6a. Bloeiwijzen in de bladoksels op lange steelen staande, aan welks
einde de bloemen in dichte hoofdjes zitten, omgeven door talrijke
schutbladeren. Bloemen wit, blauw of rose, klein of vrij groot. Stijl
aan den top met 2 duidelijk gescheiden eironde of langwerpige
stempels. Vrucht met 8 of met 4 kleppen openspringend. Windende kruiden
of heesters, meest fluweelachtig behaard met niet-ingesneden bladeren
Jacquemontia.
6b. Bloemen òf alleenstaand òf slechts weinige bijeen in de bladoksels
of indien meerdere bloemen in een schermvormige bloeiwijze zitten, dan
zijn er geen duidelijke bracteeën aanwezig. Stempel gaaf of 2-lobbig 7
7a. Vrucht met een deksel openspringend. Bloemen zeer groot, één of
zeer weinige in de bladoksels; kelkbladeren groot, eirond, min of
meer papierachtig; na de bloei vergroot; bloemkroon wijd-klokvormig,
wit of geelachtig; stempel 2-lobbig. Stengels, blad- en bloemsteelen
meest gevleugeld. Bladeren hartvormig, niet ingesneden Operculina.
7b. Vrucht met kleppen openspringend. Bladeren vaak (niet altijd)
gelobd, gedeeld of samengesteld. Stengels niet gevleugeld 8
8a. Stuifmeelkorrels glad. Bloemkroon met 5 donkere aderen, die
met de kelkbladeren afwisselen, zelden zonder aderen, (maar dan
zijn de bladeren niet gelobd of gedeeld of samengesteld). Bloemen
okselstandig, met een lange steel, alleenstaand of in weinig- of
veelbloemige bijschermen. Bloemen wit of geel. Meest windende planten
Merremia. (Ipomoea, Pharbitis).
8b. Stuifmeelkorrels met stekels bezet. Bloemkroon zonder donkere
aderen. Bloemen zelden wit, meest paars of rose of rood. Overigens
als de vorige Ipomoea. (Calonyction, Quamoclit, Pharbitis).