Bloemen met bloemdek of met kelk en bloemkroon, tweeslachtig of
mannelijk, regelmatig of zygomorf; bloemkroon gekleurd, meest
vergroeidbladig; van 6 meeldraden meest maar 5 met stuifmeel,
vruchtbeginsel onderstandig, 3-hokkig met 1 tot vele zaadknoppen per
hokje; stijl 3-6-lobbig; vrucht een bes of een doosvrucht; groote
kruiden met groote ovale of langwerpige, vinnervige bladeren.
1a. Bladeren spiraalsgewijs staande met vele bladscheeden, een
schijnstam vormend. Bloemen meest éénslachtig, de drie kelkbladeren en
2 kroonbladeren zijn met elkaar tot een aan één zijde gespleten buis
vergroeid; het 3de kroonblad vrij. Meeldraden 5; vrucht een lange bes
Musa. Bakove. Bana.