DE SAGE VAN HEER GARETH.

"Let be my name, until I make my name".

(Alfred Tennyson: "Gareth and Lynette").

_Hoe de zonen van koningin Morgawse naar het hof te Camelot trokken._

Lot, koning der Orcadische eilanden en zijne gemalin Morgawse hadden

vijf zonen. Vier van hen: Walewein, Modred, Agravaine en Gaheris waren,

zoodra zij den jongelingsleeftijd bereikt hadden, naar het hof van

hun oom, koning Arthur, getrokken en keerden slechts nu en dan voor

een kort verblijf naar het ouderlijk slot terug. De jongste zoon

daarentegen: Gareth, was langer dan zijne broeders in het ouderlijk

huis blijven vertoeven, gehoor gevend aan den dringenden wensch

zijner moeder.

Met angst en vreeze in 't hart zag koningin Morgawse den dag naderen,

waarop de laatste en liefste harer zonen de wijde wereld zou intrekken

en haar alleen zou achterlaten in het eenzame slot van haren gemaal,

waar zij zich in de lange jaren van haar huwelijk nooit geheel thuis

had gevoeld. Misschien was dit laatste toe te schrijven aan het groote

verschil in landaard tusschen de bevolking uit hare geboortestreek,

het Zuiden van Engeland, en die van haar nieuwe vaderland. Ginds was

men gewoon het leven te genieten, hier, onder de stugge eilandbewoners,

zocht men zijn geluk in het rustig volbrengen zijner dagelijksche

plichten, zonder naar verstrooiing of genot te vragen. Mogelijk

ook was de onvoldaanheid der koningin voor een deel te wijten aan

het koude, zwijgzame karakter van haren echtgenoot, die elke uiting

van uitbundige levensvreugde van de zijde zijner gemalin met koele

onverschilligheid trachtte te dempen. Deze had ten slotte geleerd

zichzelve te beheerschen en voor het uiterlijk de statige, trotsche

vrouw te zijn, die hij zich als gemalin wenschte, maar niemand in

hare omgeving kon vermoeden, hoe zij leed onder dit bedwingen van

hare werkelijke persoonlijkheid. Als de kille zeedamp het eilandenrijk

dagenlang met een ondoordringbaren nevelmuur omringde en het krijschen

der zeemeeuwen het eenige geluid was, dat de stilte verbrak, als de

vrome eilandbewoners nedergeknield lagen voor hunne heiligenbeelden

en gebeden prevelden voor het welzijn van hen, die daar ginds op de

baren zwalkten, zat koningin Morgawse in hare eigen vertrekken en

staarde naar buiten in den grijzen mist. Dan kwam haar hart soms in

opstand tegen het onverbiddelijk noodlot, dat haar, die voor vreugde

en blijdschap geschapen scheen, veroordeelde om haar leven te slijten

in deze sombere omgeving, waar niemand haar begreep en liefhad.

Dat de verhouding tusschen de beide echtgenooten te wenschen overliet,

was geen geheim voor hunne omgeving en de hovelingen, die hunnen vorst

met groote trouw aanhingen, weten dit geheel aan de koningin, die zich

zoo moeilijk had weten aan te passen aan hare nieuwe omgeving. Men

beschuldigde haar van lichtzinnigheid, ja zelfs van ergere dingen,

want toen kort nadat de koningin van eene reis naar haar geboorteland

was teruggekeerd, haar tweede zoon Modred geboren werd, ging er een

gerucht, dat deze geen kind van koning Lot was, maar dat hij gesproten

was uit eene onwettige verbintenis, welke de vorstin daarginds in

het Zuiden gesloten had. De juistheid van dit vermoeden werd nooit

met stelligheid bevestigd, maar een feit bleek het, dat Modred, toen

hij opgroeide, zoowel uiterlijk als innerlijk geheel verschilde van

zijne broeders.

Het scheen aanvankelijk, of koningin Morgawse in hare kinderen

vergoeding zou vinden voor wat zij in den omgang met haren echtgenoot

te kort kwam. Zij had hen allen zonder onderscheid hartstochtelijk

lief; hoe zwaar moest het haar dus vallen, om hen, zoodra zij tot

jongeling waren gerijpt, te moeten afstaan en hen te zien heentrekken

naar het hof van haren broeder.

Alleen Gareth, die met zijne oudere broeders aanmerkelijk in leeftijd

verschilde en daardoor langer kind was gebleven dan zij, restte haar

nu nog van het vroolijke vijftal, dat de zalen van het oude kasteel

had doen daveren van zijn wilde spelen. En ziet--nu werd ook die

jongste zoon onrustig en sprak den laatsten tijd van niets anders

dan van zijn plan om zich op zijne beurt naar het hof te Camelot te

begeven en aldaar het volle leven te leeren kennen. Hoe zijne moeder

hem ook bad en smeekte, het mocht niet baten; zijn hart was daarginds,

bij zijne broeders en hij had geen rust, vóór hij de toestemming van

zijne ouders had ontvangen, om zich bij hen te voegen.

