IX.

De redder.

Juist toen de graaf van Sterreveld dezen droevigen last aan zijnen

dienaar opdroeg, reed een aanzienlijk man, groot en statig van gestalte,

in een prachtig Russisch gewaad gekleed, dat rijk met pelswerk omzoomd

was, in eene Russische slede daar voorbij. Hij zag den vreemden officier

in de sneeuw neêrzinken en den jammerenden soldaat naast hem knielen,

waarop hij den voerman dadelijk gebood naar hen toe te rijden, en, bij

hen gekomen, liet hij stil houden, sprong uit de slede, hoorde de

laatste woorden van den graaf, en zeide met eene ongemeene

vriendelijkheid, August in de Duitsche taal aansprekende: "God zij met

u, mijne vrienden! Gaat aanstonds met mij mede! Mijn huis staat u geheel

ter dienste! Alles wat ik heb, wil ik volgaarne met u deelen!"

Hij beval daarop, dat de voerman met de slede zou keeren, om naar het

dorp terug te rijden, hielp den graaf in de slede stijgen, zette zich

naast dezen neder, terwijl hij aan George eene open plaats naast den

voerman aanwees, en zoo reden zij op snellen draf naar zijn huis. Binnen

weinige minuten stond de slede voor de deur stil. Echter zag het er

geenszins zoo goed uit, als men, op de kleeding en het geheele

uiterlijke van den eigenaar afgaande, wel zou verwacht hebben; ja het

had zelfs een zoo gering aanzien, dat het voor eenen man van deftigen

stand een zeer ongeschikt verblijf scheen. Het beneden vertrek, waarin

de onbekende zijne gasten voorloopig binnenleidde, had volkomen het

aanzien van eene gemeene, Russische boerenkamer. De gastheer haalde

ondertusschen een sierlijk bewerkt, zilveren theeservies voor den dag,

zette terstond thee, die van de beste soort bleek te wezen, en sneed

daarbij uitmuntend fijn wittebrood. "Drinkt nu van deze thee," zeide hij

vriendelijk en gulhartig; "dat zal u verwarmen. Inmiddels wil ik gaan

zien wat ik u te eten zal kunnen voortzetten."

Hij verliet het vertrek met deze woorden; doch spoedig daarop trad hij

weder binnen en zeide: "gij zult het voor lief moeten nemen! Ik vind

niets anders dan een stuk wildbraad, dat evenwel reeds opgesneden is en

heden voor de tweede keer op mijne tafel zal verschijnen. Doch het is

heerlijk van smaak! Gij moet weten, dat ik zelf het middagmaal reeds

gebruikt heb, en natuurlijk niet kon denken, dat ik nog zulke aangename

gasten bij mij zou zien!"

Eenige oogenblikken later bragt een bediende het gebraad binnen, en

zette nog een paar flesschen, met heerlijken portwijn gevuld, benevens

drie geslepen glazen van fraai kristal op de tafel. De half

uitgehongerde gasten aten met buitengewone graagte; en het was

duidelijk, dat dit gezigt den gullen gastheer regt behaagde. Ook wilde

hij hen, gedurende den maaltijd, niet met vragen lastig vallen. Hij

vroeg dus enkel hoe zij heetten, welk hun geboorteland was, en tot welke

legerafdeeling zij behoorden. Daarop onderhield hij zich met zijnen

bediende in de Russische taal, gaf dezen, naar het scheen,

onderscheidene bevelen, verliet daarop het vertrek met merkbare

overhaasting, kwam eerst eenen geruimen tijd later weêr binnen, vulde

toen de glazen, klonk met zijne gasten en riep uit: "het welzijn van

alle dappere krijgslieden!" Daarop zeide hij: "ik verzeker u, dat mij,

hoewel ik een Rus ben, het treurige lot van de vreemde krijgslieden in

dit land, vooral van de Duitschers, zeer ter harte gaat. Ik weet, dat

zij onze vijanden niet zijn; wij hebben maar éénen vijand--dien

stoutmoedigen man, op wiens bevel, waaraan niemand ongehoorzaam durft

wezen, al die honderdduizenden in ons land zijn gedrongen."

Eensklaps sprong hij op, ging andermaal haastig de kamer uit, en aan

zijn heen en weêr loopen, zijne luide en gebiedende woorden konden

August en George bemerken, hoewel hij Russisch sprak, dat hij in huis

allerlei bevelen gaf en onderscheidene schikkingen maakte. De slede, die

hij nog niet had laten uitspannen, stond intusschen nog altijd voor het

venster stil, en de paarden schudden ongeduldig de bellen, die op het

tuig bevestigd waren, en sloegen met de hoeven tegen den grond. Toen de

Rus weêr binnentrad, hadden zijne gasten in dien tusschentijd naar

genoegen gegeten en gedronken.

