Bloemen met kelk en bloemkroon of zonder bloemkroon, 3-16-, meest
4-6-tallig, tweeslachtig, regelmatig of zygomorf; bloemas schotelvormig
tot buisvormig; kelk vaak met tusschenliggende schubjes; bloembladeren
aan den rand van de holle as ingehecht; meeldraden dubbel zooveel of
1 tot vele; vruchtbeginsel 2-6-hokkig, zelden 1-hokkig met 2 tot vele
zaadknoppen per hokje; kruiden of houtige planten met enkelvoudige
meest tegenoverstaande bladeren; steunbladeren klein.
1a. Bloemen 6-tallig, zijdelings-symmetrisch. Kelk buisvormig, aan
de basis met een spoor of knobbel. Bloembladen meest 6; meeldraden
meest 11, zelden minder. Bladeren tegenoverstaand. Kruiden Cuphea.