DE ONSCHULD TEN VAL.

„Hoerah!” riep Mokesuep. „De vijand vlucht!”

Innerlijk had dien held het hart in de borstkas geklopt. Hij had toch

gevreesd, dat de tjellengs doorgebroken zouden hebben; ja, dan ware een

gevecht met de sabelbajonet niet onmogelijk geweest. Angstig had hij

toch reeds uitgekeken naar een goed heenkomen tegen den steilen

rotswand op. Waren er projectielen geweest, die het wild niet getroffen

hadden, dan was dat zijne bevende hand te wijten. Eenige zijner kogels

waren zelfs over den rotswand, die de kloof begrensde, heengevlogen;

maar hadden gelukkig niemand der daarachter opgestelde Javanen gedeerd.

Het eigenaardig fluiten der projectielen uit zijne buks had dezen

evenwel beducht gemaakt; vandaar dan ook, dat zij wel wat te vroeg de

drijfjacht en hun spektakel gestaakt hadden.

„Roep jij hoerah?” vroeg Grenits vertoornd. „Ik geloof, dat jij niet in

de wieg gelegd werdt om een Nimrod te worden.”

„Het is beter zoo...” stamelde de lafaard, wiens lippen nog bleek van

angst waren.

„Maar het overschot der bende ontsnapt ons,” kreet Grenits. „Kom,

vooruit! Zij vluchten, wij moeten hen achterna! Geen enkele mag ons

ontsnappen. Jongens, vooruit! vooruit!”

Ook de andere jongelieden hadden zich teleurgesteld gevoeld bij dien

afloop. Op den kreet van Theodoor Grenits stoven allen vooruit met het

geweer in de hand de kloof in. Mokesuep evenwel bleef bedachtzaam

achter. Wel poogde de wedono hem meê te troonen met het aanmoedigend:

„lakas toean!” (vlug, mijnheer) maar de held maakte een afwijzend

gebaar, en bleef zijne makkers nakijken, totdat hij ze uit het oog

verloren had. Toen wierp hij het geweer met den bandelier over den

schouder, en sloeg het pad naar Banjoe Pahit in, terwijl hij mompelde:

„Het zou wat moois zijn, als ik met zulk vuil gedierte handgemeen werd!

Neen, ik wil zien, of ik niet een wit voetje bij de vrouw van den kok

van Verstork kan krijgen. Een aardig bekje!... dat vrouwtje!... Een

slimmert, die controleur!... Als ik hem eens onder zijn duiven kon

schieten!...”

Terwijl hij, zoo in zich zelven pratende, voorstapte, had hij den

boveningang van den Djoerang Pringapoes bereikt, en had toen een ruim

vergezicht over de terrasgewijs oploopende sawahvelden, die met hunne

bevloeide oppervlakten als zoovele spiegels in de zon glinsterden. Het

was nog niet laat, ternauwernood half acht. Hij keek rondom zich, maar

niet om de fraaie natuur te bewonderen. Voor zoo iets had zoo’n wezen

weinig gevoel. Neen, hij tuurde rondom zich met een gevoel van angst

over de eenzaamheid, waarin hij zich na al het spektakel van straks

bevond. O, hij hoorde nog wel geschreeuw en gegil in de verte,

waartusschen zich geweerschoten mengden; maar dat verwijderde zich al

meer en meer in de diepte van het ravijn, en het was eene betrekkelijke

stilte, die thans rondom hem heerschte. Hij keek uit met een gemengd

gevoel van verlangen, om toch een menschelijk wezen te ontwaren, en van

angst, dat hij Inlanders ontmoeten kon. Hij had toch zooveel van

„ketjoe’s” (roovers) gehoord, die wel eens de binnenlanden van sommige

streken van Java onveilig maakten. Ieder ander zou vertrouwen in het

geweer gesteld hebben, dat hij over den schouder droeg; maar daartoe

was hij van te lafhartigen aard.

