De redder.
Juist toen de graaf van Sterreveld dezen droevigen last aan zijnen
dienaar opdroeg, reed een aanzienlijk man, groot en statig van gestalte,
in een prachtig Russisch gewaad gekleed, dat rijk met pelswerk omzoomd
was, in eene Russische slede daar voorbij. Hij zag den vreemden officier
in de sneeuw neêrzinken en den jammerenden soldaat naast hem knielen,
waarop hij den voerman dadelijk gebood naar hen toe te rijden, en, bij
hen gekomen, liet hij stil houden, sprong uit de slede, hoorde de
laatste woorden van den graaf, en zeide met eene ongemeene
vriendelijkheid, August in de Duitsche taal aansprekende: "God zij met
u, mijne vrienden! Gaat aanstonds met mij mede! Mijn huis staat u geheel
ter dienste! Alles wat ik heb, wil ik volgaarne met u deelen!"
Hij beval daarop, dat de voerman met de slede zou keeren, om naar het
dorp terug te rijden, hielp den graaf in de slede stijgen, zette zich
naast dezen neder, terwijl hij aan George eene open plaats naast den
voerman aanwees, en zoo reden zij op snellen draf naar zijn huis. Binnen
weinige minuten stond de slede voor de deur stil. Echter zag het er
geenszins zoo goed uit, als men, op de kleeding en het geheele
uiterlijke van den eigenaar afgaande, wel zou verwacht hebben; ja het
had zelfs een zoo gering aanzien, dat het voor eenen man van deftigen
stand een zeer ongeschikt verblijf scheen. Het beneden vertrek, waarin
de onbekende zijne gasten voorloopig binnenleidde, had volkomen het
aanzien van eene gemeene, Russische boerenkamer. De gastheer haalde
ondertusschen een sierlijk bewerkt, zilveren theeservies voor den dag,
zette terstond thee, die van de beste soort bleek te wezen, en sneed
daarbij uitmuntend fijn wittebrood. "Drinkt nu van deze thee," zeide hij
vriendelijk en gulhartig; "dat zal u verwarmen. Inmiddels wil ik gaan
zien wat ik u te eten zal kunnen voortzetten."
Hij verliet het vertrek met deze woorden; doch spoedig daarop trad hij
weder binnen en zeide: "gij zult het voor lief moeten nemen! Ik vind
niets anders dan een stuk wildbraad, dat evenwel reeds opgesneden is en
heden voor de tweede keer op mijne tafel zal verschijnen. Doch het is
heerlijk van smaak! Gij moet weten, dat ik zelf het middagmaal reeds
gebruikt heb, en natuurlijk niet kon denken, dat ik nog zulke aangename
gasten bij mij zou zien!"
Eenige oogenblikken later bragt een bediende het gebraad binnen, en
zette nog een paar flesschen, met heerlijken portwijn gevuld, benevens
drie geslepen glazen van fraai kristal op de tafel. De half
uitgehongerde gasten aten met buitengewone graagte; en het was
duidelijk, dat dit gezigt den gullen gastheer regt behaagde. Ook wilde
hij hen, gedurende den maaltijd, niet met vragen lastig vallen. Hij
vroeg dus enkel hoe zij heetten, welk hun geboorteland was, en tot welke
legerafdeeling zij behoorden. Daarop onderhield hij zich met zijnen
bediende in de Russische taal, gaf dezen, naar het scheen,
onderscheidene bevelen, verliet daarop het vertrek met merkbare
overhaasting, kwam eerst eenen geruimen tijd later weêr binnen, vulde
toen de glazen, klonk met zijne gasten en riep uit: "het welzijn van
alle dappere krijgslieden!" Daarop zeide hij: "ik verzeker u, dat mij,
hoewel ik een Rus ben, het treurige lot van de vreemde krijgslieden in
dit land, vooral van de Duitschers, zeer ter harte gaat. Ik weet, dat
zij onze vijanden niet zijn; wij hebben maar éénen vijand--dien
stoutmoedigen man, op wiens bevel, waaraan niemand ongehoorzaam durft
wezen, al die honderdduizenden in ons land zijn gedrongen."
Eensklaps sprong hij op, ging andermaal haastig de kamer uit, en aan
zijn heen en weêr loopen, zijne luide en gebiedende woorden konden
August en George bemerken, hoewel hij Russisch sprak, dat hij in huis
allerlei bevelen gaf en onderscheidene schikkingen maakte. De slede, die
hij nog niet had laten uitspannen, stond intusschen nog altijd voor het
venster stil, en de paarden schudden ongeduldig de bellen, die op het
tuig bevestigd waren, en sloegen met de hoeven tegen den grond. Toen de
Rus weêr binnentrad, hadden zijne gasten in dien tusschentijd naar
genoegen gegeten en gedronken.
