Bloemen tweeslachtig of éénslachtig; regelmatig; kelkbladeren
2-15; kroonbladeren ontbrekend of tot 10; meeldraden meest vele;
vruchtbeginsel 1-hokkig met meest vele zaadknoppen aan 2-10
wandstandige zaadlijsten; vrucht een bes of een steenvrucht;
meest houtige planten met verspreide, zelden tegenoverstaande
of kransstandige, gaafrandige of gezaagde bladeren met kleine
steunbladeren; bloemen vaak klein.
1a. Bloemen éénslachtig, tweehuizig. Kelkbladeren 2-3, bloembladeren
6-12; meeldraden talrijk, op een eenigszins verdikte bloembodem
staande; vruchtbeginsel voorzien van overlangsche ribben, met 5-7
stijlen. Vrucht een groote doosvrucht met smalle vleugels. Heesters
of boomen met groote bladeren Carpotroche.