstrekte:

„Daar! daar!”

En daarop ijlden beiden voort.

„Hebt gij verstaan, wat Theodoor riep?” vroeg Verstork aan Van

Nerekool.

„Neen!” antwoordde deze. „De afstand was daartoe te groot; maar er

schijnt iets buitengewoons voorgevallen te zijn.”

„Kom! laat ons voortspoeden.”

En het troepje jagers beklom den bergwand. Zij waren evenwel niet zoo

bezield als straks hunne makkers; zoodat die bestijging wel driemaal

meer tijd kostte. Toen zij boven op den nok waren, zagen zij Grenits en

Grashuis, die te midden van de sawahvelden voortspoedden.

Laatstgenoemde keerde zich om en wenkte, toen hij zijne makkers

ontwaarde, om voort te maken.

„Toeloeng! toeloeng, toean!” weerklonk het nogmaals, maar nu zoo zwak,

dat dit hulpgeroep bijna niet meer waarneembaar was. Toch waren de

beide Europeanen de hut meer nabij gekomen.

„Voort! voort!” riep Grenits, zijn makkers tot spoed aanzettende.

„Is het wel in deze richting, dat wij voortspoeden moeten?” vroeg

Grashuis. „Mij dunkt, dat wij ons van het geluid verwijderen.”

Maar tijd tot bedenken was niet meer mogelijk. Daar vloog eene

vrouwengedaante de hut uit, en ijlde op hen toe.

„Toeloeng, toean toean! toeloeng!” kreet zij, terwijl zij aan hunne

voeten nederstortte.

Het was een Javaansch meisje, dat door geen van beiden herkend werd,

hetwelk met loshangende haren, spiernaakt en geheel bebloed aan hunne

voeten in het gras wentelde, en zich het gelaat met beide handen

bedekte.

„Toeloeng, toean toean! Toeloeng!” kreunde zij.

Onthutst door die onverwachte vreemdsoortige verschijning, keken de

twee jagers het meisje aan. In hunne verbazing wisten zij niet wat te

doen. Grenits geërgerd, een menschelijk wezen aan zijn voeten te zien,

vatte het meisje bij den arm en poogde haar overeind te helpen, maar

schuchter weerde zij hem af:

„Maloe saja!” (ik ben beschaamd) prevelde zij, terwijl zij hare

loszwierende haren over haren boezem schikte, en zich verder daarin

zocht te dekken.

Plotseling schoot eene mannengedaante, een Javaan, de hut uit, en op

het meisje toe. Met ruwe hand greep hij haar bij den arm, om haar

overeind te sleuren.

„Adoe! (O wee!)” riep zij uit.

En den kerel herkennende, rukte zij zich met verschrikt gebaar los.

„Toeloeng, toean toean! toeloeng!” smeekte zij zich tot de beide

Europeanen wendende.

„Wilt gij die vrouw eens loslaten!” zeide Grenits gramstorig.

„Wat wilt ge van haar?” vroeg Grashuis aan Singomengolo, dien hij

herkende.

„Zij is eene opium-smokkelaarster,” antwoordde deze. „Kom, a. s. [124]

voort!”

„Kassian, toean toean!” (Heb medelijden met mij, heeren) kreet het

rampzalige meisje.

„Kom voort!” riep Singomengolo woest en haar voortsleurende.

„Die vrouw loslaten, of... ik sla je de hersens in,” dreigde Grenits,

zijn geweer bij den loop opnemende.

Grashuis had inmiddels Singomengolo bij het middel gevat en trok hem

achteruit.

„Ik ben bandoelan,” (opiumspion) sprak de Javaan trotsch. „Het zal den

heeren berouwen, mij gedreigd of aangeraakt te hebben!”

En tot het vrouwelijk wezen:

„Kom, voort!” sprak hij.

„Nogmaals, laat die vrouw los!” zeide Grenits met dreigende stem.

En, werkelijk, hij was op het punt, om den kolf van zijn geweer op het

hoofd van den ellendeling te doen nederkomen, toen hij zich bij den arm

gegrepen gevoelde, en eene stem hoorde fluisteren:

„Pas op, Thedoor! het is katjesspel, het met lieden van den

opiumpachter aan te leggen.”

Grenits keek om. Het was Mokesuep, die tot hem sprak.

„Jij, Muizenkop? Waar kom jij vandaan?”

„Ik ben op de jacht verdwaald. Maar bedaar... anders komt ge in

ongelegenheid.”

„Er valt niet te bedaren, laat mijn arm los; dan zal ik dien opiumjager

noodzaken, die vrouw los te laten.”

Singomengolo had de hand aan het gevest van zijn kris geslagen. Trotsch

en oploopend van aard, als hij was, zou hij iedere gewelddaad van den

blanke met een dolkstoot beantwoord hebben, ten minste, wanneer een

eerste kolfslag hem niet buiten gevecht had gesteld. Een oogenblik keek

hij met vonkelende en tartende oogen naar de beide blanken op. Toch

liet hij plotseling den arm van het vrouwelijke wezen los. Over de

sawah zag hij een anderen troep aankomen, waaronder zich niet alleen de

controleur van Banjoe Pahit, maar ook de wedono van het district

bevond. Als het kon, zou zijn bruin gelaat verbleekt zijn op dat

gezicht.

