Bloemen 3 tot meertallig, meest éénslachtig, zelden tweeslachtig;
kelk blijvend, na de bloei vaak vergroot; bloemkroon vergroeidbladig
meest met gedraaide knopligging; meeldraden in de tweeslachtige of
mannelijke bloemen evenveel als bloembladeren of dubbel zooveel of
meer; soms van onderen wat vergroeid; in de vrouwelijke bloemen
meest staminodiën; vruchtbeginsel bovenstandig, 2-16-hokkig met
1-2 zaadknoppen in ieder hokje; stijlen vrij of vergroeid; vrucht
meest een bes met 1 tot weinige zaden; boomen met verspreide, zelden
tegenoverstaande bladeren zonder steunbladeren.
Bloemen eenslachtig, tweehuizig. Kelk meest 4-5-lobbig; bloemkroon
klok- of buisvormig, 4-5-lobbig. Meeldraden in de mnl. bloemen zeer
talrijk (8-22) meest behaard met lange helmknoppen. In de vrl. bloem
meest 4-8 staminodiën, soms ook geheel ontbrekend. Vruchtbeginsel
gewoonlijk 8-, maar ook 4-16-hokkig met 1 zaadknop in elk
hokje. Bloemen kort gesteeld in kleine groepen in de bladoksels of
uit het oude hout tevoorschijn komend Diospyros.