203. Passifloraceae.

Bloemen tweeslachtig of éénslachtig, regelmatig met een zeer

verschillend gevormde bloemas, die vaak een weinig buisvormig is en

van binnen verschillende aanhangselen draagt, kelk meest 5-bladig;

zelden 4-8-bladig; bloembladeren 5, soms 3-8, zelden ontbrekend;

meeldraden zelden vele, meest 5 of 4-8, op een cylindrisch deel van

de as ingehecht; vruchtbeginsel 1-hokkig, met 3-5 stijlen en vele

zaadknoppen aan 3-5 wandstandige zaadlijsten; vrucht een doosvrucht of

een bes; kruiden of houtige planten, vaak klimmend met enkelvoudige

of gelobde, zelden samengestelde bladeren; steunbladeren aanwezig of

ontbrekend; bladeren vaak met honingklieren, ranken in de bladoksels

of aan de bloeiwijzen.

Klimplanten met ranken in de bladoksels. Bloemen met 5

kelkbladeren en 5 bloembladeren; buis van binnen met verschillende

aanhangselen. Bladeren enkelvoudig, gelobd of handvormig samengesteld

Passiflora. Markoesar.

Zakflora voor Suriname [Deel I] Bulletin van het Koloniaal Museum te Haarlem No. 47. · 第 596 / 793 题