Bloemen tweeslachtig of éénslachtig, 2-3-tallig of soms gereduceerd
tot één meeldraad of één vruchtbeginsel; vruchten meest een bes,
zelden niet sappig; kruiden, vaak met knolvormigen wortelstok,
ook heesterachtig of epiphyten; bloemen meest eenhuizig, zelden
tweehuizig, meest vele, zelden slechts 2-3 in een aar of een kolf,
deze omhuld door één scheede; bladeren zeer verschillend van vorm.
1a. Losdrijvende waterplanten; bladeren in een wortelroset,
omgekeerd-eirond, naar de basis sterk versmald; bloeiwijzen zeer klein,
met geelgroene spatha; één vrl. bloem en 2-8 mnl. bloemen Pistia.
1b. Landplanten of waterplanten; die met hun wortels in den bodem
vastzitten 2
2a. De geheele plant bestaat uit een onderaardsche knol, waarop
òf slechts 1 blad, òf slechts 1 bloeikolf staat (doch nooit beide
tegelijk ontwikkeld.) Blad zeer groot op een lange rechtopstaande
steel, bladschijf meerdere malen gedeeld tot gelobd; bloeiwijze
veel kleiner dan het blad, met een donker gekleurde bloeischeede en
tweeslachtige bloemen Dracontium. Sneki-tajer.