Een karakteristieke trek van de vereering van dezen god onder de
Franken en eenige andere Noorsche volken was dat de priesters,
die Druids of Godi heetten, menschenoffers brachten op hun altaren,
terwijl zij aan een van de kanten van de ruggegraat hunner slachtoffers
een diepe insnijding maakten, er de ribben, die van binnen waren
losgerukt, uithaalden, en door de dus gemaakte opening de ingewanden
uittrokken. Natuurlijk werden alleen krijgsgevangenen zoo behandeld,
en het werd als een zaak van eer beschouwd bij de noord-europeesche
stammen, dat men deze marteling zonder klacht doorstond. Deze offers
werden gebracht op ruwe steenen altaren die dolmens heetten, en die
men in Noord-Europa nog kan zien. Daar Tyr beschouwd werd als de
beschermgod van het zwaard moest men, noodzakelijk het teeken of de
rune, die hem voorstelde, op het staal van ieder zwaard graveeren--een
regel welken de Edda allen inprentte die verlangend waren naar het
behalen van overwinning.
"Sig-runes moet gij kennen
Als gij zege (sigr) hebben wilt,
En op uw zwaardstaal drijf ze;
Enk'le op de scheê,
Enk'le op 't gevest,
En tweemaal den naam van Tyr".
Lied van Sigdrifa.
Tyr was dezelfde als de Saksische god Saxnot (van sax, een zwaard)
als Er, Heru, of Cheru, de opperste god der Cheruski, die hem ook
als den god der zon beschouwden, en in zijn schitterend zwaardstaal
een beeld van zijn stralen zagen.
Dit zwaard is zelf een straal van licht,
Der zon ontrukt.
Valhalla (J. G. Jones).
Tyrs zwaard.
Volgens een oude legende werd Cheru's zwaard, dat door dezelfde
dwergen vervaardigd was, die ook Odins speer gemaakt hadden, voor
zeer heilig gehouden door zijn volk, waaraan hij het te bewaren
had gegeven, zeggende dat zij, die het hadden, zeker hunne vijanden
zouden overwinnen. Maar ofschoon het zorgvuldig behoed werd in den
tempel, waar het zóó was opgehangen dat het de eerste stralen van
de ochtendzon weerkaatste, verdween het op een nacht plotseling en
op een geheimzinnige wijs. Een Vala, druïdes of profetes, door de
priesters geraadpleegd, openbaarde dat de Nornen hadden besloten,
dat wie het voerde de wereld zou veroveren en er door sterven zou;
maar trots alle pogingen weigerde zij zeggen wie het had weggenomen of
waar men het kon vinden. Eenigen tijd nadat dit niet gebeurd was, kwam
een forsch en waardig uitziend vreemdeling te Keulen, waar Vitellius,
de Romeinsche prefect, feestvierde, en riep hem van zijn geliefde
lekkere spijzen af. In tegenwoordigheid van de Romeinsche soldaten
gaf hij hem het zwaard, zeggende dat het hem roem en faam zou brengen,
en begroette hem ten slotte als keizer. De kreet werd overgenomen door
de verzamelde legioenen, en Vitellius was tot keizer van Rome gekozen,
zonder dat hij persoonlijk één poging had gedaan om deze eer deelachtig
te worden. De nieuwe heerscher was echter zóó overgegeven aan zijn
hartstocht van eten en drinken, dat hij aan het heilige wapen slechts
weinig aandacht schonk. Op zekeren dag, toen hij met niet veel haast
naar Rome trok, liet hij het zorgeloos hangen in de voorkamer van
zijn paviljoen. Een Germaansch soldaat nam de kans waar om het voor
zijn eigen roestig zwaard te ruilen, en de verdwaasde keizer merkte
de ruiling niet. Toen hij te Rome kwam, hoorde hij dat de Oostelijke
legioenen Vespasianus tot keizer hadden uitgeroepen, en dat deze toen
juist onderweg was om zijn aanspraken te doen gelden op den troon.