Eindelijk was de koningin wel gedwongen, hem die te geven,

maar--slechts onder ééne voorwaarde; en deze, zoo meende zij, was

van dien aard, dat zij den jongeling eens voor al van zijn voornemen

zou terugbrengen. Zij eischte namelijk van Gareth, dat hij, aan het

hof gekomen, een jaar lang als keukenjongen in 's konings dienst zou

treden en al dien tijd zijn naam en afkomst voor zijne omgeving geheim

zou houden. Den trotschen aard van haar zoon kennend, meende koningin

Morgawse, dat deze voorwaarde hem onuitvoerbaar zou toeschijnen en dat

hij dus, hoe ongaarne ook, zijne reis naar het hof zou opgeven. Maar

neen! Sterker nog dan zijn gevoel van eigenwaarde was de lust naar

avontuur in het hart van den jongeling en na zich eene wijle bedacht te

hebben, stemde hij toe in den eisch zijner moeder. Van dat oogenblik af

moest de koningin met leede oogen toezien, hoe Gareth zich beijverde

om de toebereidselen voor zijn vertrek in den kortst mogelijken tijd

te treffen en weldra brak dan ook de gevreesde dag aan, waarop de

reis naar Camelot bepaald was.

Vergezeld door twee zijner dienaren, ging Gareth vervuld van de

schoonste verwachtingen voor de toekomst, op weg. Wel lachte het

denkbeeld om een jaar in de keuken van het koninklijk paleis te

moeten dienen, hem niet bepaald toe, maar--zoo redeneerde hij met

jeugdige zorgeloosheid,--twaalf maanden zijn gauw voorbij! Hij had

nu toch zijn zin; hij ging naar Camelot, waar de ridders woonden,

van wier heldendaden hij zooveel had hooren vertellen, waar de groote

tournooien werden gehouden, waar men op de jacht ging naar herten en

zwijnen, waar de vreemde speellieden hunne liederen kwamen zingen,

kortom: waar men het leven in al zijne rijkdom en heerlijkheid kon

leeren kennen! Wat deed het er dan toe, of hij voorloopig slechts

toeschouwer mocht zijn bij al dat schoons? Honderd-, neen duizendmaal

liever was hij een eenvoudige keukenjongen in Camelot dan een prins

in zijns vaders koninkrijk.

Na lange dagen reizens kwam het kleine gezelschap voor de poorten van

Camelot aan. Naar het uiterlijk schenen zij drie eenvoudige landlieden,

die van verre gekomen waren, om hun vorst te begroeten. Gareth had

zorg gedragen, dat zijne kleeding in geen enkel opzicht afweek van

die zijner reismakkers.

_Hoe Gareth als keukenjongen bij koning Arthur in dienst trad en hoe

hij door Key gehoond werd._ Zonder eenige moeite slaagde het drietal

erin om tot de tegenwoordigheid des konings te worden toegelaten,

daar deze zich steeds op dezen tijd van den dag beschikbaar placht te

stellen voor een ieder, die zich met eenig verzoek tot hem wenschte

te richten. Gareth en zijne volgelingen werden dan ook terstond door

een der paleisdienaren door een doolhof van gangen en portalen naar

de groote slotzaal geleid, waar de koning, omringd door zijne gansche

hofhouding, zitting hield om de wenschen en klachten van zijn volk

aan te hooren. Lieden van allerlei slag knielden neer voor zijn troon

en nooit gebeurde het, dat zij onvoldaan huiswaarts moesten keeren.

