Bloemen met kelk en bloemkroon, 3-30-tallig; meeldraden evenveel of
dubbel zooveel als bloembladeren; meest tweeslachtig; regelmatig;
bloembladeren vrij of vergroeid; vruchtbeginsels één of meerdere,
meest vrij van elkaar, 1-hokkig met vele zaadknoppen; vrucht meest
een kokervrucht; planten vleezig, meest kruidachtig, soms een weinig
houtig; bladeren zonder steunbladeren.
Groote kruiden, aan de basis wat houtig, met vleezige stengels
en bladeren; aan den rand der bladeren komen vaak jonge plantjes
te voorschijn. Bloemen 4-tallig. Bloemkroon lang-buisvormig met 8
meeldraden op de buis ingehecht Bryophyllum. Wonderblad.