"En thans, heer ridmeester," sprak de onbekende, zich tot August
wendende, "thans zal ik u uw kleine slaapvertrek aanwijzen, daar gij in
de eerste plaats rust noodig hebt." Hij geleidde den graaf vervolgens in
eene soort van schuur, wees op eene ladder, die daar stond, en zeide:
"nu moet gij zoo vriendelijk zijn, langs deze ladder naar boven te
klimmen!" Dit ging juist niet zeer gemakkelijk; doch August klom
gelukkig naar boven, en bevond zich toen in eenen smallen gang, die er
regt armoedig uitzag. De vriendelijke gastheer, die hem gevolgd was,
schoof een paar bruine, ongeschaafde planken ter zijde, opende eene
deur, die kunstig achter die ruwe planken verborgen was, en door die
deur kwam de graaf--in een uitmuntend fraai en prachtvol gemeubeleerd
kabinet. De muren waren smaakvol met groen damast behangen. Het
behangsel prijkte daarenboven met fijne Engelsche platen in rijk
vergulde lijsten. Tegen eenen anderen muur stond eene schrijftafel van
mahoniehout, met een boekenrek van hetzelfde hout, waarop prachtig
ingebonden boekwerken prijkten. In eene nis of alkove, waarvoor
gordijnen van groen damast hingen, stond een zoo fraai en kostbaar
ledekant, als men maar ergens in een vorstelijk verblijf zou kunnen
verwachten. De graaf zette groote oogen op, en zag met zigtbare
verwondering in het rond; toen hij echter zijne oogen in eenen grooten
spiegel sloeg, die tusschen de twee vensters van dit kabinet hing,
vergat hij bijna al het andere, zoo pijnlijk trof hem het zien van zijne
eigene vermagerde gedaante en bleeke ingevallen kaken. En inderdaad, die
jonge man, met zijn vervallen voorkomen en zijne versleten kleeding,
paste weinig bij dit smaakvolle en prachtige vertrek! De gastheer scheen
te raden wat er bij August omging; medelijden teekende zich althans op
zijn gelaat, en met onmiskenbare deelneming sprak hij: "niet waar, dit
vertrekje is regt aardig? Mij dunkt, dat gij dit in mijn huis niet
verwacht hadt. Welnu, deze kamer bied ik u voorloopig tot uw verblijf
aan, waarin gij u langzamerhand van de doorgestane vermoeienissen en de
onbeschrijfelijke moeijelijkheden kunt herstellen. Tot mijn innig
leedwezen moet ik dadelijk weêr vertrekken. Mijne bezigheden zijn
bijzonder dringend. Ondertusschen zal ik mijnen kamerdienaar hier laten
tot uwe bediening. Hij spreekt wel is waar geen Duitsch, doch hij weet
zich tamelijk wel in de Fransche taal uit te drukken. Alles in dit huis
staat u ter dienste. Beschouw het geheel als uw eigendom, en handel naar
verkiezing. De boeken, die gij hier vindt, kunnen u den tijd korten. De
jagt in deze streken levert veel op. Wanneer gij daartoe lust mogt
bespeuren, dan kan mijn kamerdienaar u vergezellen. Deze wakkere Rus is
een uitstekend jager."
De graaf opperde eenige bezwaren. Hij vroeg zijnen gastheer ronduit, of
hij hier veilig was, ingeval er Russische troepen mogten komen. August
vreesde zeer, en die vrees was waarlijk niet ongegrond! dat hij gevangen
genomen en naar Siberië opgezonden zou worden.
"Mijne hand daarop," antwoordde de onbekende, "dat gij hier even veilig
zijt, als de keizer in zijn paleis! Doch geef mij uw woord van eer, dat
gij hier zult blijven totdat ik terugkom. Ik zal dan zorg dragen, dat
gij ongedeerd in uw vaderland terugkeert.--Doch vaarwel! Ik moet weg!
Mijne zaken zijn dringend." Met deze woorden ijlde hij de deur uit, en
liet August staan, die nog altijd verwonderd was over deze plotselinge
verandering van zijn lot.
Het spreekt van zelf, dat de graaf ten hoogste verbaasd stond over de
vriendelijkheid en goedwilligheid van dezen hem geheel onbekenden man.
"Waarlijk," dacht hij, "deze vreemdeling verscheen mij even onverwacht
en welkom als een engel uit den hemel, en even snel is hij nu wederom
verdwenen! Alles komt mij als een droom voor! Zoo opeens word ik van die
akelige, verstijvende sneeuwvlakten in een zoo sierlijk en goed verwarmd
vertrek verplaatst! Het grenst aan een wonder! Doch hoe ik daarover ook
nadenk, het is en blijft mij geheel onbegrijpelijk!"
August was buitendien ook te veel vermoeid, dan dat hij lang over het
gebeurde zou hebben kunnen peinzen. Hij begaf zich te bed; en aangezien
hij geruimen tijd enkel op stroo, op eenen hard bevroren grond, of zelfs
wel in de sneeuw had geslapen, zoo verschafte het hem een
onuitsprekelijk genot, toen hij zich in een zoo zacht bed kon
neêrvleijen. Hij sliep genoegzaam dadelijk in en rustte tot laat in den
avond. Toen hij ontwaakte was het geheel donker; weshalve hij opstond,
en zich zoo verkwikt en versterkt gevoelde, als in langen tijd het geval
niet was geweest.