13b. Bloeiwijzen niet hoofdjes-vormig, zonder groote schutbladeren 15

14a. Kleine en teere, op den bodem kruipende kruiden

met langgesteelde hart- of niervormige bladeren. Kelk kort,

4-7-tandig, blijvend. Bloemkroon buis- tot trechtervormig met

behaarde mond. Meeldraden 4-7, in de buis ingehecht. Vruchtbeginsel

2-hokkig. Zaden aan de buikzijde vlak, zonder groef Geophila.

14b. Krachtige meest rechtopstaande heesterachtige kruiden

of heesters. Bloemen als de vorige, doch vruchtbeginsel soms

3-4-hokkig. Bladeren niet hart- of niervormig. Zaden aan de buikzijde

met een diepe groef Uragoga.

14c. Bloemen in dichte bolvormige hoofdjes, met de vruchtbeginsels

vergroeid; elk vruchtbeginsel 4-hokkig. Kelk bekervormig, nauwelijks

getand. Vrucht tot een vleezige verzamelvrucht vereenigd met meerdere

pitten die soms in groepen van 4 bij elkaar zitten. Boomen of heesters

met meest kruisgewijs tegenoverstaande bladeren Morinda.

15a. Zaden in de vrucht met het worteltje naar boven

gericht. Zaadknoppen boven in de hokjes van het vruchtbeginsel

bevestigd, hangend. Kelk zeer kort, 4-tandig of 4-lobbig,

blijvend. Bloemkroon trechtervormig of stervormig met korte buis, in de

mond en van binnen op de slippen dicht behaard. Helmknoppen uit de buis

uitstekend. Vruchtbeginsel 2-hokkig; stijl kort 2-spletig. Klimmende

heesters met leerachtige bladeren. Bloemen klein, in pluimen met

tegenoverstaande takken Malanea.

15b. Zaden met het worteltje naar beneden. Zaadknoppen onder in het

vruchtbeginsel ingehecht, rechtopstaand 16

16a. Vruchtbeginsel 1-hokkig of 2-hokkig, maar dan is het tusschenschot

zeer dun, in ieder geval veel dunner dan de wand van het vruchtbeginsel

17

16b. Vruchtbeginsel 2- (zelden meer-)hokkig; tusschenschot even dik

als de wand van het vruchtbeginsel 18

17a. Tusschenschot dun, na den bloei verdwijnend. Zaad loodrecht in de

vrucht staande met den kiem op den bodem. Kelk min of meer bekervormig,

zonder lobben of kort 4-lobbig. Bloemkroon trechtervormig, van binnen

kaal. Boomen of heesters Coussarea.

17b. Tusschenschot geheel ontbrekend. Zaad in de vrucht liggend,

van onderen uitgehold met zijdelingschen kiem. Overigens als de vorige

Faramea.

18a. Zaad aan de buikzijde vlak, ongegroefd. Kelk

kort-5-tandig. Bloemkroon trechtervormig, met vaak naar binnen

gebogen of met een klein hoorntje voorziene slippen, van binnen

behaard. Vruchtbeginsel 2-, zelden meerhokkig. Vrucht een 2-5-hokkige

steenvrucht. Boomen of heesters Mapouria.

Zakflora voor Suriname [Deel I] Bulletin van het Koloniaal Museum te Haarlem No. 47. · 第 742 / 793 题