Terwijl Gareth zijne beurt afwachtte, liet hij zijne blikken dwalen

door de ruime zaal, waarvan de wanden bedekt waren met eene bonte

reeks van geschilderde tafereelen, welke een overzicht gaven van

Arthurs krijgstochten tegen de heidenen. Meer echter nog dan door de

fraaie wandschilderingen werd zijne aandacht geboeid door de personen,

die zich in de zaal bevonden. Allereerst bleef zijn blik rusten op de

vorstelijke gestalte des konings, zooals hij daar in fiere houding op

zijn troon gezeten was, de linkerhand aan de greep van een glinsterend

zwaard, dat met de punt op den grond rustte, de rechter steunend

op de leuning van zijn zetel. Met eene uitdrukking van vriendelijke

belangstelling luisterde hij naar het relaas eener arme weduwe, die

zijne hulp kwam inroepen om het erfdeel van haren echtgenoot, dat men

haar ontstolen had, te herwinnen. Vol bewondering hoorde Gareth toe,

op welk eene welwillende en oordeelkundige wijze de vorst de weenende

vrouw te woord stond en het hart van den jongeling klopte luide van

ontroering, toen hij de ongelukkige haren dank hoorde stamelen. Daarna

zag hij verder om zich heen en tuurde langs de rijen der hovelingen,

of hij onder hen ook zijne broeders kon ontdekken. Weldra vond hij hen,

die hij zocht: de kloeke, mannelijke gestalte van Walewein, die in de

onmiddellijke nabijheid des konings was gezeten; het donkere gelaat van

Modred, dat steeds eene uitdrukking van arglistig wantrouwen droeg,

daarnaast, als gewoonlijk, de tengere gestalte van Agravaine, die

zijn ouderen broeder als een schaduw placht te volgen, en eindelijk,

onder de jongere edellieden, zijn vierden broeder: Gaheris. Gareth kon

een glimlach niet onderdrukken, toen hij bedacht, hoe verbaasd zijne

broeders zouden zijn, indien zij wisten, wie de eenvoudig gekleede

jongeling was, die zich onder de wachtende menigte bevond, maar hij

behoefde geen vrees te hebben dat zij hem zouden herkennen, zóó lang

was het geleden, sinds zij hem de laatste maal in hun vaderlijk slot

gezien hadden.

Intusschen was de beurt aan hem gekomen om den koning zijne verlangens

kenbaar te maken. Eerbiedig viel hij voor Arthur op de knieën, daarna

richtte hij het gebogen hoofd op, zag den vorst frank en vrij in de

oogen en sprak:

"Sire, mijne beide makkers en ik zijn uit verre streken hierheen

gekomen om u te huldigen en te dienen. Daar ik vernomen heb, dat gij

elkeen, die hier binnentreedt, veroorlooft, om u zijne verlangens

mede te deelen, zoo durf ik het wagen, u mijne wenschen voor te

dragen. Sire! sta mij toe, dat ik u om drie gunsten vraag; geloof

mij, al klinkt mijn verzoek wellicht onbescheiden, de gunsten, die

ik bedoel, zijn van dien aard, dat, indien gij wilt, gij ze zonder

bezwaar kunt inwilligen. De eerste wilde ik u thans vragen, de beide

andere daarentegen zou ik u eerst na verloop van een jaar wenschen

mede te deelen. Vergeef mij, indien ik te veel van uwe goedheid verg!"

Hier zweeg prins Gareth en zag den koning met eenige beschroomdheid

aan. Arthur had met welgevallen naar de woorden van den jongeling

geluisterd, wiens innemende verschijning en aangenaam, bescheiden

optreden het hart van den vorst voor zich gewonnen hadden. Toen hij

zweeg, aarzelde de koning dan ook niet lang, hoe hij zijn verzoek

zou opnemen en sprak vriendelijk: "Welnu dan, vriend, welke zijn die

gunsten, die ge mij wildet vragen. Ik beloof u vooruit, ze te zullen

inwilligen, indien zij tenminste de grenzen van het betamelijke niet

overschrijden. Spreek, wat verlangt ge van mij?"

"Sire", antwoordde Gareth, "ik zou u willen vragen, mij gedurende

een jaar eene plaats in te ruimen onder uwe keukenbedienden. Als

zoodanig wilde ik u twaalf maanden dienen en eerst na verloop van

mijn diensttijd hoop ik u mijne beide andere wenschen voor te leggen."

Verbaasd en eenigszins teleurgesteld zag koning Arthur hem aan, zulk

een verzoek had hij allerminst verwacht uit den mond van dien kloeken,

rijzigen jongeling. Toch klonk zijne stem welwillend als altijd,

toen hij Gareth ten antwoord gaf:

"Ik moet u eerlijk bekennen, dat ik van u een gansch anderen wensch

verwacht had. Het verbaast mij, dat een jong, krachtig man als gij,

geene hoogere eerzucht kent, dan eene plaats te verkrijgen onder mijne

bedienden. Ik doe evenwel mijn woord gestand. Aan uw wensch zal worden

voldaan en Heer Key, onze opperhofmeester, zal u uw nieuwen werkkring

aanwijzen." Dit zeggend, wenkte de vorst een der ridders uit zijne

naaste omgeving, een somber uitziend man, en droeg hem op, om den

jongeling eene plaats te geven onder het personeel van de hofkeuken.

Heer Key zag den knaap minachtend aan en gelastte hem op ruwen toon

hem te volgen. In de ruime keuken van het paleis aangekomen, wees hij

hem, welk werk hem te doen viel. Het bestond hierin, dat hij zich ten

allen tijde gereed moest houden om de koks bij hun arbeid behulpzaam

te zijn. Den overigen tijd moest hij besteden met het spoelen van

vaatwerk en het poetsen en schuren der keukengereedschappen. Eene

ongewone bezigheid voor een prins van den bloede! Geen wonder dan

ook, dat het bloed Gareth naar de wangen steeg bij de gedachte, dat

dit zijn werk zou zijn en dat hij een geheel jaar in deze omgeving

zou moeten doorbrengen. Maar meer nog dan dit vooruitzicht ergerde

hem de onheusche toon, waarop Heer Key tot hem sprak. Wel was hij

zoo verstandig, met geen enkel woord te antwoorden op de norsche

bevelen, die hem als 't ware naar het hoofd werden geslingerd, maar

uit zijne saamgeknepen lippen sprak duidelijk genoeg zijne nauwelijks

te verkroppen ergernis. Key scheen die ook te bemerken; hij besloot

althans zijne opdrachten met de woorden: "En pas op, dat ik geenerlei

klachten ontvang over uw optreden tegenover uwe meerderen! Alles, wat

u opgedragen wordt, ook al is het werk niet geheel naar uw zin, zult

gij stipt ten uitvoer brengen. Bij het eerste woord van tegenspraak,

dat mij ter oore komt, zullen wij elkander nader spreken. Weet wel,

met mijne ongenade valt niet te spotten. En nu vooruit, aan het

werk! en vlug ook!"

