Bloemen tweeslachtig, regelmatig, soms wat zygomorf; met vaak lange
buisvormige bloemas; kelk- en kroonbladeren talrijk, niet duidelijk
van elkaar te onderscheiden; meeldraden talrijk; vruchtbeginsel
onderstandig, met één stijl en 4-8 wandstandige zaadlijsten; vrucht
een bes met vele zaden; meest vleezige planten, zelden met vlakke of
cylindrische bladeren; in den regel met een vleezige stam met ribben en
kussenvormige bladdragende spruiten; de bladeren zelf vroeg afvallend,
of als dorens gevormd.