21. Palmae.

Bloemen meest door reductie van meeldraden of stamper éénslachtig;

bloemdek ongekleurd, of weinig gekleurd, zelden ontbrekend;

de buitenste bloemdekbladeren vaak kleiner dan de binnenste;

meeldraden 6, zelden 3, vaker 9 tot vele, vrij of vergroeid met

elkaar. Vruchtbeginsels 3 of 1, in het laatste geval 3- of 1-hokkig,

soms met maar 1 zaadknop; vrucht een bes of een steenvrucht; meest

boomvormige, onvertakte planten, soms klimmend met zeer gestrekte

internodiën; bloeiwijzen okselstandig, door scheeden omhuld, bladeren

handvormig of vinvormig gedeeld of ingesneden.

N. B. Het determineeren der palmen levert verschillende moeielijkheden

op, die ten deele hun oorzaak hierin vinden, dat maar zelden volledige

exemplaren (d. i. met mannelijke en vrouwelijke bloemen, spatha en

vruchten) gevonden worden, ten deele ook hierin, dat men de soorten,

en vooral die van Suriname nog slechts ten deele kent. Zelfs is het

waarschijnlijk dat er in Suriname nog geslachten van Palmen gevonden

zullen worden, wier voorkomen er tot nu toe niet aangetoond was. Dit

alles maakt, dat men onderstaande tabel met eenige voorzichtigheid

moet gebruiken.

1a. Bladeren waaiervormig ingesneden en handnervig; bloeikolf eenmaal

vertakt; bloemen tweehuizig; mnl. bloemen in lange dichte aren;

vrl. bloemen aan veel kortere zijtakken van den kolf; bes aan den

top ingedrukt Mauritia. Maurisie.

Zakflora voor Suriname [Deel I] Bulletin van het Koloniaal Museum te Haarlem No. 47. · 第 277 / 793 题