Hij stapte bedachtzaam voort. Eenigszins verwijderd van hem, doch bij

den voetrand eener heuvelenrij, die noordwaarts van hem gelegen was,

maar zich nog bij het bergstelsel, dat den Djoerang Pringapoes vormde,

aansloot, bespeurde hij eene eenzaam staande hut, die in de struiken

der wildernis, welke zich tot daar uitstrekte, verscholen lag, en, in

welker nabijheid een paar buffels langs het pad liepen te grazen. Hij

zag nog verder rondom zich, en ziet, daar... op het pad, hetwelk uit

het noordwesten kwam, en zich over de dijkjes der rijstvelden

slingerde, zag hij iemand aankomen, die zich naar de hut scheen te

begeven. Hij keek scherp uit. Het was een vrouwelijk wezen, dat was

buiten kijf. Dat stelde hem gerust. Tegenover eene vrouw, en dan nog

wel tegenover eene Javaansche, voelde hij zich dapper. Hij zou haar

inwachten, naar omstandigheden een gesprek met haar aanknopen en dan

zoo gezamenlijk naar Banjoe Pahit gaan.

De naderende werd al meer en meer duidelijk, te midden der sawah’s,

waarboven hare omtrekken zich scherp voordeden en in de watervlakten

afspiegelden.

„Drommels, wat eene mooie meid!” mompelde hij verrukt, na een poos

uitgekeken te hebben. „Des te beter, met zoo’n lief kind zal het eene

zeer aangename wandeling zijn.”

Hij verrekende zich evenwel. Niet ver van de hut sloeg het meisje,—want

dat was het,—een zijpad in, hetwelk in zuidoostelijke richting langs de

sawah-terrassen afdaalde en naar Kaligaweh scheen te voeren. Dat stelde

hem teleur, en hij was op het punt om het lieve kind toe te roepen,

toen een Javaan plotseling uit de hut trad en het meisje wenkte.

„Drommels,” prevelde Mokesuep, „dat is Singomengolo, de opiumspion. Wat

komt die hier doen?”

Hij verstopte zich dadelijk achter eenige struiken, die langs den weg

stonden.

Inderdaad, het was Singomengolo, de ellendeling, die wij des avonds te

voren Kaligaweh hebben zien verlaten, om zich naar de eenzaam gelegen

hut te begeven. Nogmaals wenkte deze, en riep, toen dat gebaar

onopgemerkt bleef:

„Dalima!”

Het vrouwelijke wezen keerde zich om en, werkelijk het was de lieve

kleine baboe van de familie Van Gulpendam. Zij stond een oogenblik

stil, hoewel hare wezenstrekken onverholen angst uitdrukten, bij het

ontwaren van den opiumjager, die haar niet onbekend was. Maar dat

stilstaan duurde slechts een oogenblik; want dadelijk daarop wilde zij

met rappen voet voortmaken.

„Dalima!” klonk het andermaal. „Waarheen gaat gij?”

„Naar Kaligaweh,” antwoordde het meisje gejaagd.

„Kom eens hier,” riep haar Singomengolo toe.

„Ik heb geen tijd, ik moet naar mijn vader,” riep zij terug, terwijl

zij voortijlde.

„Kom toch hier. Er is iets met uw vader gebeurd.”

„Wat? Ja, ik weet het. Men heeft mij verteld, dat hij ziek is. Daarom

heb ik zoo’n haast.”

„Neen, uw vader is niet ziek. Het is veel erger.”

Het meisje stond eensklaps stil.

„Erger dan ziek?” vroeg zij. „Is hij dood?”

„Neen... veel erger.”

„Bij Allah! wat is er dan?”

„Kom hier, dan zal ik het vertellen. Het zijn zaken, die men zoo niet

uitschreeuwen kan.”

Dalima trad nader. Zij kwam de struiken, waarachter Mokesuep verscholen

zat, rakelings voorbij. Zij was zoo als gewoonlijk netjes gekleed,

droeg een gebloemde sarong om het middel, was verder met een baadje van

licht rooskleurig katoen getooid, terwijl over haren schouder een

ponceau roode zakdoek geslagen was, waaraan een bos sleutels, aan een

der punten geknoopt, bengelde. In den weelderigen gitzwarten „kondeh”

(haarwrong) droeg zij een dubbelde melati-bloem, [120] die daar te

midden van dat ebbenzwart als een wit roosje prijkte. Haar lief gelaat

vertoonde een zachten blos,—teweeggebracht door de morgenlucht, die,

hoewel niet koud, toch frisch was,—welk inkarnaat zich heerlijk aan het

zachte brons harer wangen paarde.

