VERVOLG VAN HET VOORGAANDE HOOFDSTUK.

Toen August van Sterreveld eenige dagen moedig al deze ongemakken had

doorgestaan, voelde hij zich ten laatste zoo uitgeput, dat hij, al wilde

hij daartoe ook alle krachten inspannen, weldra niet zou kunnen

voortgaan. Reeds vroeger had hij den bediende moeten achterlaten, dien

hij uit het ouderlijke huis had medegenomen, en in diens plaats was een

jonge soldaat getreden, die uit hetzelfde graafschap was, waar ook hij

woonde. Deze man, die volgaarne deze taak op zich had genomen, heette

George Risch, en was gewis een van de trouwste en eerlijkste menschen

die men vinden kan.

Toen nu de nood ten top was gestegen, sprak August tot hem: "George,

tracht u zelven thans ook te redden, gelijk de anderen doen. Ik kan ter

naauwernood voortkomen en moet zeer langzaam gaan. Spoedig, ik gevoel

het, zal mijn einde daar zijn." Doch George antwoordde terstond: "wat er

ook gebeure, nimmer, mijn edele heer, verlaat ik u! Ik wil met u gered

worden, met u leven of sterven!"

Naauwelijks waren deze woorden gesproken, of daar kwamen plotseling de

Kozakken op hunne kleine, vlugge paarden en met hunne lange lansen

aangerend. De graaf en zijn dienaar bevalen, op dit gezigt, hunne zielen

aan God, want zij verwachtten niets anders dan eenen zekeren dood.

Evenwel ontnamen de ruwe, baardige ruiters den graaf alleenlijk zijnen

blaauwen mantel van fijn laken, die hem tot hiertoe nog een weinig tegen

de koude had beschut, rukten hem zijn ordekruis van de borst, en

galloppeerden toen voort, om elders rijkeren buit op te sporen. Dadelijk

bood George aan den graaf zijnen mantel, die wel minder fijn was, maar

toch uitstekend verwarmde. August, hoewel zigtbaar ontroerd door deze

edele getrouwheid, weigerde dien. Doch dringend sprak George: "ik bid u,

neem hem aan; ik kan de koude immers veel beter verdragen!" Dus

sprekende sloeg hij den mantel om zijns meesters schouders; deze werd

weldra geheel tevreden met deze schikking, daar George eenen anderen

bekwam, dien hij eenen doodgevroren soldaat ontnam, welke er zich

vruchteloos in had gewikkeld.

"Het is ons onmogelijk," sprak thans de graaf, "langs dezen akeligen weg

de stad Smolensko nog te bereiken, waar ons lot, zoo als men zegt,

dragelijker zal worden. Wij moeten onzen weg zijwaarts, naar den

regterkant of ter linkerzijde, nemen. Misschien ontmoeten wij nog

goedhartige landlieden, die tot hiertoe van plundering bevrijd zijn

gebleven, en die, op het gezigt van ons onbeschrijfelijk lijden, zich

over ons zullen ontfermen."

Met dit doel veranderden zij van rigting, en stieten dan ook op eenige

hutten, uit welke zij, tot hunne onuitsprekelijke vreugde, den blaauwen

rook zagen opstijgen. Doch de inwoners zagen de beide krijgslieden in

hunne vreemde uniform voor vijanden aan, en wezen hen daarom barsch af.

Alleen een Poolsche Jood naderde hen, en sprak hen met vriendelijke

woorden aan. Ongelukkig evenwel verstonden zij de taal niet, welke hij

sprak. De Jood, die een ovaalvormig brood onder den arm droeg, terwijl

hij een met stroo omwonden fleschje, met brandewijn gevuld, in de hand

hield, wees herhaaldelijk naar de horologieketting van den graaf, welke

door den Kozak onopgemerkt was gebleven. De graaf toonde hem daarop zijn

gouden repetitie-horologie, liet het werk slaan, en beduidde den Jood

door teekens, dat deze geld moest toegeven. Doch de laatste schudde het

hoofd en wilde verder gaan, of hield zich althans zoo, waarop de graaf

hem het horologie liet, en daarvoor de weinige levensmiddelen van den

Jood in ruiling aannam.