"Key, Key!" zoo klonk eene diepe, bedarende stem, "wat vaart gij toch

uit tegen een knaap, die u tot dusverre niets misdaan heeft! Kunt ge

dan niet zien, dat het werk, hetwelk gij hem opdraagt, nieuw voor hem

is en dat hij allerminst gewend is, om op zulk een toon toegesproken

te worden? Matig u toch, zulk een optreden strekt u niet tot eer!"

"Eer, eer!" gaf Key den binnengetreden ridder ten antwoord: "wat

bazelt gij over eer, Heer Lanceloet! Zou ik niet het recht hebben,

om een ellendigen keukenjongen, een deugniet, die waarschijnlijk het

ouderlijk huis ontvlucht is, op zijne plichten te wijzen? Ik raad u

aan, mij voortaan met rust te laten en eerst eens na te gaan, hoe het

met uwe eigen eer gesteld is!" Dit zeggend, verliet hij met een sarrend

hoongelach het vertrek, op den voet gevolgd door den vreemden ridder,

wiens gelaat, zooals Gareth nog juist gelegenheid had om op te merken,

bij Key's laatste woorden met een diep hoogrood overtogen werd.

Onze jongeling bleef achter in een toestand van verwarring. Eene

bonte mengeling van indrukken beklemde zijne ziel, maar alle werden

overheerscht door een gevoel van vereering en dankbaarheid voor den

man, die zooeven zijne partij gekozen had. Dat was dus de groote

Lanceloet, over wien hij zijne broeders zooveel had hooren spreken,

welnu, zij hadden niet te veel gezegd van hun held! Welk een edel

gelaat, welk eene nobele gestalte en bovenal: welke eene vriendelijke

gedachte van zulk een hooggeplaatst ridder om voor een armen koksjongen

in de bres te springen! Vol jeugdig vuur nam Gareth zich voor, om in

alles den grooten Lanceloet tot voorbeeld te nemen, daarna begaf hij

zich met een zucht aan zijn werk.

Een jaar verliep en gedurende al dien tijd diende onze held in de

keukens van het vorstelijk paleis. Het was een harde proeftijd

voor den jongen prins, want het werk viel hem ongewoon zwaar en

de behandeling was somtijds verre van zacht. Toch duurde het niet

lang, of Gareth had zich in zijne nieuwe omgeving vele vrienden

gemaakt. De koks prezen zijne nauwlettendheid en ijver en werden het

liefst door hem gediend, maar ook de andere koksjongens mochten hem

gaarne lijden, daar hij altijd vroolijk was en steeds bereid, hen te

helpen. Wanneer hunne dagtaak ten einde liep en het keukenpersoneel

zich in een wijden kring om den schouw had verzameld, placht Gareth

zijne ruwe makkers te vertellen van het leven in zijn vaderland. Hij

beschreef de nachten, waarin de schippers uitvoeren ter vischvangst,

en de stormen en gevaren, waarmede zij te kampen hadden. Dan luisterden

zijne toehoorders, die voor het meerendeel de zee nooit gezien hadden,

met open mond naar zijne levendige beschrijvingen, tot hij, het praten

moede, hun op zijne beurt tot vertellen drong. Dan kwamen de verhalen

los over de groote tournooien, over de gastmalen en hoffeesten,

welke in het paleis te Camelot gegeven werden en nu was het Gareth,

die gretig toehoorde en niet ophield met vragen. Soms gingen die

vragen boven het bereik zijner eenvoudige vertellers en kreeg hij

dus geen bevredigend antwoord.

Zoo leerde Gareth van uit zijn nederigen schuilhoek de hofwereld

kennen. Uit de opmerkingen en verhalen der bedienden kreeg hij

een helder inzicht in de karakters der verschillende ridders, nog

vóór hij hen persoonlijk had leeren kennen. Hij hoorde van hunne

vriendschappen en kibbelpartijen, hij wist nauwkeurig te zeggen,

wie van hen de sterksten in het strijdperk en wie de vroolijksten

aan den disch waren. Ook andere, minder gunstige dingen hoorde hij

van hen vertellen. Soms staken de koksjongens de hoofden bijeen

en fluisterden den naam eener schoone, aan wie een der ridders een

nachtelijk bezoek had gebracht. Wanneer zij dan echter Gareth in hun

gesprek wilden betrekken, wilde deze nimmer naar hen luisteren. Hij

begon dan een vroolijk lied te zingen of een lustig deuntje te

fluiten. Aanvankelijk werd hij hierom door zijne makkers gehoond,

maar ten slotte kregen zij eerbied voor zijn optreden en verloren

zelf den lust tot dergelijken lasterpraat.

