28a. Bloeiwijzen een pluim, min of meer gedrongen. Kelk kort,
blijvend. Bloemkroon buisvormig, soms zeer lang, met korte zoom, in
de keel dicht behaard, 4-6-tallig. Bessen met 4-6 pitten. Heesters
of boomen, met meest behaarde bladeren Isertia.
28b. Bloeiwijze verlengd tot een losse aar. Kelk
bekervormig. Bloemkroon trechter- of schotelvormig, van boven meest
verwijd. Vruchtbeginsel 2-4-hokkig. Bes bolvormig met 2-4 meerzadige
pitten, vaak maar weinig vleezig Gonzalagunia.
29a. Kleine kruipende kruiden. Kelkslippen 4 (zelden 5) bijna tot
aan de basis vrij, blijvend. Bloemkroon trechtervormig, in den
keel behaard. Vruchtbeginsel 2-hokkig, stijl 2-spletig. Vrucht
bolvormig. Bloemen dicht gedrongen aan het eind van de steel
Coccocypselum.
29b. Klimmende forsche kruiden met dichte beharing. Kelkslippen 4-5,
nogal breed en groot. Vruchtbeginsel 3-5-hokkig; stijl 3-5-spletig
Sabicea.
30a. Bloemkroon met een opvallend lange buis, van 5 tot 25 c.M.;
bloemen tweeslachtig 31
30b. Bloemen klein, hoogstens 2 c.M. groot; bloemen meest éénslachtig
34
31a. Bloemknoppen scheef ten opzichte van de buis, daardoor de bloem
een weinig zijdelings-symmetrisch. Kelk 5-tandig, van binnen met
klieren. Helmknoppen buiten de buis uitstekend. Vruchten eirond met
leerachtige schil, van binnen sappig Posoqueria.