Vitellius zocht nu naar het heilig wapen om zijn rechten te verdedigen,
maar ontdekte den diefstal en, overmand door bijgeloovige vrees,
waagde hij het niet eens te vechten. Hij kroop weg in een donkeren
hoek van zijn paleis, waaruit hij met schande werd weggesleept door
het verwoede volk naar den voet van den Capitolijnschen heuvel. Daar
werd de profetie geheel vervuld, want de Germaansche soldaat, die zich
bij de tegenpartij had aangesloten, kwam op dat oogenblik voorbij en
sloeg Vitellius' hoofd af met het heilig zwaard.
De Germaansche soldaat ging nu van het eene legioen naar het andere,
en doorreisde vele landen; maar waar hij en zijn zwaard ook toefden,
was de overwinning.
Nadat hij groote eer en onderscheiding had verworven, trok deze man,
die oud geworden was, zich van den actieven dienst aan de oevers van
den Donau terug, en begroef daar in het geheim zijn kostbaar wapen,
terwijl hij zijn hut boven de plaats bouwde waar het lag om het,
zoolang hij leefde, te bewaken. Toen hij op zijn sterfbed lag, vroeg
men hem te zeggen waar hij het verborgen had, maar hij weigerde dit
beslist, zeggende dat het zou gevonden worden door den man, wiens
bestemming het was over de wereld te heerschen, maar dat hij niet
den vloek zou kunnen ontgaan. Jaren gingen voorbij. Golf na golf
stroomde het getij van barbaren-invallen over dat deel van het land,
en het laatst van allen kwamen de vreeslijke Hunnen, onder aanvoering
van Attila, den "Geesel Gods." Toen hij langs de rivier kwam, zag
hij een boer bedroefd den poot van zijn koe onderzoeken, die gewond
was door een scherp instrument, in het lange gras verborgen, en toen
men nasporing deed, vond men de punt van een begraven zwaard uit den
grond steken.
Toen Attila het mooie werk en den goeden staat van dit wapen zag, riep
hij dadelijk uit dat het Cherus' zwaard was, en terwijl hij het boven
zijn hoofd zwaaide zeide hij dat hij de wereld zou veroveren. Gevecht
na gevecht werd door de Hunnen bevochten, die, volgens de sagen,
altijd zegevierden, totdat Attila genoeg had van den oorlog en zich in
Hongarije neerliet, en de schoone Bourgondische prinses Ildico trouwde,
wier vader hij verslagen had. Deze prinses, boos om den moord van haar
bloedverwant en dien willende wreken, maakte gebruik van 's konings
dronkenschap op den avond van zijn huwelijk om het goddelijk zwaard
zich toe te eigenen, waarmee zij hem in zijn bed neersloeg, opnieuw
de profetie vervullend die zoovele jaren te voren was uitgesproken.
Het tooverzwaard verdween weer langen tijd om nog eens te worden
opgedolven, voor den laatsten keer, door den hertog van Alva, den
generaal van Karel V, die kort daarop de overwinning bij Mühlberg
behaalde (1547). De Franken waren gewoon jaarlijks krijgsspelen te
houden ter eere van het zwaard; maar men zegt dat toen de heidensche
goden ten bate van het Christendom waren afgezworen, de priesters
velen hunner attributen op de heiligen overbrachten en dat dit
zwaard het eigendom werd van den Aartsengel St. Michael, die het
sinds altijd droeg.
Tyr, wiens naam synoniem was met dapperheid en wijsheid, werd door
het oude Noorsche volk ook beschouwd als de witarmige Valkyren, Odins
bodinnen, onder zijn bevel te hebben, en men dacht dat hij het was
die de krijgslieden uitzocht welke zij moeten overbrengen naar het
Valhalla om de goden te helpen op den laatsten dag.
De god Tyr zond
Gondul en Skogul
Om te kiezen een vorst
Uit het ras van Ingve,
Om te wonen met Odin
In het ruime Valhal.
Noorsche Mythologie (R. B. Anderson).
De geschiedenis van Fenris.
