290b. Bloemen 4- of 5-tallig 291

291a. Kelk kort 5-deelig; bloemkroon met een korte buis en 4 bijna

gelijke, afgeronde slippen, en 4 meeldraden, van binnen behaard;

boomen of heesters; mangroveplanten 253. Verbenaceae.

291b. Kelk en bloemkroon beide 4- of 5-tallig of kruiden; geen

mangroveplanten 292

292a. Kruidachtige planten met een éénhokkig, zeer zelden door

inspringende zaadlijsten 2-hokkig vruchtbeginsel; steunbladeren

niet aanwezig 246. Gentianaceae.

292b. Vruchtbeginsel 2-hokkig, zeer zelden éénhokkig, maar dan zijn

de planten boomen of lianen 293

293a. Kroonslippen in den knop met de randen tegen elkaar liggend,

zeer zelden gedraaid of met de randen over elkaar liggend, maar dan

is de stijl dubbel-2-deelig en de plant een heester òf een kruid met

kleine 4-tallige bloemen en meeldraden met gescheiden helmknoppen 294

293b. Kroonslippen in den knop met de randen over elkaar liggend

en gedraaid 295

294a. Bladeren smal, tegenoverstaand of in kransen; kroon klein,

met korte buis, 4-tallig, bijna stervormig, wit; sterk vertakte kruiden

257. Scrophulariaceae.

294b. Heesters met steunbladeren [3] òf kruiden in het laatste geval

de bloemen in trossen uit een krans van 4 bladeren aan het eind van

den stengel te voorschijn komend 245. Loganiaceae.

295a. Stijlen 2, tot aan den stempel gescheiden; stempelrand met

5 klierachtige aanhangselen, waaraan het tot massa's verkleefde

stuifmeel blijft hangen; stempel schildvormig verbreed; vruchtbeginsels

gescheiden; bloemen 5-tallig, meest in den kroonbuis verschillende

aanhangselen aanwezig 248. Asclepiadaceae.

295b. Stijlen 1 of 2, in het laatste geval van boven vergroeid; stempel

één, op verschillende wijze verdikt, meest met een behaarde ring, van

boven spits; meeldraden meest met elkaar en met den stempel vergroeid;

vruchtbeginsels 2, van elkaar gescheiden of één, en dan 1- of 2-hokkig

247. Apocynaceae.

296a. Vruchtbeginsel 2-hokkig met meerdere zaadknoppen in ieder hokje;

vrucht een bes of een doosvrucht; stijl één met een 2-lobbige stempel

256. Solanaceae.

296b. Vruchtbeginsel 2-, 3- of 4-hokkig, met meest 4, soms 6

zaadknoppen in het geheele vruchtbeginsel 297

297a. Stijl min of meer diep 2-spletig tot 2-deelig; kelkslippen vaak

ongelijk van vorm en grootte; bloemen groot of vrij groot (omstreeks

1 cM. lang of meer) sterk gekleurd; vrucht doosvruchtachtig; planten

meest klimmend of kruipend, vaak kruiden, soms lianen

249. Convolvulaceae.

297b. Stijl 2-spletig en dan elk van de takken nog eens gedeeld,

of stijl dicht onder den top voorzien van een behaarde ring. Bloemen

meest in lange eenzijdige aren; vrucht een steenvrucht met 1, 2 of

4 pitten òf in vier eenzadige stukken uiteenvallend 252. Borraginaceae.

Zakflora voor Suriname [Deel I] Bulletin van het Koloniaal Museum te Haarlem No. 47. · 第 223 / 793 题