23. Araceae.

Bloemen tweeslachtig of éénslachtig, 2-3-tallig of soms gereduceerd

tot één meeldraad of één vruchtbeginsel; vruchten meest een bes,

zelden niet sappig; kruiden, vaak met knolvormigen wortelstok,

ook heesterachtig of epiphyten; bloemen meest eenhuizig, zelden

tweehuizig, meest vele, zelden slechts 2-3 in een aar of een kolf,

deze omhuld door één scheede; bladeren zeer verschillend van vorm.

1a. Losdrijvende waterplanten; bladeren in een wortelroset,

omgekeerd-eirond, naar de basis sterk versmald; bloeiwijzen zeer klein,

met geelgroene spatha; één vrl. bloem en 2-8 mnl. bloemen Pistia.

1b. Landplanten of waterplanten; die met hun wortels in den bodem

vastzitten 2

2a. De geheele plant bestaat uit een onderaardsche knol, waarop

òf slechts 1 blad, òf slechts 1 bloeikolf staat (doch nooit beide

tegelijk ontwikkeld.) Blad zeer groot op een lange rechtopstaande

steel, bladschijf meerdere malen gedeeld tot gelobd; bloeiwijze

veel kleiner dan het blad, met een donker gekleurde bloeischeede en

tweeslachtige bloemen Dracontium. Sneki-tajer.

Zakflora voor Suriname [Deel I] Bulletin van het Koloniaal Museum te Haarlem No. 47. · 第 289 / 793 题