198. Violaceae.

Bloemen 5-tallig met uitzondering van het vruchtbeginsel, met 5

meeldraden; tweeslachtig, regelmatig of zygomorf; bloembladeren

soms vergroeid; vruchtbeginsel 1-hokkig met 1 stijl en 1 tot vele

zaadknoppen aan 3 wandstandige zaadlijsten; vrucht een doosvrucht

of een bes; kruiden of houtige planten met verspreide bladeren met

steunbladeren.

1a. Bloemen regelmatig of bijna regelmatig; alle bloembladeren ongeveer

gelijk van vorm 2

1b. Bloemen duidelijk zijdelings-symmetrisch; één bloemblad anders

gevormd 4

2a. Bloemkroon kort, bloembladeren ongenageld; meeldraden 5, ongeveer

even lang. Vrucht een 3-kleppige doosvrucht; bloemen in veelbloemige

trossen. Heesters of kleine boomen, meest met tegenstaande bladeren

Rinorea. (Alsodeia).

2b. Bloembladeren langgenageld; de nagels tegen elkaar aanliggend,

daardoor de bloemkroon van onderen schijnbaar buisvormig 3

3a. Meeldraden tot een beker vergroeid; helmknoppen zonder aanhangsels

aan den top. Bloemen in trossen. Kleine boomen Paypayrola.

3b. Meeldraden vrij; helmknoppen met een vliezig aanhangsel aan den

top. Bloemen in vertakte bloeiwijzen. Heesters Amphirrox.

4a. Lianen. Kelk 5-bladig. Een van de bloembladeren grooter dan

de andere en met een lange spoor. Meeldraden vrij met zeer korte

helmdraden en een lange helmknop met een aanhangsel aan den top,

2 ervan met een spoor, die in de spoor van het bloemblad zit

Corynostylis. (Calyptrion).

Zakflora voor Suriname [Deel I] Bulletin van het Koloniaal Museum te Haarlem No. 47. · 第 589 / 793 题