„Wat is hier te doen?” vroeg Verstork toen hij nader getreden was.

„Die vrouw heeft opium gesmokkeld, Kandjeng toean,” antwoordde

Singomengolo.

„Die vrouw?...”

„Maar,... dat is Dalima!” riep Van Nerekool uit.

„Dalima?...”

„Ja, Dalima, de baboe van den resident!”

„Mooi zoo!” lachte Van Rheijn. „Nu hebben de residenten ook al baboe’s!

Misschien ook wel zuigflesschen!”

Van Nerekool bloosde. Hij had vermeden te zeggen: de baboe van de

dochter van den resident.

Verstork trok eene der handen van het gelaat der vrouw weg.

„Ja,... het is Dalima!... En, die zou opium gesmokkeld hebben?” vroeg

hij verder, na een teeken aan een der volgelingen van den wedono

gegeven te hebben, die haar een slendang (een soort sjerp) toewierp,

waarin zij zich wikkelde.

„Soengoe mattie!” (voorzeker) [125] antwoordde de bandoelan. „Ik heb

haar gevisiteerd...”

„En haar de kleêren van het lijf gescheurd?” vroeg de controleur

streng.

„Zij wilde het niet toelaten...”

„En haar zoo toegetakeld?” vervolgde Verstork.

„Apa boleh boeat, (wat is er aan te doen) Kandjeng toean? Zij verzette

zich. En... zie, dat heb ik gevonden.”

Singomengolo vertoonde daarop een doosje, dat bijster veel overeenkomst

had met datgene, hetwelk den vorigen avond door den bandoelan aan den

controleur overgegeven was. Als deze het zelf niet verzegeld en naar

Santjoemeh opgezonden had, zou hij hebben kunnen gelooven, dat het

hetzelfde was.

„Hebt gij dat doosje bij dat meisje gevonden?” vroeg de controleur met

nadruk.

„Ja!”

„Ik heb geen opium gesmokkeld,” kreet Dalima, steeds op den grond

gehurkt. „Ik ben in die hut gesleept geworden, en daar ben ik op de

gemeenste wijze mishandeld geworden...”

„Maar, hoe komt ge hier?” vroeg Verstork.

„Ik was op weg naar Kaligaweh. Iemand heeft heden nacht op het

residentiehuis komen berichten, dat mijn vader erg ziek was. Toen heb

ik èn van de njonja èn van nonna Anna verlof gekregen om naar den zieke

te mogen gaan....”

„Verlof van de njonja en?...”

„En van nonna Anna, ja, Kandjeng toean!”

„Die kunnen dat dus getuigen?”

„Ja, Kandjeng toean!”

„Ik heb getuigen, die gezien hebben, dat dat meisje smokkel-opium bij

zich had.”

„Wie zijn dat?”

Singomengolo liet den sluwen blik rondom zich gaan. Hij zag Mokesuep de

hut binnentreden. Deze had van het kabaal gebruik gemaakt, om zich

achteraf te houden, en op het geschikte oogenblik de hut binnen te

sluipen. Hij had zijn redenen daartoe. Een glimlach krulde de lippen

van den Javaan.

„Straks,” sprak hij, „was een „toean blanda” (een hollandsch heer)

hier.”

„Een toean blanda? Hou je mij voor den gek? Pas op? Die onbeschaamdheid

zou ik je betaald zetten!” zei de controleur vertoornd.

„Muizenkop was straks hier,” viel Grenits in.

„Muizenkop?... Ik heb hem den geheelen ochtend niet gezien!... Waar

kwam die van daan?”

„Ik weet het niet. Hij zeide, dat hij op de jacht verdwaald was.”

„Maar, waar is hij nu?”

„Dat weet ik niet. Zoo even stond hij daar nog.”

„Maar,” ging Verstork voort, zich tot Singomengolo wendende:

„Gij zeidet twee getuigen? Wie is de andere?”

„Lim Ho,” was het antwoord.

„Lim Ho, de zoon van den opiumpachter?” riep Van Nerekool ontzet uit.

„En, Dalima... in dien toestand?... O, nu begrijp ik alles!”

„Lim Ho heeft mij vreeselijk mishandeld, en...” snikte het meisje, maar

kon niet meer voort.

Dalima gebruikte in hare meer oorspronkelijke taal een andere

uitdrukking dan „mishandeld”, die evenwel niet weer te geven is. Toch

aarzelde zij om voort te gaan.

„En?” vroeg de controleur.

„Hij en die man daar,” zeide zij, „hebben mij vastgebonden.”

„Ellendeling!” kreet Van Nerekool verontwaardigd uit, terwijl hij

Singomengolo met zijne vuist dreigde.

