8a. Bladeren forsch en breed. Kelk 5-6-lobbig. Bloemkroon groot, naar
boven geleidelijk wijder wordend en in de slippen overgaand. Meeldraden
in het onderste deel van de buis ingehecht; helmdraden niet alle even
lang. Stijl draadvormig. Doosvrucht hangend. Bloeistengel naar boven
vertakt, vaak eerst in twee takken verdeeld, later nog meer gespleten
Chelonanthus.