Geen dier bekoorlijkheden ontsnapte aan het ervaren oog van den

verscholen fiscalen ambtenaar. Hij had werkelijk in sommige gevallen

wel eenig gevoel voor het schoone; hoewel dat dan meestal booze

neigingen bij hem opwekte, en niet zelden tot misdadige ontwerpen

aanleiding gaf. Wie weet, wat er gebeurd zou zijn, wanneer hij alleen

met Dalima naar Banjoe Pahit voortgewandeld ware? Thans was de

tegenwoordigheid van Singomengolo voldoende, om hem te noodzaken zich

schuil te houden.

Toen het meisje de hut genaderd was, vroeg zij andermaal:

„Wat is er dan?”

„Kom maar binnen,” antwoorde de opiumjager, „dan zal ik u vertellen,

waarom uw vader gevangen is genomen.”

Dalima stiet plotseling een kreet uit. Singomengolo verbeeldde zich,

dat het uit wanhoop was over de tijding, die hij zoo onbewimpeld

mededeelde. Maar eensklaps draaide het Javaansche meisje zich om, en

wilde heenvluchten.

Zij had Lim Ho door de reet der deur ontwaard, die haar met van

hartstocht glinsterende oogen aanstaarde. Toen begreep zij alles. Zij

keerde om en ijlde heen; maar nog had zij geen tien passen afgelegd, of

Singomengolo, die haar dadelijk nazette, had haar ingehaald. Hij greep

haar bij de polsen en trachtte haar met zich voort te trekken. Het

meisje verzette zich hevig; zij gilde om hulp; zij trapte en schopte

naar haren belager en poogde hem in de handen te bijten, die hare armen

omkneld hielden. In één woord, zij stelde zich te weer als eene wilde

kat, en was vast besloten, zich tot het uiterste te verdedigen.

Inmiddels had zij hoop, dat haar hulpgeschreeuw gehoord zou worden. Zij

had toch een blanken man op het pad gezien, dat het hare kruiste.

Ieder ander dan Mokesuep zou het arme kind te hulp gesneld zijn. Wie

weet, waartoe hij zich zou hebben laten verleiden, niet uit een gevoel

van meêwarigheid of ridderlijkheid; maar wel met de hoop op... Ja,

waarop? In het brein van zulke wezens ontkiemen de onedelste gedachten,

even als vergiftigde paddestoelen op een onreinen bodem. Maar,... ook

hij had het van laaghartige hartstochten blakende gelaat van Lim Ho

ontwaard. Hij begreep, wat er om handen was, en besloot zich stil te

houden, om van de omstandigheden zooveel mogelijk partij te trekken.

Lim Ho’s vader was toch onmetelijk rijk en zou, wanneer het zijn eigen

zoon gold, op geen papiertje van duizend gulden zien. Arme Dalima!

Wanhopig stelde zij zich te weer; hartverscheurend klonk haar:

„toeloeng! toeloeng!” (te hulp! te hulp!) Niets baatte. De aterling,

die haar helpen kon, hield zich schuil, zag de worsteling met een

cynisch oog aan, en vermeidde zich in het beschouwen harer vormen, die

bij de worsteling niet altijd bedekt bleven, en door hem met

welgevallen gedetailleerd werden.

Toen die heillooze worsteling een poos geduurd had, en Singomengolo er

aan wanhoopte, het meisje verder voort te sleuren, riep hij Lim Ho te

hulp. Deze kwam naar buiten, en wilde haar in zijne armen klemmen, en

zoo verder dragen. Toen hij evenwel bij die poging een vinnigen beet in

het oor kreeg, werd de ellendeling woedend; hij greep haren kondeh, die

reeds bij de worsteling gedeeltelijk losgeraakt was, en zich nu geheel

ontrolde, sloeg den weelderigen haarwrong om de hand en sleepte nu,

terwijl Singomengolo steeds hare handen stevig vasthield, het meisje

binnen de hut. Lang nog liet zich het akelig gegil van: „toeloeng!....

toeloeng, toean!” hooren, maar dat verstomde langzamerhand. Heel in de

verte klonken geweerschoten, evenwel zoo zwak, dat, al had het meisje

die ook in de hitte van den strijd vernomen, zij wel begrijpen moest,

hare stem op dien afstand niet gehoord zoude worden, en dat de hulp,

wanneer die opdaagde, te laat zou komen.