Men sprak doorgaans van Tyr als van den eenarmige en beeldde hem zoo
af, juist als men Odin een-oogig noemde. Verschillende verklaringen
worden door verschillende autoriteiten gegeven, sommigen beweren dat
het was omdat hij de overwinning slechts aan één kant kon geven;
anderen omdat een zwaard slechts één lemmer heeft. Hoe dit zij,
de ouden verklaarden het feit liever op de volgende wijze:
Loki huwde in het geheim te Jötun-heim de leelijke reuzin Angur-boda
(angst-spellende) die hem drie monsterachtige kinderen schonk--den wolf
Fenris, Hel, de bontgekleurde godin van den dood, en Iörmungandr,
een vreeselijke slang. Hij hield het bestaan van deze monsters
zoolang geheim als hij kon; maar zij werden weldra zóó groot dat
zij niet langer konden opgesloten blijven in het hol waar zij het
licht hadden gezien. Odin merkte van zijn troon Hlidskialf, weldra
hun bestaan, en ook de onrustbarende snelheid waarmee zij in omvang
toenamen. Bang dat de monsters, wanneer zij sterker waren geworden,
een inval in Asgard zouden doen en de goden vernietigen, besloot
Alvader zich van hen te ontdoen, en ging naar Jötun-heim, waar hij
Hel in de diepten van Nevelheim wierp, met de woorden dat zij over
de negen leelijke werelden der dooden kon heerschen. Daarna wierp hij
Iörmungandr in zee, waar hij zulke reusachtige afmetingen aannam, dat
hij ten slotte de aarde omgordde en in zijn eigen staart kon bijten.
Geworpen in den duisteren zeegrond
Groeide de slang naar echten reuzenaard
Om heel de wereld lag zij en in haar mond
Hield ze, in cirkelvorm, haar staart,
Toch bleef zij stil
Op Odins wil.
Valhalla (J. C. Jones).
Volstrekt niet blij dat de slang zoo vreeslijke afmetingen zou aannemen
in haar nieuw element, besloot Odin Fenris naar Asgard te brengen,
waar hij hoopte, door vriendelijke behandeling, hem tot zachtheid te
stemmen. Maar de goden huiverden allen van schrik toen zij den wolf
zagen, en geen durfde nader komen om hem voedsel te geven, behalve Tyr,
die voor niets bang was. Ziende dat Fenris dagelijks toenam in omvang,
kracht, vraatzucht en overmoed, belegden de goden een vergadering om
te bepraten hoe zij het best van hem af konden komen. Zij besloten
eenstemmig dat, daar hem te dooden een ontwijden zou zijn van hun
vreedzame woonplaats, zij hem vast zouden binden zoodat hij hun geen
kwaad kon doen.
Met dat doel voor oogen, kregen zij een sterken ketting, Leiding
geheeten, en stelden toen Fenris in scherts voor dien hem om te binden
om zijn vermeende kracht te beproeven. Vertrouwend dat hij zich zelf
zou kunnen bevrijden, stond Fenris gewillig toe dat zij hem zouden
vastbinden, en toen allen er bij stonden, strekte hij zich uit met
geweldige inspanning en brak den ketting gemakkelijk in tweeën.
Terwijl zij hun spijt verborgen, prezen de goden zijn kracht zeer,
maar zij brachten daarop een veel sterker ketting, Droma, dien,
na eenige overreding, de wolf zich als te voren liet aandoen. Weer
was een korte, sterke worsteling voldoende zijn boei te breken, en
het is in het noorden een spreekwoordelijke uitdrukking geworden:
"los te komen uit Leiding," en "zich vrij te maken van Droma,"
wanneer men groote moeilijkheden moet te boven komen.
Weer trachtten d' Aesir hem te binden;
Weer moesten zij 't vergeefs bevinden;
IJzer of koper hielp geen zier,
Sterker tooverkunsten pasten hier.
Valhalla (J. C. Jones).
Toen de goden nu merkten dat de gewone kettingen, hoe sterk ook,
niets zouden uitwerken tegen de groote kracht van den wolf Fenris,
droegen zij Skirnir, Frey's knecht, op naar Svart-alva-heim te gaan
en de dwergen een keten te laten maken dien niemand van elkaar zou
kunnen krijgen.
Door tooverkunsten vervaardigden de elfen een dun zijden koord van
zoo ontastbare stoffen als het geluid van de stappen eener kat,
den baard van een vrouw, de wortelen van een berg, de verlangens van
den beer, de stem van de visschen en het speeksel van de vogels, en
toen het klaar was, gaven zij het aan Skirnir met de verzekering dat
geen kracht het zou kunnen breken, en dat, hoe meer men er aan trok,
het te sterker worden zou.
