14a. Kleine en teere, op den bodem kruipende kruiden
met langgesteelde hart- of niervormige bladeren. Kelk kort,
4-7-tandig, blijvend. Bloemkroon buis- tot trechtervormig met
behaarde mond. Meeldraden 4-7, in de buis ingehecht. Vruchtbeginsel
2-hokkig. Zaden aan de buikzijde vlak, zonder groef Geophila.
14b. Krachtige meest rechtopstaande heesterachtige kruiden
of heesters. Bloemen als de vorige, doch vruchtbeginsel soms
3-4-hokkig. Bladeren niet hart- of niervormig. Zaden aan de buikzijde
met een diepe groef Uragoga.
14c. Bloemen in dichte bolvormige hoofdjes, met de vruchtbeginsels
vergroeid; elk vruchtbeginsel 4-hokkig. Kelk bekervormig, nauwelijks
getand. Vrucht tot een vleezige verzamelvrucht vereenigd met meerdere
pitten die soms in groepen van 4 bij elkaar zitten. Boomen of heesters
met meest kruisgewijs tegenoverstaande bladeren Morinda.
15a. Zaden in de vrucht met het worteltje naar boven
gericht. Zaadknoppen boven in de hokjes van het vruchtbeginsel
bevestigd, hangend. Kelk zeer kort, 4-tandig of 4-lobbig,
blijvend. Bloemkroon trechtervormig of stervormig met korte buis, in de
mond en van binnen op de slippen dicht behaard. Helmknoppen uit de buis
uitstekend. Vruchtbeginsel 2-hokkig; stijl kort 2-spletig. Klimmende
heesters met leerachtige bladeren. Bloemen klein, in pluimen met
tegenoverstaande takken Malanea.
15b. Zaden met het worteltje naar beneden. Zaadknoppen onder in het
vruchtbeginsel ingehecht, rechtopstaand 16
16a. Vruchtbeginsel 1-hokkig of 2-hokkig, maar dan is het tusschenschot
zeer dun, in ieder geval veel dunner dan de wand van het vruchtbeginsel
17
16b. Vruchtbeginsel 2- (zelden meer-)hokkig; tusschenschot even dik
als de wand van het vruchtbeginsel 18
17a. Tusschenschot dun, na den bloei verdwijnend. Zaad loodrecht in de
vrucht staande met den kiem op den bodem. Kelk min of meer bekervormig,
zonder lobben of kort 4-lobbig. Bloemkroon trechtervormig, van binnen
kaal. Boomen of heesters Coussarea.
17b. Tusschenschot geheel ontbrekend. Zaad in de vrucht liggend,
van onderen uitgehold met zijdelingschen kiem. Overigens als de vorige
Faramea.
18a. Zaad aan de buikzijde vlak, ongegroefd. Kelk
kort-5-tandig. Bloemkroon trechtervormig, met vaak naar binnen
gebogen of met een klein hoorntje voorziene slippen, van binnen
behaard. Vruchtbeginsel 2-, zelden meerhokkig. Vrucht een 2-5-hokkige
steenvrucht. Boomen of heesters Mapouria.