Bloemen met een bloemdek, meest 4-tallig, met de meeldraden voor
de bloemdekbladeren; twee- of eenslachtig; regelmatig of zygomorf;
bloemdek gekleurd; vruchtbeginsel bovenstandig met vele tot 1
zaadknop; vrucht een kokervrucht of gesloten blijvend; boomen of
heesters met meest verspreide, ongedeelde of vindeelige bladeren
zonder steunbladeren; bloemen in aren of trossen.
Kleine boomen met gaafrandige, naar den basis sterk toegespitste
bladeren, in kransen van 3 rondom den stengel gezeten. Bloemen in
lange trossen, gesteeld, de 4 bloemdekslippen tijdens den bloei
omgerold naar buiten. Meeldraden 4, van boven vrij van het bloemdek
Panopsis.