Bloemen 5-tallig, sympetaal, tweeslachtig, regelmatig; kelkbladeren
slechts weinig vergroeid; kroonslippen in de knop gedraaid, zelden met
de randen tegen elkaar liggend, vaak met aanhangselen, die een bijkroon
(corona) vormen; meeldraden vrij of vaker aan de basis vergroeid, vaak
met aanhangselen die eveneens een bijkroon vormen; stuifmeel meest
tot klompjes vereenigd, deze laatste door hoornachtige lichaampjes
(translatoren) met den stempelkop verbonden; vruchtbeginsels 2,
gescheiden, alleen boven door den stempel verbonden, met vele
zaadknoppen; vrucht een dubbele kokervrucht, zaden met een haarkuif;
overblijvende kruiden of heesterachtige planten, vaak windend; bladeren
tegenoverstaand of in kransen; zelden verspreid zonder steunbladeren;
melksap aanwezig.
1a. Planten kruidachtig of slechts weinig heesterachtig, niet klimmend
2