Bloemen met enkelvoudig bloemdek of naakt; meest tweeslachtig;
mannelijke bloemen met 3-4 bloemdekbladeren, van onderen vergroeid;
meeldraden evenveel of 1-2, met 1- tot veelhokkige helmknoppen;
bloemdek van de vrouwelijke bloemen meest ontbrekend, met bovenstandig
vruchtbeginsel en 1-2, zelden 3-5 stijlen; eenhokkig; vrucht een noot
of een steenvrucht met één zaad; wortelparasieten.
Planten zonder bladgroen, bruingekleurd, in oerbosschen op den
bodem groeiend met een onderaardschen wortelstok, die hier en daar
knolvormig verdikt is. Stengels rechtopstaand, aan den top de bloemen
in een groote eivormige bloeiwijze, waarin de vrl. en mnl. bloemen,
door haren omgeven, gemengd zijn. De vrl. bloemen zijn het eerst
ontwikkeld. Mnl. bloemen met een 3-tallig bloemdek en 3 vergroeide
meeldraden, mnl. bloemen zonder bloemdek, met een vruchtbeginsel met
2 stijlen Helosis.