65. Urticaceae.

Bloemen zelden tweeslachtig, meest eenslachtig; bloemdekbladeren 4-5

(zelden 2-3); meeldraden evenveel en voor de bloemdekbladeren staand,

in den knop naar binnen gebogen, later elastisch terugspringend;

stijl steeds één; vruchtbeginsel eenhokkig met één zaadknop; vrucht

een noot of een steenvrucht; meest kruiden, zelden houtige planten

met tegenoverstaande of verspreide bladeren; geen melksap.

1a. Bladeren groot, grof gezaagd, afwisselend. Bloemen in sterk

vertakte pluimen, mnl. bloemen met een 4-5-tallig bloemdek,

vrl. bloemen met een 4-tallig bloemdek met zeer ongelijke

slippen. Groote kruiden, op drooge plaatsen Fleurya. Krassi-wiwirie.

1b. Bladeren klein, soms zeer klein, fijngezaagd of gaafrandig, met

tegenoverstaande bladeren; het eene blad van het paar grooter dan het

andere. Bloemdek van de mnl. bloem meest 4-tallig, van de vrl. bloem

steeds 3-tallig met ongelijke slippen. Kruiden op vochtige plaatsen

Pilea.

Zakflora voor Suriname [Deel I] Bulletin van het Koloniaal Museum te Haarlem No. 47. · 第 368 / 793 题