Hoe kwam Dalima daar in dat morgenuur op die noodlottige plek?

De lezer zal zich herinneren, dat Singomengolo, na zijne heldendaad in

de dèsa Kaligaweh uitgevoerd te hebben, zich op weg naar de eenzame hut

begeven, en den bewoner daarvan naar Santjoemeh gezonden had. Deze

laatste had twee boodschappen te verrichten. Hij moest eerst een

briefje aan Lim Ho eigenhandig bezorgen; daarna moest hij naar het

residentiehuis gaan, om Dalima mede te deelen, dat haar vader

plotseling bedenkelijk ziek was geworden, en hij haar nog voor het

laatst wenschte te zien. De boodschapper, een slimme kerel, steeg op

een dier kleine maar onvermoeibare Javaansche paarden, die met hunne

stalen spieren onbegrijpelijk snel groote afstanden kunnen afleggen.

Het was omstreeks elf uren, toen hij bij de sierlijke woning van babah

Lim Yang Bing stil hield. Hij trof het bizonder goed; want daar

ondervond hij geen oponthoud. Lim Ho lag behagelijk op eene weelderige

rustbank uitgestrekt, met het lange Chineesche pijpenroer in den mond,

met een kommetje „tjoe” [121] op een knaapje bij zich, en luisterde met

een soort verrukking naar een paar zijner bedienden, zonen van het

Hemelsche rijk evenals hij, die, met overeengeslagen beenen op een

stoel gezeten, op de „trauwkoei” (soort tweesnarige viool) speelden, en

aan dat instrument de meest erbarmelijke tonen ontlokten, die niet

alleen een Vieuxtemps of een Paganini, maar zelfs al de katers uit de

buurt, die anders op het gebied van muzikalisch gevoel niet zeer

kieskeurig uitgevallen waren, op de vlucht zouden gedreven hebben.

Zoodra Lim Ho den boodschapper ontwaardde, vloog hij van den divan op,

greep het briefje, opende het, en las slechts deze weinige woorden, die

een ervaren telegraaf-correspondent alle eer zouden aangedaan hebben:

„Samoewa sedia! Di sini poekoel toedjoeh pagi pagi.” (Alles klaar! Hier

zijn om zeven uur in den ochtend).

De Chinees greep zijn horloge, keek hoe laat en vroeg aan den

boodschapper welk weer het was.

„Boelang trang, babah,” (heldere maneschijn, babah) was het antwoord.

Lim Ho wierp hem een rijksdaalder toe, en gaf hem zijn afscheid, met de

aanbeveling zijn tweede boodschap goed uit te voeren, en den uitslag te

komen berichten. Daarna deed hij zijn paard zadelen en wachtte.

In het residentiehuis viel het den boodschapper niet zoo gemakkelijk

zich van zijnen last te kwijten. Wel zaten de hoofdambtenaar en zijne

gade met nog ettelijke gasten rondom de speeltafeltjes; maar de dochter

des huizes, de lieve Anna, was reeds naar haar slaapvertrek gegaan, en

had ook aan hare baboe verlof gegeven, om te gaan rusten. De

boodschapper ging naar het achtererf en verkreeg eindelijk van een der

bedienden, dien hij daar aantrof, dat deze Dalima zou gaan wekken.

Het meisje was wanhopig, toen zij vernam, dat haar vader stervende was.

Zij vloog de pandoppo binnen, en snelde naar het slaapvertrek harer

meesteres, die gelukkig nog niet te bed was.

„Nana, minta permissie,” ik vraag verlof mompelde zij opgewonden, toen

Anna de deur opengemaakt had.

„Kom, bedaar. Wat is er gaande?” vroeg het jonge Europeesche meisje,

die de ontsteltenis van Dalima opmerkte en haar trachtte te bedaren.

De baboe verhaalde daarop, dat een man van Kaligaweh was aangekomen, en

haar had medegedeeld, dat haar vader stervende was, en verzocht zijne

oudste dochter nogmaals te zien.

„O, Nana,” smeekte Dalima, „geef mij permissie, om naar huis te gaan!

„Maar, Dalima, hoe laat is het thans?”

En op eene smaakvolle pendule kijkende, die op eene console stond,

vervolgde zij.

„Bijna middernacht!... Dat gaat niet. Hoe zult gij in het donker zoo

ver durven gaan?”

