11a. Internodiën meest zeer kort, en dan epiphytische planten,
zelden verlengd; bladeren enkelvoudig, lancetvormig, aan de basis
versmald of zelden met hartvormige voet; in een enkel geval handvormig
samengesteld, 5-tallig; zijnerven van de 1ste orde parallel, van de
2de en 3de orde netvormig verbonden; spatha tijdens de bloei den
kolf niet omhullend, vrij klein. Bloemen met 4 bloemdekbladeren,
4 afgeplatte meeldraden en een 2-hokkig vruchtbeginsel zonder stijl
en een 2-lobbige stempel Anthurium.
11b. Stengel met vrij korte internodiën, niet klimmend. Bladeren
enkelvoudig, langwerpig, toegespitst, bladsteel rijdend,
met lange bladscheede, aan de basis van de bladschijf een
weinig verdikt. Zijnerven van de 1ste en 2de orde evenwijdig
loopend. Bloeischeede een weinig langs de bloeistengel afloopend,
blijvend. Bloemen met 3 + 3 perigoonbladeren, 3 + 3 meeldraden en
een 3-hokkig vruchtbeginsel Spathiphyllum.
12a. Klimmende stengels met korte internodiën. Bladeren enkelvoudig,
langwerpig-eirond, zonder gaten, zijnerven van de 2de en 3de orde
onderling evenwijdig loopend. Meeldraden 4 met platte helmdraden;
vruchtbeginsel vierhoekig, tweehokkig, vele zaadknoppen in elk
hokje. Vrucht een veelzadige bes Rhodospatha.
12b. Klimmende stengels met lange internodiën. Bladeren enkelvoudig,
langwerpig tot eirond, vaak (niet altijd) met gaten; zijnerven van de
2de en 3de orde niet parallel maar netvormig verbonden. Meeldraden 4
met platte helmdraden; vruchtbeginsel omgekeerd kegelvormig, 2-hokkig
met 2 zaadknoppen in ieder hokje; vrucht een 1- tot 3-zadige bes
Monstera.
13a. Stengel rechtopstaand, zonder luchtwortels en niet
klimmend. Bladeren vrij groot, eirond, toegespitst aan den top met
afgeronde of eenigszins hartvormige voet. Spatha groengeel, zeer
lang, even lang als de spadix en deze van onderen blijvend omsluitend;
mnl. bloemen met 4-5 meeldraden, die geheel met elkaar vergroeid zijn,
vrl. bloemen aan de basis van de spadix vrij ver van elkaar verwijderd
met 4-5 afstaande staminodiën en een eirond 2-3-lobbig en 2-3-hokkig
vruchtbeginsel met 1 zaadknop in elk hokje. Dieffenbachia. Donkè.
13b. Planten met liggende of klimmende stengel meest met luchtwortels
14
14a. Planten epiphytisch levend, vaker in den grond wortelend met
klimmende of liggende stengel en korte of lange internodiën. Bladeren
enkelvoudig of op verschillende wijze ingesneden. Spadix van boven
mnl. bloemen dragend met 2, 3, 5 of 6 meeldraden, die los tegen een
afgeknotte meerzijdige zuil zitten; vruchtbeginsel 2-5-hokkig met
vele zaadknoppen in elk hokje Philodendron.
14b. Stammen klimmend met luchtwortels en lange internodiën. Bladeren
handvormig samengesteld. Mnl. bloemen aan het bovenstuk van de spadix,
uit 4 geheel met elkaar vergroeide meeldraden bestaande; vrl. bloemen
aan het onderste deel, alle met elkaar vergroeid, en daardoor ook de
vruchten geheel met elkaar verbonden. Vruchtbeginsel 2- of 1-hokkig
met 1 zaadknop Syngonium.