De eenige, die Gareth een kwaad hart toedroeg, was Heer Key. Of hij

onwillekeurig gevoelde, dat de knaap zijn meerdere was in afkomst en

beschaving, of het was, dat hij zich ergerde over het onverstoorbaar

goed humeur, waarmede Gareth zijne schimpscheuten verdroeg, zeker

is het, dat hij nooit naliet, den jongeling, waar hij maar kon, te

hinderen. Hij droeg hem het zwaarste en vuilste werk op, had steeds

aanmerkingen op al wat hij deed, kortom, hij scheen het er op aan te

leggen, om Gareth zijn geduld te doen verliezen en een twist met hem

uit te lokken, die hem eene reden zou geven, zich over hem bij den

koning te beklagen. Maar Gareth hield zich goed. Al kookte hij ook

inwendig van woede over Key's onheusche houding en al snakte hij er

naar om hem zijne verachting in het gezicht te slingeren, toch wist

hij zijne uiterlijke kalmte te bewaren. Daarbij besefte hij zeker

niet, hoezeer deze moeilijke les in zelfbeheersching hem later ten

goede zou komen.

_Hoe eene jonkvrouw naar het paleis te Camelot kwam en hoe Gareth

gelegenheid had den koning zijne beide andere gunsten te vragen._

Eindelijk liepen de twaalf lange maanden ten einde en Gareth zag den

dag naderen, waarop hij de hem toekomende plaats aan het hof zou

kunnen innemen. Toen gebeurde het, dat op een fraaien lentemorgen

eene jonkvrouw de poorten van het vorstelijk paleis binnenreed en

den toegesnelden dienaren beval, haar terstond naar koning Arthur

te geleiden, daar zij den vorst over eene dringende aangelegenheid

wenschte te spreken.

Het was een der laatste dagen van Gareth's diensttijd en onze held

was bezig met eenig huiswerk in de groote slotzaal, toen de deuren

wijd werden geopend om de vreemde bezoekster binnen te laten. Deze

liep terstond naar den hoek van het vertrek, waar koning Arthur

in gezelschap van eenigen zijner ridders zich bevond en viel luid

jammerend voor den vorst op de knieën.

Ontsteld boog deze zich voorover om het weenende meisje te doen opstaan

en liet haar plaats nemen op een zetel aan zijne zijde. Eindelijk

had de jonkvrouw zich in zooverre hersteld, dat zij kon spreken en

onder tranen en snikken zeide zij als volgt:

"Sire! ik ben herwaarts gekomen om de hulp van één uwer ridders in te

roepen voor mijne zuster, Vrouwe Lyonors, die sinds maanden in haar

kasteel belegerd wordt door een boozen roofridder, die bekend staat

als de Ridder der Roode Vlakte. Deze woestaard, die een wanhopigen

hartstocht voor mijne zuster heeft opgevat, zweert dat zij de zijne zal

worden, al moest het beleg jaren duren. Velen van onze ridders hebben

hem tot een tweegevecht uitgedaagd, maar helaas! hij heeft hen allen

verslagen en hunne lijken op de gruwelijkste wijze verminkt. Thans

gaat de mare door het land, dat hij zich wenscht te meten met een

uwer ridders, zij het Lanceloet of Lamorak of een ander, en dat,

wanneer hij er in geslaagd is hem te verslaan, hij zich met geweld

een toegang zal verschaffen tot het kasteel en wat er dan met mijne

arme zuster geschieden zal...." hier brak hare stem en de aandoening

belette haar verder te gaan.

Diep ontroerd hadden allen naar deze droeve mare geluisterd; onder

hen ook Gareth. Ontzet poogde hij zich den gemoedstoestand in te

denken van die vrouw daarginds, die zich omringd wist door vijanden

en bedreigd door de booze lusten van een ellendeling. Hij zag hoe

de ridders, onder den indruk van het verhaal, onthutst stilzwegen,

dit bracht hem op een denkbeeld, dat hem het bloed naar de wangen

joeg en hem plotseling deed opspringen. Hij snelde naar den koning

toe en riep met luide stem:

"Heer koning! mijn diensttijd is op enkele dagen na verstreken! Sta

mij toe, dat ik u thans om de beide andere gunsten verzoek, welke

gij mij beloofd hebt!"

In spanning wachtte hij op het antwoord van zijn vorst en wie

beschrijft zijne blijdschap, toen Arthur sprak:

"Ik herinner mij onze afspraak. Spreek, wat wenscht gij?"