„Nana weet, dat ik zeer moedig ben. Ik ken den weg. Ik zal het bergpad

inslaan. Daarop ontmoet ik geen mensch.”

„Maar, het is juist die eenzaamheid, welke ik vrees. Gij kunt een

tijger of een tjelleng tegenkomen.”

„Och, Nana, tijgers zijn er niet in de buurt. Anders zou men er wel van

gehoord hebben. En voor een tjelleng ben ik niet bang. Als men dien

niet aanvalt, gaat hij voor een mensch op den loop. Toe, Nana, geef mij

verlof! Ik ben morgen avond weer bij u.”

„Ik durf niet, Dalima. Wat zal mama zeggen?”

„Och, Nana,” kreet de kleine baboe in wanhoop, „gaat gij uwe mama

vragen.”

„Zij doet het toch niet.”

„Waarom niet?”

„Zij zal even als ik vreezen, dat u in den donkeren nacht een ongeluk

zal overkomen. Hoe zult ge toch zoo iets durven, Dalima?”

„Mijn vader is stervende; hij wil mij nog eens zien! Zie, Nana, dat

geeft mij moed. Ik zou naar Kaligaweh gaan, al ware de weg vol

„pontianaks,” (spoken) al ware er achter iederen boom een. En toch ben

ik voor spoken banger dan voor dieren of menschen. Nana, ik smeek u,

vraag uwe mama!”

„Ik zal het doen; maar gij zult zien, dat het niets geven zal.”

Anna schoot van den divan af, waarop zij zat, toen Dalima, aangeklopt

had, en waarop zij weder na haar binnenkomen met op Inlandsche wijze

gekruiste beenen plaats genomen had, en stak de reeds ontbloote voetjes

in de snoeperige slofjes, die achteloos ter neer geworpen waren. Het

lieve meisje was reeds in sarong en kabaai; maar om het even: zij trok

snel een rijk gefestonneerden peignoir aan, bond zich met vlugge en

bevallige beweging het reeds loshangende hoofdhaar in een dikken wrong

tegen het achterhoofd, en spoedde naar de voorgalerij, waar de spelers

nog met hun partijtje bezig waren. Tot groote verwondering van het

lieve kind willigde de schoone Laurentia dadelijk het gedane verzoek

in; maar beval, dat baboe Dalima nog eerst eenig naaiwerk zou

verrichten, hetgeen zij noodzakelijk den volgenden dag zou moeten

afmaken. Neen, mevrouw Van Gulpendam, behoorlijk door ’Mbok Karjå op de

hoogte gehouden, had er niets tegen, dat Dalima naar Kaligaweh ging.

Zij vond het zelfs prijzenswaardig in dat Javaansche meisje, dat zij

zooveel van hare ouders hield. Een honigzoete glimlach teekende zich op

haar gelaat, terwijl zij die woorden sprak, en niemand, en wel het

allerminst hare reine en onschuldige dochter kon gissen, welken afgrond

die woorden en glimlach verborgen.

Anna bracht verheugd die boodschap harer moeder aan Dalima over, en in

de goedheid haars harten besteedde zij een groot gedeelte harer

nachtrust, om de baboe bij haar naaiwerk te helpen. Met het stellen van

dien eisch had de schoone Laurentia beoogd, dat Dalima niet in het

holle van den nacht, en derhalve waarschijnlijk ongemerkt de

noodlottige hut zou voorbij stappen. Door Anna ijverig geholpen, was

het de baboe mogelijk om zoo omstreeks drie uren den tocht te

aanvaarden. Na nog een groet met hare jeugdige meesteres gewisseld te

hebben, stapte zij het achtererf van het residentiehuis door, en

verliet den tuin middels een sleutel, die Anna haar verschaft had. Zij

bevond zich toen op het pad, dat dwars door de heuvelen en daarna door

de sawahs naar Kaligaweh voerde. De maan stond helder aan den hemel.

Moedig en vastberaden stapte zij voort, en had weldra Santjoemeh uit

het oog verloren, terwijl geen enkele gedachte aan eenig gevaar haar

brein kwelde, of haar hart verontrustte.

Lim Ho, had van den boodschapper behoorlijk bericht ontvangen, dat de

lieve baboe de gefingeerde tijding van het stervensgevaar, waarin haar

vader zou verkeeren,—de lezer weet, dat den armen Setrosmito een andere

ramp trof,—vernomen had.

