240. Ebenaceae.

Bloemen 3 tot meertallig, meest éénslachtig, zelden tweeslachtig;

kelk blijvend, na de bloei vaak vergroot; bloemkroon vergroeidbladig

meest met gedraaide knopligging; meeldraden in de tweeslachtige of

mannelijke bloemen evenveel als bloembladeren of dubbel zooveel of

meer; soms van onderen wat vergroeid; in de vrouwelijke bloemen

meest staminodiën; vruchtbeginsel bovenstandig, 2-16-hokkig met

1-2 zaadknoppen in ieder hokje; stijlen vrij of vergroeid; vrucht

meest een bes met 1 tot weinige zaden; boomen met verspreide, zelden

tegenoverstaande bladeren zonder steunbladeren.

Bloemen eenslachtig, tweehuizig. Kelk meest 4-5-lobbig; bloemkroon

klok- of buisvormig, 4-5-lobbig. Meeldraden in de mnl. bloemen zeer

talrijk (8-22) meest behaard met lange helmknoppen. In de vrl. bloem

meest 4-8 staminodiën, soms ook geheel ontbrekend. Vruchtbeginsel

gewoonlijk 8-, maar ook 4-16-hokkig met 1 zaadknop in elk

hokje. Bloemen kort gesteeld in kleine groepen in de bladoksels of

uit het oude hout tevoorschijn komend Diospyros.

Zakflora voor Suriname [Deel I] Bulletin van het Koloniaal Museum te Haarlem No. 47. · 第 655 / 793 题