11a. Vrucht een 1-zadige, blauwe bes, zoo groot als of weinig grooter
dan een erwt 12
11b. Vrucht een steenvrucht; steen met 3 kiemgaten in de onderste
helft, onder vezels verborgen 13
11c. Vrucht een vrij groote oranje-roode bes met sterk-vezelige
buitenlaag en 1 zaad, dat op doorsnede vele groeven heeft; stammen
lang en dun, bladeren gelijkmatig gevind; kolf tweemaal vertakt;
de vrl. bloemen naar één zijde gericht aan de basis der takken, die
aan den top talrijke mnl. bloemen dragen; meeldraden 3-6; stempels
3, gescheiden Areca.
12a. Stam lang, slank; bladsegmenten van de middenrib af naar beneden
hangend; bloeikolf vrij ver van de bladerkroon verwijderd; kelkbladeren
der mnl. bloemen breed, elkaar met de randen bedekkend; rest van den
stempel zijdelings, ongeveer ter halver hoogte van de bes gezeten
Euterpe. Pina. Palisade.
12b. Stam vrij dik ten opzichte van de lengte; bladsegmenten niet naar
beneden hangend; bloeikolf dicht onder de bladerkroon gezeten; bloemen
in groepen van 3, met 2 mnl. en 1 vrl. bloem per groep, kelk aan de
mnl. bloem 3-deelig of 3-spletig, randen der kelkbladeren tegen elkaar
liggend; stempelrest aan den top van de bes of nauwelijks zijdelings
Oenocarpus. Komboe. Patawa.
13a. Sommige bloeikolven dragen alleen mnl. bloemen; andere hebben
takken, die aan den top alleen mnl., naar de basis van den tak mnl. en
vrl. bloemen gemengd en geheel van onderen alleen vrl. bloemen dragen;
meeldraden langer dan de smalle bloemdekbladeren; vrucht langgerekt,
aan den top sterk toegespitst, met een duidelijk kegelvormige punt;
bloemdek na den bloei sterk vergroot en de vrucht bijna tot de halve
hoogte omhullend Maximiliana. Maripa.
13b. Alle takken van de bloeikolf dragen groote vrl. bloemen aan de
basis en kleinere mnl. bloemen aan den top; bloemdek uit zeer breede,
harde bladeren bestaande, waardoor de bloemknop scherp 3-hoekig is;
vrucht eirond tot bolvormig, meest aan den top afgerond; bloemdek
klein, blijvend, na den bloei alleen aan de basis van de vrucht
zichtbaar en deze niet inhullend Cocos.