"Sire", hernam Gareth, "sta mij toe, deze jonkvrouw te volgen naar

het kasteel harer zuster en de eer uwer ridders hoog te houden

tegenover dien wellusteling, die de veiligheid van Vrouwe Lyonors

bedreigt. Als tweede gunst verzoek ik u, dat ik tot ridder geslagen

mag worden en wel door de hand van den edelsten onder uwe edelen,

Heer Lanceloet. Wanneer deze mij op mijn tocht vergezellen wil,

zal er zich wellicht eene gelegenheid voordoen, om mij die hooge

onderscheiding waardig te keuren."

Koning Arthur had onder het spreken met welgevallen neergezien op het

gelaat van den jonkman, dat straalde van ijver en edele geestdrift

voor de zware taak, welke hij geheel vrijwillig op zich nam. In het

afgeloopen jaar had de vorst zich nu en dan doen inlichten over het

optreden van den jongen vreemdeling in zijne nederige omgeving en wat

hem daarvan ter oore was gekomen had er niet weinig toe bijgedragen

om den gunstigen indruk, welken hij op het eerste gezicht van den

knaap had gekregen, nog te versterken. Hij was ervan overtuigd, dat de

eenvoudige kleedij, waarin Gareth naar het hof was gekomen, slechts

eene vermomming was en dat er aan zijn verschijnen aldaar een geheim

was verbonden, dat te rechter tijd zou worden opgehelderd. Zonder

aarzelen gaf hij Gareth daarom ten antwoord: "Wanneer gij ten volle

den omvang beseft van de verplichtingen, welke gij door dit verzoek

op u neemt, zoo wil ik u mijne toestemming niet onthouden. Ga daarom

heen, om u voor de reis gereed te maken en moge God u behouden tot

ons doen wederkeeren!"

Verheugd en dankbaar drukte Gareth een eerbiedigen kus op de hand,

welke Arthur hem toestak, daarop ijlde hij heen, maar nog vóór hij

het vertrek had verlaten, klonk hem een doordringende kreet in de

ooren. Het was de jonkvrouw, die daarin uiting gaf aan hare gevoelens

van afschuw over de handelwijze des konings. Verontwaardigd riep

zij uit:

"Wat hoor ik, Sire? Wilt gij een knecht, een armzaligen keukenjongen

de taak opdragen, waartoe ik den edelsten onder uwe ridders kwam

oproepen? Is dat uwe hooggeroemde hulpvaardigheid? Beseft gij dan

niet, dat gij mij nog beter zonder hulp kondt wegsturen, dan mij zulk

een geleider mede te geven? O, wat zal die ellendeling daarginds

mij hoonen, wanneer hij hoort, wie de ridder is, die komt om hem

te bestrijden! Mijne arme zuster! Een keukenjongen, gewend om het

braadspit te draaien! Het is te erg! Ik ga heen, vóórdat hij mij

met zijne tegenwoordigheid kan lastig vallen en nooit, nooit keer

ik hier terug!" Dit zeggend, snelde zij met opgeheven handen de zaal

uit. Gareth had niets van dit alles vernomen. Zonder zich te storen

aan wat er achter hem geschiedde, had hij de zaal verlaten om afscheid

te nemen van zijne makkers en zich voor de reis gereed te maken. Zijn

hart was vol dankbaarheid jegens zijn vorst, welke nog toenam, toen

hij bij zijn terugkeer uit de keukens op het voorplein een gezadeld

strijdros en eene volledige wapenrusting vond, die de koning hem als

loon voor zijne trouwe diensten ten geschenke bood.

Met welk een welgevallen wierp Gareth de donkere kleederen van zich

af, die hem alle vernederingen van het afgeloopen jaar in herinnering

brachten en met welk een schuchteren eerbied kleedde hij zich in

zijne wapenrusting, de eerste, die hij ooit gedragen had. Thans was

hij gereed en onder de juichkreten van zijne vroegere metgezellen

reed hij de slotbrug over.

_Van Gareth's eerste wapenfeiten en hoe hij tot ridder geslagen werd._

Tevergeefs had Gareth bij het verlaten van het paleis uitgezien naar

de jonkvrouw, wie hij zijne hulp had toegezegd. Thans, nu hij den weg

opreed, welke naar het aangrenzende woud voerde, ontwaarde hij in de

verte hare vluchtende gestalte. Hij drukte zijn paard de sporen in

de zijden en het duurde niet lang, of hij had haar ingehaald. Vóór

hij echter den mond tot spreken kon openen, hief zij met een afwerend

gebaar de hand op en riep uit:

"Wat ik u bidden mag, zwijg en beleedig mijne ooren niet met uwe

platte taal. Laat het u genoeg zijn, dat ge mij uw onwelkom gezelschap

opdringt, maar spaar mij uwe gesprekken!"

Gareth was op het punt haar een heftig antwoord te geven, maar hij

bedacht zich nog juist bijtijds. Hoe kon de jonkvrouw ook weten,

dat hij niet inderdaad was, die hij scheen, en hoe zou het hem in

hare plaats te moede zijn, indien hem in stede van een hooggeboren

en dapper ridder een arme keukenjongen als geleide werd medegegeven?