"En thans, heer ridmeester," sprak de onbekende, zich tot August

wendende, "thans zal ik u uw kleine slaapvertrek aanwijzen, daar gij in

de eerste plaats rust noodig hebt." Hij geleidde den graaf vervolgens in

eene soort van schuur, wees op eene ladder, die daar stond, en zeide:

"nu moet gij zoo vriendelijk zijn, langs deze ladder naar boven te

klimmen!" Dit ging juist niet zeer gemakkelijk; doch August klom

gelukkig naar boven, en bevond zich toen in eenen smallen gang, die er

regt armoedig uitzag. De vriendelijke gastheer, die hem gevolgd was,

schoof een paar bruine, ongeschaafde planken ter zijde, opende eene

deur, die kunstig achter die ruwe planken verborgen was, en door die

deur kwam de graaf--in een uitmuntend fraai en prachtvol gemeubeleerd

kabinet. De muren waren smaakvol met groen damast behangen. Het

behangsel prijkte daarenboven met fijne Engelsche platen in rijk

vergulde lijsten. Tegen eenen anderen muur stond eene schrijftafel van

mahoniehout, met een boekenrek van hetzelfde hout, waarop prachtig

ingebonden boekwerken prijkten. In eene nis of alkove, waarvoor

gordijnen van groen damast hingen, stond een zoo fraai en kostbaar

ledekant, als men maar ergens in een vorstelijk verblijf zou kunnen

verwachten. De graaf zette groote oogen op, en zag met zigtbare

verwondering in het rond; toen hij echter zijne oogen in eenen grooten

spiegel sloeg, die tusschen de twee vensters van dit kabinet hing,

vergat hij bijna al het andere, zoo pijnlijk trof hem het zien van zijne

eigene vermagerde gedaante en bleeke ingevallen kaken. En inderdaad, die

jonge man, met zijn vervallen voorkomen en zijne versleten kleeding,

paste weinig bij dit smaakvolle en prachtige vertrek! De gastheer scheen

te raden wat er bij August omging; medelijden teekende zich althans op

zijn gelaat, en met onmiskenbare deelneming sprak hij: "niet waar, dit

vertrekje is regt aardig? Mij dunkt, dat gij dit in mijn huis niet

verwacht hadt. Welnu, deze kamer bied ik u voorloopig tot uw verblijf

aan, waarin gij u langzamerhand van de doorgestane vermoeienissen en de

onbeschrijfelijke moeijelijkheden kunt herstellen. Tot mijn innig

leedwezen moet ik dadelijk weêr vertrekken. Mijne bezigheden zijn

bijzonder dringend. Ondertusschen zal ik mijnen kamerdienaar hier laten

tot uwe bediening. Hij spreekt wel is waar geen Duitsch, doch hij weet

zich tamelijk wel in de Fransche taal uit te drukken. Alles in dit huis

staat u ter dienste. Beschouw het geheel als uw eigendom, en handel naar

verkiezing. De boeken, die gij hier vindt, kunnen u den tijd korten. De

jagt in deze streken levert veel op. Wanneer gij daartoe lust mogt

bespeuren, dan kan mijn kamerdienaar u vergezellen. Deze wakkere Rus is

een uitstekend jager."

De graaf opperde eenige bezwaren. Hij vroeg zijnen gastheer ronduit, of

hij hier veilig was, ingeval er Russische troepen mogten komen. August

vreesde zeer, en die vrees was waarlijk niet ongegrond! dat hij gevangen

genomen en naar Siberië opgezonden zou worden.

"Mijne hand daarop," antwoordde de onbekende, "dat gij hier even veilig

zijt, als de keizer in zijn paleis! Doch geef mij uw woord van eer, dat

gij hier zult blijven totdat ik terugkom. Ik zal dan zorg dragen, dat

gij ongedeerd in uw vaderland terugkeert.--Doch vaarwel! Ik moet weg!

Mijne zaken zijn dringend." Met deze woorden ijlde hij de deur uit, en

liet August staan, die nog altijd verwonderd was over deze plotselinge

verandering van zijn lot.

Het spreekt van zelf, dat de graaf ten hoogste verbaasd stond over de

vriendelijkheid en goedwilligheid van dezen hem geheel onbekenden man.

"Waarlijk," dacht hij, "deze vreemdeling verscheen mij even onverwacht

en welkom als een engel uit den hemel, en even snel is hij nu wederom

verdwenen! Alles komt mij als een droom voor! Zoo opeens word ik van die

akelige, verstijvende sneeuwvlakten in een zoo sierlijk en goed verwarmd

vertrek verplaatst! Het grenst aan een wonder! Doch hoe ik daarover ook

nadenk, het is en blijft mij geheel onbegrijpelijk!"

August was buitendien ook te veel vermoeid, dan dat hij lang over het

gebeurde zou hebben kunnen peinzen. Hij begaf zich te bed; en aangezien

hij geruimen tijd enkel op stroo, op eenen hard bevroren grond, of zelfs

wel in de sneeuw had geslapen, zoo verschafte het hem een

onuitsprekelijk genot, toen hij zich in een zoo zacht bed kon

neêrvleijen. Hij sliep genoegzaam dadelijk in en rustte tot laat in den

avond. Toen hij ontwaakte was het geheel donker; weshalve hij opstond,

en zich zoo verkwikt en versterkt gevoelde, als in langen tijd het geval

niet was geweest.

De nachtegaal Verhalen voor de jeugd · 第 17 / 33 题