Op zekeren avond--zij waren toen in den herfst--kwam de heer van Koslou
geheel onverwachts terug. Met een gelaat waarop de vreugde te lezen
stond, trad hij het vertrek van den graaf binnen, en riep vrolijk uit:
"ik kom u uwe verlossing uit uwe langdurige gevangenschap aankondigen!
De beide vijandelijke legers staan nu op Duitsch grondgebied aan de Elbe
tegenover elkander. Ik heb de zorg voor het leger aan de Duitschers
overgelaten. Ik heb alle hoop, dat het vijandelijke leger weldra over
den Rijn zal teruggedrongen worden. Thans kan en mag ik u geheel ter
dienste staan, en ben bereid, alles te doen, opdat gij ten spoedigste in
uw vaderland moogt terugkeeren. Ook wil ik u nog iets voorslaan. Reist
gij met mij naar Petersburg? Uit Petersburg kunt gij te water ligt naar
Hamburg oversteken, en dan van daar over land naar uwe geboorteplaats
reizen. Behalve deze, heb ik nog eene andere reden, waarom ik gaarne zag
dat gij mij naar Petersburg vergezeldet. Ik wilde mijne vrouw en mijne
kindertjes aan u voorstellen. Bovendien kan ik u toch ook niet als een
dolend ridder van mij laten gaan! Gij hebt alles bij dien ongelukkigen
veldtogt verloren. Daarom beschouw ik het als mijn pligt, u met
reiskleederen, zooals uwen stand betamen, met eenen goed gevulden koffer
en met paarden en rijtuig te voorzien. Dat alles kan evenwel hier niet
gebeuren, maar daartoe moeten wij ons naar Petersburg begeven. Het doet
mij leed, dat ik u niet dan met het armzalige rijtuig, hetwelk mij
herwaarts bragt, naar Petersburg kan geleiden; maar hier te lande komt
men, wegens de slechte wegen, met eenen beteren en grooteren reiswagen
niet voort. Zulks moet gij derhalve maar voor lief nemen!"
"Edele, grootmoedige man!" riep de graaf vol dankbaarheid uit, "uwe
alles overtreffende menschlievendheid moet zelfs de stoutste verwachting
te boven gaan! Ik kan mij maar niet begrijpen, waardoor ik al die
goedheid verdien! In ernst, uw edel gedrag, hoezeer ik het bewonder, is
en blijft mij onbegrijpelijk!"
"Kom, kom!" gaf de heer van Koslou ten antwoord, "ik kan in alles wat ik
doe, geen enkel spoor van buitengewone menschlievendheid zien, noch van
eene zoo groote goedheid! Het is enkel mijn pligt, het is alleen
_dankbaarheid_!"
"_Dankbaarheid?_" vroeg August, thans nog meer verwonderd;
"_dankbaarheid?_ Maar nu begrijp ik het nog minder! Zou ik u dan bij
mogelijkheid ooit eene dienst hebben kunnen bewijzen, die u eenige
verpligting te mijnen aanzien oplegde, u, dien ik vroeger nooit gezien
heb?"
"Hoe!" riep Koslou uit, "gij zoudt mij vroeger nooit gezien hebben? Nu,
zet u dan eens bij mij neder en luister. Mijn geheele vermogen, dat
waarlijk niet gering is, heb ik u te danken! Aan u ben ik al mijn geluk
verschuldigd!"
Verbaasd staarde August den spreker aan, terwijl hij ongeloovig met het
hoofd schudde. Het kwam hem langzamerhand voor den geest, of hier
welligt eenig misverstand hadde plaats gevonden!
Nu vroeg de heer van Koslou: "hebt gij niet eens honderd gulden aan
eenen armen, bedelenden jongen geschonken!"
"Neen!" antwoordde August; "ten minste herinner ik mij niet, ooit eene
zoo aanzienlijke aalmoes gegeven te hebben."
"Niet?" herhaalde Koslou. "Nu, dan hoop ik, dat gij u nog wel eenen
nachtegaal zult herinneren, die op het geboortefeest van uwe moeder zoo
fraai zong. Een arme herdersknaap--is het niet zoo?--had een nestje met
de beide oude nachtegaals in uw park overgebragt."
"O ja!" gaf August ten antwoord, "dien knaap herinner ik mij nog zeer
goed! Hij was een arme, maar een zeer beminnenswaardige en hoopvolle
jongen. Zijn naam was Dirk Snel. Hij ging als wagenmakersknecht naar het
buitenland.--Doch, vergeef mijne vraag! hoe kunt gij deze bijzonderheden
zoo goed weten?"
"Deze herdersknaap, deze Dirk Snel, deze wagenmakersknecht," antwoordde
Koslou, "en de keizerlijk Russische raad, de heer van Koslou, de man,
die zoo gelukkig was van u te redden, zijn een en dezelfde persoon. Ik
ben Dirk Snel!--Doch thans ben ik geen wagenmakersknecht meer. Ik ben
eigenaar van eene fabriek, koopman, geldwisselaar en raad van financiën
te Petersburg. Daar ik een riddergoed, Koslou geheeten, heb aangekocht,
zoo word ik thans heer van Koslou genoemd."
"Is het mogelijk!" riep August, ten toppunt van verbazing, uit. "Gij
zijt Dirk Snel!" Met tranen in de oogen sprong hij op, omarmde zijnen
weldoener en riep uit: "waarom zeidet gij mij dit niet dadelijk?"
"Dat kon vroeger bezwaarlijk," antwoordde de heer van Koslou, dien wij
bij zijnen nieuwen naam willen blijven noemen. "Het zou ons te lang
hebben bezig gehouden, en mijn tijd was toen te zeer beperkt. Mijne
zaken waren dringend, ik moest verder; en daarenboven waart gij zelf ook
te uitgeput, dan dat gij lang naar mijn verhaal zoudt hebben kunnen
luisteren. Daarom bespaarde ik de ontdekking voor eene nadere
gelegenheid. In de brieven welke ik u schreef, wilde ik daarvan geene
melding maken, naardien ik gaarne ooggetuige van uwe verwondering wilde
wezen.--Toen ik u het eerst zag, bespeurde ik wel, dat gij mij niet meer
kendet. Doch ook ik zoude u bezwaarlijk herkend hebben, zoo gij niet, in
de sneeuw neêrzinkende, den naam Sterreveld haddet uitgesproken, toen
gij uwen dienaar opdroegt, wanneer deze in het leven mogt gespaard
blijven, aan uwe edele moeder en uwe zusters de groeten van den
stervenden zoon en broeder over te brengen, en haar te melden, dat hij,
in Gods wil berustende, met haren naam op de lippen ontslapen was. Toen
ik u daardoor herkende, kostte het mij alle mogelijke zelfbeheersching,
mij in te houden. Hadde ik ooit eene schoonere gelegenheid kunnen
wenschen dan deze, om mijnen weldoener te toonen, dat hij zijne goedheid
niet aan eenen ondankbare verspild had; eene geschikter omstandigheid
dan uw toenmalige toestand, om u de som terug te geven, die uwe lieve
moeder mij weleer leende ter bestrijding der kosten, welke ik mij tot
het aanschaffen mijner reisbenoodigdheden moest getroosten!--Maar laat
ons God danken, die ons zoo wonderdadig in dit vreemde land elkander
deed aantreffen, waardoor mij de vurig gewenschte gelegenheid werd
geschonken om u mijne innige dankbaarheid te toonen. Ik kan het niet
uitdrukken, hoe het mij verblijdt, dat ik in u mijnen weldoener mag
begroeten, en in staat ben om u thans ook eenige dienst te bewijzen!"