Op dit oogenblik weerklonk het geluid van naderende hoefslagen

en omziend bemerkte hij een ridder, die in gestrekten draf vanuit

de richting van het paleis hem achterop kwam rijden. Het was Heer

Key. Toen hij de plek genaderd was, waar Gareth hem in alle kalmte

opwachtte, riep hij uit: "Wat beteekent het, dat gij u op dit uur

buiten het paleis bevindt? Weet gij dan niet, dat binnen enkele

uren het middagmaal in de groote zaal moet worden opgediend? Terug,

naar de keuken, daar is uwe plaats, niet hier, in gezelschap eener

edele jonkvrouw!"

Onder het hooren van deze woorden, brak zich bij Gareth al de

ergernis baan, welke hij een jaar lang had moeten verkroppen. Hij

gevoelde een plotselingen aandrang, om zich thans, nu de gelegenheid

daartoe schoon was, te wreken over al de beleedigingen, welke hij in

de afgeloopen maanden had moeten verdragen. Met gevelde lans stoof

hij Heer Key tegemoet, terwijl hij hem met luider stem toeriep:

"Mijn diensttijd is voorbij, zooals gij zeer wel weet! Van nu af aan

erken ik u niet langer als mijn meerdere, integendeel, ik beschouw u

als den onwellevendsten ridder aan het gansche hof. Wanneer gij met

die beschouwing geen genoegen neemt, laat dan de wapenen beslissen,

wie van ons beiden gelijk heeft."

Woedend over dezen uitval trok Heer Key zijn zwaard, om den jongeling

voor zijn overmoed te straffen, maar Gareth was hem vóór en eer Key

wist, wat er geschiedde, werd hij uit het zadel gelicht en lag hij

languit op den grond.

Terwijl Gareth vol voldoening op hem neerzag, trad er iemand tusschen

de struiken te voorschijn. Het was Heer Lanceloet, die van daar uit

het gevecht had gadegeslagen. "Flink zoo! wakkere vriend!" riep hij

uit, "die zege hebt gij ruimschoots verdiend, en voor Heer Key zal

het eene les zijn, die hem heugen zal! Van den koning vernam ik,

dat gij door mij tot ridder wenscht geslagen te worden. Wat dunkt u,

is het thans geene geschikte gelegenheid, om tot die plechtigheid

over te gaan? Door uw koenen durf van zooeven, maar nog meer door

uwe maandenlange zelfbeheersching en plichtsbetrachting hebt ge die

onderscheiding ten volle verdiend!"

Het is te begrijpen, dat onze jonge held vol vreugde het voorstel van

Heer Lanceloet aannam en weinige oogenblikken daarna legde hij in de

koele stilte van het woud de plechtige gelofte af, waardoor hij zich

verbond, de drie ridderdeugden: mildheid, hoffelijkheid en eerbaarheid

onder alle omstandigheden des levens getrouw te zullen betrachten.

Niemand hoorde zijne getuigenis, behalve Heer Lanceloet en de

jonkvrouw, welke laatste hem op eenigen afstand met minachting

gadesloeg, maar voor onzen held was zijne gelofte desondanks even

heilig en bindend als wanneer hij ze in eene volle zaal, ten aanhoore

der gansche hofhouding, had afgelegd.

Toen Lanceloet hem met de punt van zijn zwaard tot ridder geslagen

had en de plechtigheid hierdoor was beëindigd, nam hij afscheid van

onzen held en keerde naar het paleis terug.

Gareth wendde zich tot de jonkvrouw en verzocht haar hem de richting

te wijzen, welke zij moesten volgen, maar bij het eerste woord, dat

hij tot haar richtte, hield ze spottend hare vingers in de ooren,

terwijl zij uitriep:

"Zwijg, Heer keukenridder! Heb ik u niet verzocht om mij niet lastig te

vallen met uwe gesprekken? Meent gij, dat gij thans, nu Heer Lanceloet

u tot ridder heeft geslagen, mijn gelijke zijt geworden? Vlei u niet,

in mijne oogen blijft gij, die gij waart, een keukenjongen, die thuis

behoort onder koks en hunne maats!"

Gareth zweeg, maar hij moest zich op de lippen bijten om zijn geduld

niet te verliezen. Toch gelukte het hem kalm te blijven en onder een

drukkend stilzwijgen vervolgden de beiden hunne reis.