„Baai,” (het is goed) sprak hij tevreden, „gij zult wel moede zijn en

niet wenschen naar de hut bij den djoerang terug te keeren, niet waar?”

„Engèh, babah,” was het antwoord.

„Welnu, men zal u hier eene „tampat tidor” (slaapplaats) aanwijzen, dan

kunt ge uitrusten. Morgen zal ik uwe moeite verder beloonen.”

Toen de boodschapper verdwenen was, keek Lim Ho op zijn horloge.

„Ampar poekoel satoe!” (bijna een uur) mompelde hij, binnensmonds. En

overluid vroeg hij natuurlijk in zijn landtaal:

„Than Loa, is het paard reeds gezadeld?”

Hij kreeg een paar Chineesche woorden ten antwoord. Daarop stond hij

op, zette een soort muts zonder klep op, die in vorm niet ongelijk aan

een Schotsch hoofddeksel was, greep eene karwats, trad naar buiten, en

wipte in het zadel.

„Niet gaan slapen; wakker blijven!” beval hij zijne getrouwen aan.

En den teugel vierende, was hij zeer spoedig uit het oog der naturende

bedienden verdwenen.

Wel was de groote weg naar Kaligaweh, dien hij volgde veel langer dan

het voetpad, hetwelk Dalima een paar uren later zou inslaan. Maar door

zoo vroeg te vertrekken, zou hij reeds dadelijk een grooten voorsprong

op haar verkrijgen. Hij kon evenwel niet weten, dat zij, alvorens naar

haren vader te kunnen ijlen, nog naaiwerk te verrichten zoude hebben,

en meende integendeel, dat zij dadelijk vertrokken zou zijn. Zijn

paard, een bastaard-Perziaan was echter een uitmuntende klepper, die

hem wel spoedig en vóór Dalima ter gemelde plaats zou brengen.

Het was ongeveer half vier, toen hij bij de hut aankwam, waar

Singomengolo hem wachtte.

Beiden zaten nu den aanslag te beramen en te bespreken, die volgen

moest, waarbij Lim Ho veel ongeduld toonde over het lang uitblijven van

Dalima. Onder dat gekout brak eindelijk de dag aan, en was weldra

zoover gevorderd, dat de zonsopgang nabij was, toen plotseling heel in

de verte een vreeselijk gegil en een geratel en geklep vernomen werd,

alsof de wereld vergaan moest. Lim Ho vloog van het matje op, waarop

hij naast den opiumjager gehurkt zat.

„Wat zou dat te beduiden hebben?” vroeg hij ontsteld.

„Och,” antwoordde Singomengolo bedaard, „de toean controleur van Banjoe

Pahit heeft eene varkensjacht georganiseerd, en nu beginnen de

dèsalieden van die plaats en van Kaligaweh de drijfjacht.”

„Hoe weet gij dat?”

„Ik was gisteren te Kaligaweh, en ontmoette daar zelfs den toean

controleur met zijn gezelschap, die de voorbereidende maatregelen voor

de jacht kwamen nemen.”

„Te Kaligaweh?...”

„Ja, babah. Ik was daar, om den ouden Setrosmito op opiumsmokkelarij te

betrappen,” antwoordde de Javaan met een gemeenen grijnslach.

„Dat’s waar ook.”

Lim Ho sprak die woorden uit op een toon, alsof die opiumjacht, welke

toch den vader van zijn slachtoffer uit den weg moest ruimen, hem

geheel en al ontgaan was.

„En hebt ge opium gevonden?” vroeg hij verder.

„Zeker, babah! Ik vind altijd opium; dat weet gij wel!”

„Ja, gij zijt een slimme vent,” antwoordde Lim Ho lachende. „Dus de

vader van Dalima is voor ettelijke weken goed verzorgd.”

„O, langer als voor enkele weken!”

„Langer? Is er dan iets gebeurd?”

„Setrosmito heeft amokh gemaakt, en daarbij uw landsman Khouw Wantjiang

neêrgestooten, en een politiedienaar gewond. Het scheelde weinig, of ik

was er ook om koud. Maar ik poetste hem bij tijds.”

Lim Ho wreef zich de handen.

„Zoodat....” vroeg hij.