„Zij heeft opium gesmokkeld, en die heb ik achterhaald. Dat is alles!”

antwoordde deze onbeschaamd. „De heeren moeten zich niet boos maken.

Die gemeene meid liegt!”

„Ik lieg niet, en ik heb geen opium gesmokkeld!” antwoordde Dalima.

„Overigens verraadt mijn toestand genoegzaam, hoe men met mij gehandeld

heeft.”

Op een wenk van den controleur, tilden haar een paar oppassers op,

waarbij zij hare handen noodig had, om zich zedig in tegenwoordigheid

van al die mannen te dekken. Van Nerekool hielp haar daarbij, en

verzocht een tweede slendang om het meisje in te wikkelen.

„Hier heeft de snoodste misdaad plaats gehad,” sprak hij daarna tot den

controleur. „Het is schandelijk, hoe het meisje mishandeld is.”

Na die voorloopige verpleging trad het gezelschap de hut in. Daar vond

men Mokesuep, die vriendschappelijk met Lim Ho eene sigaar zat te

rooken. Het oor van dezen laatsten was verbonden.

„Zoo gij hier?” vroeg Verstork, zonder den Chinees een groet waardig te

keuren.

„Ja, ik ben heden ochtend van de jacht afgeraakt, en heb rondgedwaald,

totdat ik deze hut aantrof, waar ik voor eene poos eene schuilplaats

tegen de zonnestralen gezocht heb. Foei, wat is het heet in die

sawah’s!”

Dat werd op den meest mogelijk kalmen toon gezegd. Bij den laatsten

volzin blies de aterling, alsof hij het werkelijk zoo ondragelijk warm

gehad had.

„Gij zijt dus al geruimen tijd hier?”

„Ja, een half uur, als gij dat een geruimen tijd noemt.”

„Uwe getuigenis wordt ingeroepen.”

„Waarbij?”

„Er is hier eene schandelijke misdaad gepleegd op dat meisje,” ging

Verstork voort.

„Eene misdaad?” vroeg Mokesuep verwonderd. „Ik weet van niets.”

„Hier is niets geschied,” mengde zich Singomengolo, die Hollandsch

verstond, maar Maleisch sprak, in het gesprek, „dan eene aanhaling van

opium, nietwaar babah?”

De Chinees, die opgestaan was, toen de heeren binnengekomen waren,

wisselde een blik met Mokesuep, maar antwoordde terstond:

„Niets anders, Kandjeng toean.”

„Ik vraag u beiden niets,” sprak de controleur tot den Javaan en den

Chinees. En zich tot Mokesuep wendende, vervolgde hij:

„Dat meisje, de baboe van den resident, beschuldigt die beiden van eene

vreeselijke misdaad.”

Muizenkop, die Dalima niet kende, stond onthutst, toen hij die

bizonderheid vernam. De baboe van den resident! Als die machtige zich

eens partij voor zijne dienstbare stelde. Waarlijk, hij aarzelde...

„Hoort ge, wat ik zeg?” vroeg de controleur hoogst ernstig, maar

ongeduldig.

De aterling ving een blik op van Lim Ho, die daar onbeschaamd zijne

sigaar stond te rooken.

„Ik heb niets gezien, controleur,” antwoordde hij.

„Maar, ik beschuldig die baboe, opium gesmokkeld te hebben!” zei

Singomengolo sarrend. „Ik heb die bij haar gevonden! Dat heeft de babah

en dat heeft de toean gezien.”

„Is dat waar?” vroeg de controleur.

De Chinees antwoordde niet dadelijk. Hoe bedorven hij ook was, aarzelde

hij toch het meisje, dat hij onteerd had, in het verderf te storten.

Maar Singomengolo deed een schier onmerkbaar teeken.

„Het is waar!” antwoordde Lim Ho.

„Is dat waar?” vroeg de controleur aan Mokesuep.

„Ja, het is waar!” was diens vastberaden antwoord.

„Hebt gij gezien, dat de bandoelan dit doosje bij dat meisje gevonden

heeft?”

De controleur vertoonde het doosje, dat hij straks van Singomengolo in

ontvangst genomen had.

„Ja!” antwoordde de aterling.

Dalima viel in zwijm. De overige aanwezigen konden een gebaar van

verachting niet onderdrukken; want allen waren van de onschuld van het

meisje overtuigd.

„Ellendeling!” kreet Theodoor, die zijn toorn niet bedwingen kon.

Een hoonlach was het antwoord daarop, die daarenboven door een gebaar

van minachting vergezeld ging.

Dat was te veel voor Grenits.

„Daar!... daar!...” riep de getergde in de hoogste woede uit, terwijl

hij den onmensch een, twee klappen om de ooren gaf.

„Mijnheer Grenits!” sprak Verstork met waardigheid. „Ik bid u, matig u.

Maak mij mijne taak als ambtenaar niet moeielijker, dan zij reeds is.”

Baboe Dalima · 第 47 / 94 题