1b. Rechtopstaande of met ranken klimmende ± kruidachtige planten 3

2a. Bloemen éénslachtig, tweehuizig in losse aren. Mnl. bloemen met

9 meeldraden, vrl. bloemen met een vruchtbeginsel met 3 stijlen of

stempels, bloemdek vergroeidbladig, uit 3 groote en 3 kleine slippen

bestaande; de 3 buitenste slippen groeien na den bloei tot vleugels

uit en omhullen de vrucht. Boomen met holle, door tusschenschotten

en afdeelingen verdeelde takken Triplaris. Mira-hoedoe; Mierenhout.

2b. Boomen of heesters soms klimmend met takken. Bloemen in trossen,

meest 2-slachtig, bloemdek 5-tallig tot een buis vergroeid, bij het

rijpen der vruchten min of meer vleezig wordend. Meeldraden 8 tot 9

Coccoloba. Bradiliefie, Druif, Zeedruif.

3a. Stengels aan den top in ranken overgaand. Bladeren breed, aan

den voet ± hartvormig. De 3 buitenste bloemdekbladeren rose tot rood

gekleurd, vooral na den bloei ieder in een vleugel overgaand. Bloemen

2-slachtig Antigonon.

3b. Stengels rechtopstaand, zonder ranken. Bladeren smal. Bloemen in

trossen of aren, met een 5-deelig bloemdek en 5-8 meeldraden Polygonum.

Zakflora voor Suriname [Deel I] Bulletin van het Koloniaal Museum te Haarlem No. 47. · 第 382 / 793 题