30a. Bloemen duidelijk zijdelings symmetrisch, dus of bloembladeren
of meeldraden, of beide, niet aan elkaar gelijk in vorm en grootte;
indien de 10 meeldraden alle gelijk zijn, dan springen ze met gaten
aan den top open 31
30b. Bloemen regelmatig; dus bloembladeren alle vrijwel evengroot
en ook de meeldraden evengroot, of indien er 10 meeldraden zijn,
dan zijn er 5 langere die afwisselen met 5 kortere en met spleten
over de geheele lengte openspringen 34