Bloemen meest 4-5-tallig, zelden 6-12-tallig, sympetaal, tweeslachtig,
zelden éénslachtig, regelmatig, zelden zygomorf; kelkbladeren
vrij of vergroeid; bloemkroon in de knop meest gedraaid; zelden
de slippen met de randen tegen elkaar liggend; meeldraden evenveel
als bloemkroonslippen, zelden eenige ontbrekend, met de bloemkroon
vergroeid, vruchtbeginsel meest 1-hokkig, zelden 2-hokkig, met twee
zaadlijsten met vele zaadknoppen; stijl enkelvoudig of tweespletig;
vrucht meest een 2-kleppige doosvrucht; kruiden, zelden heesters, meest
kaal; bladeren meest tegenoverstaand, gaafrandig zonder steunbladeren.
1a. Waterplanten. Bladeren aan den voet ingesneden, overigens bijna
cirkelrond, op het water drijvend. Bloemen in groepen schijnbaar uit
de bladsteel te voorschijn komend. Kelk met 5 smalle lobben. Bloemkroon
met zeer korte buis Limnanthemum.