8a. Bladeren goed ontwikkeld in een wortelroset; stengel alleen met
schubvormige bladeren bezet. Tros met veel bloemen Stenorrhynchus.
8b. Bladeren klein en smal, niet in wortelroset maar hoogstens 3
bladeren langs de bloeiende stengel verspreid Pogonia.
9a. De beide bloembladeren en vooral de lip zijn door grootte en
kleur sterker of even sterk in het oog springend als de 3 kelkbladeren
10
9b. De lip en de beide bloembladeren vallen belangrijk minder in het
oog dan de 3 kelkbladeren; zuil verlengd in een voet, die met de lip
geleed is 22
10a. Bladschijf en bladscheede geleidelijk in elkaar overgaand
zonder geleding, bladeren alle aan de voet van den bloeistengel in
een roset gezeten. Bloemen wit, nog niet 1 c.M. groot; zuil lang,
zonder voet. Stuifmeelklompjes 4, zonder aanhangselen Liparis.
10b. Bladschijf en bladscheede duidelijk van elkaar te scheiden;
geleed en op die plaats later afbrekend 11
11a. Bladeren vrij breed, door talrijke evenwijdige nerven sterk
geplooid, vrij dun. Bloemen tot 5 c.M. groot, rose tot paars,
lip van binnen wat geel, alleen of in groepen aan het eind van den
stengel zittend Sobralia.
11b. Bladeren glad, leerachtig, niet gerimpeld, een enkele maal dun,
maar dan zeer smal als grasbladeren, soms ook vleezig 12
12a. Bloemen met een lange spoor aan den lip, vrij groot. Bloeiwijze
een eindelingsche tros; stengel van onderen in een kleine knol verdikt,
bladeren lang en smal, in twee rijen langs den stengel Galeandra.