113. Podostemonaceae.

Bloemen met een kelk alleen, tweeslachtig, regelmatig of zygomorf;

meeldraden talrijk en in kransen of 1-2, éénzijdig; vruchtbeginsel

bovenstandig, met 2-3 stijlen, tweehokkig met vele zaadknoppen; kelk

uit zeer kleine schubben bestaand; meest kleine, soms groote kruiden,

die in sterk stroomend water groeien en meest aan rotsen bevestigd

zijn; stengel vaak dik en onregelmatig van vorm; wortels meest

met bladgroen en met spruiten bezet; bloeiwijzen zeer verschillend

van vorm.

1a. Bladeren zeer groot en onregelmatig van vorm, niet langgerekt,

meest met doornachtige aanhangselen. Bloemen in een groote tweezijdige

tros of aar met vele meeldraden Mourera. Koemaroe-njam-njam.

1b. Bladeren klein of ontbrekend of langgerekt. Bloemen niet in

tweezijdige aren 2

2a. Bloemdek 3-deelig. Eén meeldraad, vruchtbeginsel 3-hokkig met 3

stempels. Onder den bloemsteel geen scheede aanwezig. Kleine planten

Tristicha.

2b. Vruchtbeginsel steeds 2-hokkig met 2 stempels. Onder den bloemsteel

een scheede 3

3a. Stempels breed en plat. Bloemdekschubben 3-5; smal. Meeldraden

2-6. Vruchtbeginsel en doosvrucht met duidelijke ribben. Stengels

sterk verdikt en onregelmatig met groote holten, waaruit de bloemen

groepsgewijs te voorschijn komen Lophogyne.

Zakflora voor Suriname [Deel I] Bulletin van het Koloniaal Museum te Haarlem No. 47. · 第 428 / 793 题