6a. Bladeren smal, met de scheeden dicht tegen de bloeistengel
aanliggend, gestekeld (of soms ongestekeld) aan den rand. Bloeiwijze
langgesteeld, een sterk en onregelmatig vertakte pluim vormend. Bloemen
klein, geelachtig groen in den oksel van kleine schutbladeren
Araeococcus.
6b. Bladeren met afstaande scheeden, een breede rozet vormend;
bladrand met vrij kleine stekels bezet. Bloeiwijze groot, 1 maal
vertakt; takken van de pluim aarvormig, in den oksel van groote
bracteeën staande, bloemen grooter dan de vorige, tot 1 cM. lang
Wittmackia.
7a. Bloeiwijze onvertakt, een losse soms ± hangende aar vormend
van verspreide zittende bloemen; bloeistengel met groote gekleurde
ongestekelde bladeren bezet; bloembladeren lang en zeer smal, vooral
aan de basis; vruchtbeginsel evenals de bloeistengel met een fijn
meel bedekt Billbergia.
7b. Bloeiwijze onvertakt, bloemen dicht gedrongen, aan het eind van
den bloeistengel een ± kegelvormig hoofdje vormend 8