August zette zich vervolgens op eenen steen neder, sneed het brood en

gaf den regtschapen dienaar het eerste stuk. "Dat brood is duur!" zeide

hij tot George; "want het horologie heeft mij meer dan twintig dukaten

gekost. Doch brood is ons op dit oogenblik noodiger dan goud; weshalve

wij, hoe duur het ons vergelijkenderwijze dan ook te staan kwam, God

toch wel hartelijk daarvoor mogen danken, dat wij het ons ten minste

konden verschaffen!"

Nadat zij met het brood den honger hadden gestild en ook een weinig

brandewijn genuttigd hadden, trokken zij verder. Het was een geluk voor

hen, dat al de beken, poelen en moerassen hard waren toegevroren,

waardoor deze hen nergens in het voortgaan belemmerden. Later kwamen zij

bij een digt woud aan, hetwelk hen eenigzins tegen storm en sneeuwjagt

beschutte Zij vonden er ook nog een plekje, waar geen sneeuw lag. Hier

beproefde George een vuurtje aan te maken; waarin hij echter niet

slaagde, omdat hij, alhoewel hij staal, vuursteen en zwam bij zich had,

toch niet genoeg drooge takjes kon vinden. Van koude rillende, zaten zij

op den hard bevroren grond. Rondom waren de boomen geheel met rijp

overdekt. Wijd en zijd hoorde men niets dat de aanwezigheid van menschen

verried; alleen ravengekras liet zich hooren. Met een onuitsprekelijk

gevoel van hakend verlangen dacht August aan Sterreveld aan zijne lieve

familie, en herinnerde zich hoe hij vroeger in de aangename schaduw van

dat liefelijke boschje, door bloemengeur omringd en door het lied van

den nachtegaal betooverd, zoo regt gelukkig was geweest. "O," sprak hij

bij zich zelven, "niemand weet toch wat hem nog boven het hoofd hangt!

Wie zou toen hebben kunnen vermoeden, dat ik eenmaal, en dat nog wel

binnen zoo korten tijd, in deze afgrijselijke wildernis, waar men enkel

sneeuw en ijs, nevel en rijp ziet, zou verplaatst worden." Innig bad hij

tot God: "red mij, o Almagtig God! Red Gij mij uit dit land, en leide

Uwe onvolprezen goedheid mij gelukkig naar het ouderlijke huis in de

armen mijner diep bekommerde moeder terug!"

Eindelijk kon de graaf de hevige koude niet langer uitstaan. Zij viel

hem nog zwaarder dan de vermoeijenissen, die hij elken dag moest

doorstaan.

August sprong, een moedig besluit vattende, snel op en vervolgde haastig

zijnen weg, daar hij hoopte, dat eene snelle beweging hem wel eenigzins

zou verwarmen. Doch het duurde niet lang, of hij kon geene enkele

schrede meer doen. Toen nam de brave George zijnen heer op den rug, en

droeg hem twee geheele dagen voort. Doch geen sterveling kan meer doen,

dan zijne krachten hem vergunnen. Op den derden dag moest George het,

zijns ondanks, opgeven. Zijne laarzen waren geheel stuk geloopen, en

zijne voeten waren zoodanig verwond geraakt, dat hij bij elke schrede

een bloedig spoor in de sneeuw achterliet. Toen August den toestand van

zijn lotgenoot bemerkte, zeide hij: "ik heb thans genoeg gerust, mijn

brave George! Door de beide dagen, dat gij mij gedragen hebt, zijn mijne

krachten teruggekomen, zoodat ik mij volstrekt niet meer vermoeid

gevoel. Daarom is thans de beurt aan mij gekomen. Eergisteren en

gisteren waart gij de sterke en droegt mij: heden zijn mijne krachten

beter dan de uwe, weshalve ik u thans wil dragen!"