Gleipnir, bedocht
Door d' Elfen, gewrocht
In Svart-alf-heim, door felle toovermacht,
Werd tot Odin door Skirnir gebracht:
Zoo zacht als zij, zoo licht als lucht,
Was het van tooverkracht geducht.
Valhalla (J. C Jones).
Gewapend met dit koord, dat Gleipnir heette, gingen de goden met Fenris
naar het eiland Lyngvi, midden in het meer Amsvartnir, en stelden hem
weer voor, zijn kracht te beproeven. Maar ofschoon Fenris nog sterker
was geworden, wantrouwde hij het koord dat er zoo dun uitzag. Hij
wilde zich dus niet laten binden, tenzij een van de Aesir zijn hand in
zijn mond wou steken en ze er in laten als pand van hun goede trouw,
en dat tegen hem geen tooverkunsten zouden worden aangewend.
De goden hoorden de beslissing met teleurstelling, en allen deinsden
terug, behalve Tyr, die, ziende dat de anderen niet durfden ingaan
op deze voorwaarde, moedig aanstapte en zijn hand tusschen de
kaken van het monster hield. De goden bonden Gleipnir nu vast om
Fenris nek en pooten, en toen zij zagen dat zijn uiterste pogingen
om zich te bevrijden vruchteloos waren, schreeuwden en lachten zij
van plezier. Tyr kon echter hun vreugde niet deelen, want de wolf,
bespeurende dat hij gevangen was, beet de hand van den god af bij
het gewricht, dat sedert bekend staat als het wolfsgewricht.
Loki. Wees stil, Tyr!
Gij kunt nooit beginnen
Een tweegevecht;
Van uw rechterhand moet ik
Ook melding maken
Die u Fenris ontnam.
Tyr. Ik mis een hand slechts,
Maar gij goeden naam;
Droef is beider gemis,
Niet op zijn gemak is de wolf:
Hij moet blijven in boeien
Tot den val der goden.
Saemunds Edda.
Beroofd van zijn rechterhand, was Tyr nu genoodzaakt den verminkten
arm voor zijn schild te gebruiken, en zijn zwaard te zwaaien met zijn
linkerhand; maar zijn handigheid was zóó groot dat hij zijn vijanden
als te voren versloeg.
Trots de tegenstribbelingen van den wolf trokken de goden het eind
van het koord Gelgia door de rots Gioll, en maakten het vast aan den
steen Thviti, die diep in den grond werd gelaten. Zijn vreeslijke
kaken wijd opensperrend uitte Fenris een zóó ontzettend gehuil,
dat de goden, om hem te doen zwijgen, een zwaard in zijn bek staken,
waarvan het gevest rustte op zijn benedenkaak en de punt tegen zijn
gehemelte. Het bloed kwam toen in zulke stroomen te voorschijn dat
het een groote rivier vormde, die Von werd genoemd. De wolf moest
zoo tot den laatsten dag geketend blijven, wanneer hij zijn boeien
zou verbreken en vrij zou zijn om het hem aangedane te wreken.
De wolf Fenris,
Van de boei ontdaan,
Zal zwerven op aarde.
Doods-lied van Hâkon.
Terwijl sommige mythologen in deze mythen een beeld van de misdaad zien
die bedwongen wordt en onschadelijk gemaakt door de kracht der wet,
zien anderen er in het onderaardsche vuur, dat, in boeien geslagen,
niemand iets kan doen, maar als het ontketend is de wereld vervult met
verwoesting en ellende. Evenals het heet dat Odins tweede oog rust
in Mimirs bron, zoo vindt men Tyrs tweede hand (zwaard) in Fenris'
kaken. Hij heeft niet meer behoefte aan twee wapenen dan de lucht
aan twee zonnen.
De dienst van Tyr wordt vermeld in verschillende plaatsen (zooals
Tübingen, in Duitschland) die meer of min gewijzigde vormen van zijn
naam dragen. De naam is ook gegeven aan de monnikskap, een plant die
in noordelijke landen bekend is als "Tyrs helm".