2a. Indusium rond, niervormig of langwerpig, in het midden of (bij
de niervormige indusiën) aan den rand vastgehecht, doch steeds met
de randen vrij van het blad en rondom openspringend 9
2b. Indusium langwerpig of lijnvormig, zelden rond, steeds aan één
zijde open, aan de andere zijde dicht 3
3a. Indusium randstandig, uit den omgeslagen bladrand, of een deel
van den bladrand gevormd en naar binnen opengaand 17
3b. Indusium niet randstandig of randstandig, in het laatste geval
naar buiten opengaand en het indusium dus niet uit de bladrand gevormd
4
4a. Sori òf rond en alleenstaand op het eind van de aderen, òf
langwerpig tot lijnvormig en de toppen van twee of meer aderen
verbindend. Indusium naar buiten opengaand 15
4b. Sori lijnvormig, evenwijdig loopend met de hoofdnerf van de
segmenten van de laatste orde. Indusiën naar binnen opengaand. Bladeren
enkelvoudig, of éénmaal of tweemaal gevind, in het laatste geval de
bladsteelen klimmend Blechnum.
4c. Sori en indusiën langwerpig of lijnvormig, langs de aderen loopend
en scheef gericht ten opzichte van de hoofdnerf van het segment van
de laatste orde 16
5a. Sori in onbepaald aantal dicht op elkaar zittend en daardoor de
geheele bladonderzijde of een aaneengesloten deel ervan dicht bedekkend
26
5b. Sori in een bepaald aantal, soms (Ceropteris); schijnbaar
onregelmatig, maar nooit zoo dicht op elkaar dat er niet een deel
van het blad zichtbaar blijft 6
6a. Bladeren met het rhizoom geleed, d. w. z. de bladsteel bevat een
duidelijk gewricht op de plaats, waar het blad later afbreekt 25