Doch de edeldenkende George wilde zulks volstrekt niet gedoogen. De

reden van zijne weigering gaf hij in dezer voege op: "van hier tot het

naaste dorp kan het niet ver meer wezen," dus sprak hij; "vermits men

hier alreeds den toren ontdekt. Wanneer gij u nu alleen voortspoedt,

kunt gij dat dorp ligtelijk bereiken; doch als gij mij daarenboven moet

dragen, dan komt geen van ons beiden er immer. Aan mij is zooveel niet

gelegen, wanneer ik hier den dood mogt vinden. U evenwel wacht eene

teederminnende moeder, verbeiden twee zusters, die haren broeder zoo

hartelijk liefhebben! Zoo gij het dus voor u zelven niet doet, spaar uw

leven dan om harentwil! Ik bid u, laat mij hier liggen, en tracht zonder

mij het dorp te bereiken!"

Doch op vasten toon gaf August ten antwoord: "neen, wakkere George, dat

zal nimmer gebeuren! Gij hebt uw leven voor mij gewaagd; en bijaldien

gij niet volstrekt met mij hadt willen achterblijven, dan zoudt gij nu

reeds lang met het leger eene veilige verblijfplaats gevonden hebben.

Weiger daarom niet langer! Het zou u niets baten; want wat gij mij

weleer toevoegdet, dat roep ik u nu ook toe: "ik wil met u leven of

sterven!""

Doch George bleef nog weigeren. "Ik kan het niet toestemmen! Het is al

te goed van u! Ik ben immers niets meer dan uw dienaar! Waarlijk gij

zijt al te goed!" en hij, die zelf zoo edel dacht en handelde, snikte

van aandoening over de grootmoedigheid van zijnen heer.

Ernstig hernam August: "George, weiger mij niet langer, als wij vrienden

zullen blijven!" Door deze bedreiging bragt hij den ander tot

stilzwijgen; waarop de heer zijnen dienaar op den rug nam en hem aldus

naar het naaste dorp zocht te dragen.

En God sterkte hem; want het gevoel van wel en godgevallig gehandeld te

hebben, een gevoel dat altijd bezielend werkt, hield zijne krachten

staande.

Zij kwamen op eenen rijweg. Twee huizen stonden aan de beide zijden van

den weg! Zij klopten aan de deur van eene dier woningen. De vrouw des

huizes zag met hare kinderen uit het venster. Helaas! ook hier waren de

vreemde uniformen den inwoners een doorn in het oog. Men opende hun noch

de deur, noch werd hun uit het venster een enkel stukje brood

toegereikt. De lieden hadden vernomen, welke onbeschrijfelijke ellende

de vreemde legers alom door het land hadden verspreid, en dat zij hunne

heerlijke hoofdstad geheel hadden afgebrand, gelijk zij stellig

geloofden. Beiden smeekten in de roerendste bewoordingen om medelijden

en ontferming. Doch daar in die streken enkel de Russische taal

gesproken werd, vonden de Duitsche woorden, hoe treffend ook, den weg

niet tot de harten dezer menschen, die hen voor halve barbaren bleven

aanzien, welke de oorzaken waren van al de rampen, waardoor het land

geteisterd was.

De graaf en zijn dienaar wendden zich daarop naar het andere huis,

waarvan de deur openstond, welke zij wilden binnentreden. Doch de

bewoner stiet hen op eene barsche wijze het huis uit, en sloeg de deur

met groote hevigheid achter hen toe. Diep bedroefd gingen zij verder,

ten einde het dorp te bereiken, dat naauwelijks een half uur verwijderd

scheen. Doch nadat de graaf een paar honderd schreden had afgelegd,

bezweken zijne krachten geheel. Hij wilde zich op den stam van eenen

ontwortelden boom nederzetten; doch zelfs daartoe ontbrak de kracht hem.

Hij zonk onmagtig op de sneeuw neder, en riep uit: "nu dan, het zij!

Indien de Alwijze het aldus wil, zal ik mij kalm in mijn lot schikken en

hier den dood afwachten!"

Dus sprekende reikte hij George de hand toe, en zeide met tranen in de

oogen: "vaarwel, trouwe George, voorbeeldige dienaar! God vergelde u uwe

trouwe gehechtheid! Mag het u te beurt vallen, Sterreveld nog eenmaal

weder te zien, groet dan mijne moeder en mijne beide zusters. Zeg haar,

dat ik hier, in Gods heiligen wil berustende, kalm en met haren naam op

de lippen ben ontslapen!"

De nachtegaal Verhalen voor de jeugd · 第 16 / 33 题