„Zoodat,” ging Singomengolo voort, „de vader van Dalima, als hij niet

opgehangen wordt, wel tot levenslangen dwangarbeid zal veroordeeld

worden.”

„Dat’s knapjes uitgevoerd,” zei Lim Ho, zich steeds de handen

wrijvende. „Maar... wat is dat?”

Geweerschoten werden vernomen. De jacht op de wilde zwijnen was

begonnen.

„O, dat zijn de blanke jagers, die in den Djoerang Pringapoes op

tjellengs schieten. Dat Allah hunne jacht zegene!”

„Maar zouden die blanda’s ons niet kunnen hinderen. Het ravijn is niet

ver hier van daan.”

„Die toeans zijn te druk met hunne jacht bezig, dan dat zij aan andere

beuzelingen hunne aandacht zullen wijden. Ik hoor ze liever daar in de

nabijheid in den Djoerang Pringapoes naar hartelust schieten, dan dat

ze op hunne kantoren zitten te schrijven. Een blanke met de pen in de

hand is meer te vreezen, en ook gevaarlijker dan met een geweer

gewapend.”

Zoo zaten zij te kouten, en naar het verwijderde jachtrumoer te

luisteren. De tijd vloog heen.

„Dalima komt maar niet,” zuchtte Lim Ho ongeduldig.

„Jawel, daar ginds zie ik op het pad tusschen de sawahs iemand naderen.

Dat kan niemand anders zijn dan zij.”

„Kijk, kijk, daar uit het ravijn komt een blanda!” riep Lim Ho uit. „Nu

is alles verloren!”

Singomengolo keek uit, en bromde eene verwensching tusschen de tanden,

toen hij zag, dat de Chinees waarheid sprak.

Hij tuurde, tuurde; maar kon zich maar geen rekenschap geven, wie dat

zijn kon. Dien toean had hij den vorigen avond niet te Kaligaweh

gezien. Het was toch een jager, want hij had een geweer in de hand, en

kwam van den kant van het ravijn en volgde het pad, dat langs de hut

voerde.... En niet ver van de hut zou die ongeluksvogel zich met Dalima

kruisen!... Het was om des duivels te worden!... Alle maatregelen waren

zoo goed genomen!.... En.... nu.... door dien ellendige!....

„Maar.....” riep Lim Ho eensklaps verheugd uit. „Het is „toean kapala

tikoes”, die daar komt. Nu, geen nood! Dien ken ik. Gij moet straks de

baboe maar roepen. Ik zal het wel met den blanke afmaken.”

Lim Ho had den toean herkend, die door de meeste bewoners van

Santjoemeh Muizenkop geheeten werd, welken naam door grappenmakers in

„kapala tikoes” (kapala = hoofd en tikoes = muis) vertaald was. Nu

herkende Singomengolo den fiscalen ambtenaar ook, en begreep dat hunne

snoode plannen niet veel gevaar liepen. „Perkara oeang sadja,” (eene

geldkwestie slechts) zei hij met beteekenisvollen blik op den Chinees.

Toen Dalima, op het kruispunt gekomen, het pad van Kaligaweh, wilde

inslaan, trad de Javaan naar buiten om haar te roepen, en zag hij den

blanke zich ijlings achter de struiken verschuilen. Op dat gezicht

waren de beide aterlingen geheel en al gerustgesteld, en had de aanslag

het aanvankelijk verloop, dat de lezer kent.

Had Mokesuep ook al eenige aanvechting gevoeld, om bij den aanslag op

het lieve meisje als redder op te treden, dan werd dat betere gevoel

door het verschijnen van Lim Ho op de plaats der worsteling geheel

verstikt.

Glimlachend verstopte de ellendeling zich nog nauwkeuriger achter de

struiken en prevelde:

„Drommels! vrouw Fortuna reikt mij de hand. Ik moest een ezel zijn haar

af te wijzen.”

Inmiddels stierf het hulpgeschrei van Dalima, afgestreden en uitgeput

als het arme meisje was, met hare krachten weg.

„Toeloeng!... Toeloeng, toean! toeloeng!” was de laatste schelle kreet,

die door de eenzame landstreek weerklonk. Geen ander antwoord kwam

daarop, helaas! dan een flink onderhouden geweervuur in de verte.

Baboe Dalima · 第 46 / 94 题