47a. Bloemen in een aar, en dan met één scheede onder de bloeiwijze
of in een hoofdje, en dan door 2 scheeden omhuld; kelk losbladig,
meeldraden met de bloemkroon vergroeid; landplanten 31. Rapateaceae.
47b. Bloeiwijzen zonder een of twee omhullende scheeden, in trossen,
pluimen of hoofdjes. Bladeren voor het grootste deel in een roset;
aan den rand vaak gestekeld. Epiphyten of rotsplanten 32. Bromeliaceae.
48a. Sappige, meest op den bodem kruipende of liggende kruiden:
helmknoppen kort, eivormig of de helmhokjes door een breed helmbindsel
van elkaar verwijderd; vaak eenige meeldraden zonder stuifmeel
33. Commelinaceae.
48b. Epiphyten of rotsplanten met zeer lange helmknoppen
32. Bromeliaceae.