Tegen den middag kwamen zij aan eene open plek in het bosch, waar

een bloeiende haagdoorn groeide. Tusschen de bloesems hing een

zwart schild en daarnaast wapperde een zwarte banier. Tegen den

stam leunde eene scherpgepunte speer en achter den boom bemerkte

Gareth een groot zwart paard, dat in onbewegelijke houding stond te

wachten. Vol verbazing zag onze held naar dit alles, maar plotseling

deinsde hij verschrikt achteruit, toen daar uit het struikgewas de

gestalte van een reusachtigen ridder te voorschijn sprong. Deze was

van het hoofd tot de voeten in eene dof-zwarte wapenrusting gekleed,

ongetwijfeld behoorden de wapenen daar ginds bij den boom hem toe. In

een oogwenk was de Zwarte Ridder op het paard gesprongen, had het

schild en de speer ter hand genomen en kwam in dreigende houding op

Gareth af. Nog vóór hij hem echter bereiken kon, stuurde de jonkvrouw

haar paard tusschen de beide ridders in en riep den vreemdeling toe:

"Bezin u wel, Heer ridder, alvorens gij u met dezen knaap in het

gevecht begeeft! Zeker meent gij in hem een ridder der Tafel Ronde te

zien! Welnu dan, ik zeg u, dat hij niet waard is, door u bestreden

te worden, want hij is niets meer dan een armzalige koksjongen uit

de keukens van het koninklijk paleis!"

De vreemde ridder barstte uit in een spottenden schaterlach. "Een mooi

geleide voorwaar!" riep hij uit, "voor eene jonkvrouw als gij! Als

gij mijn raad wilt aannemen, keer dan terug naar het hof en haal u

een anderen metgezel. Wat dezen knaap betreft, ik zal mij vergenoegen

met hem te ontwapenen. Het ware jammer, om den koks van koning Arthur

zulk een wakkeren steun te ontnemen!"

Thans was het gedaan met de zelfbeheersching van onzen held. Het bloed

kookte hem in de aderen van woede en schaamte over den hoon, die hem

werd aangedaan. Met vaste hand greep hij zijn zwaard, rende op den

Zwarten Ridder toe en nog vóór de lach op diens lippen bestorven was,

had onze held hem met een geweldigen zwaardslag den schedel doorkliefd.

Toen steeg hij van zijn paard, ontdeed zijn vijand van diens

wapenrusting en verwisselde die met de zijne. Daarna sprong hij

opnieuw in het zadel en beduidde de jonkvrouw met een kort handgebaar

om haren weg te vervolgen.

Deze had stilzwijgend het gebeurde gadegeslagen; de uitdrukking van

trotsche minachting op haar gelaat had plaats gemaakt voor een blik

van ontzetting over het vreeselijk einde van den Zwarten Ridder;

tevens kon zij een gevoel van bewondering voor den koenen moed van

den jongeling nauwelijks onderdrukken. Dit gevoel duurde echter niet

lang en vóór zij verder reden, voegde zij Gareth op smalenden toon toe:

"Gij meent zeker, thans aanspraak te kunnen maken op den naam van held,

nu gij den Zwarten Ridder bij verrassing verslagen hebt! Maar dit

zeg ik u, er wachten u nog gansch andere gevaren! Deze ridder, dien

gij op zulk eene wreede wijze overrompeld hebt, heeft twee broeders:

één van hen is de ridder, die mijne zuster in haar kasteel belegert;

in den strijd met hem zult gij stellig het onderspit delven! De

vraag is echter of gij het ooit zoover brengen zult, dat gij u met

hem in het gevecht begeeft, want de andere broeder, de Groene Ridder,

doolt hier in den omtrek rond en zal den dood van zijn broeder niet

ongewroken laten. Daarom raad ik u aan, alsnog naar het hof terug te

keeren en uw vroeger bedrijf weer op te vatten!"

"Vrouwe", antwoordde Gareth, "uwe woorden kunnen mij niet deren! Zij

gelijken op een zwerm kwade vliegen, die zich neerzetten op den rug

van mijn paard en het trachten te steken, maar die het dier met eene

enkele beweging van zich afslaat. Op dergelijke wijze schud ik uwe

booze woorden van mij af. In uw hart weet gij, dat ge mij onrecht

aandoet door zoo te spreken en eens zal er een oogenblik komen, dat

gij spijt zult gevoelen, mij zoo behandeld te hebben. Thans bid ik u,

voort te rijden en mij den weg te toonen naar het slot uwer zuster."

Opnieuw reden zij eenigen tijd zonder spreken naast elkander voort, tot

zij bij het vallen van den avond bij eene kromming van den weg werden

staande gehouden door een ridder te paard, die geheel in het groen

was gekleed. Toen hij Gareth in zijne zwarte wapenrusting bemerkte,

wilde hij vol vreugde op hem toe ijlen, denkend, dat het zijn broeder

was, maar Lynette, zoo heette de jonkvrouw, stak waarschuwend hare

hand omhoog en riep uit:

"Vergis u niet, edele Heer! De man, dien ge vóór u ziet, heeft uw

broeder, den Zwarten Ridder, gedood en zich in diens wapenrusting

gestoken om uwe wraak te ontkomen. Spaar hem niet, bedenk, dat hij

uw broeders moordenaar is!"

De Groene Ridder had geen verdere aansporing noodig. Met een kreet

van toorn stormde hij op Gareth los, maar deze was op zijn aanval

voorbereid en wist met eene behendige zwenking van zijn paard zijn

zwaardslag te ontwijken. Daarop viel hij op zijne beurt aan en weldra

waren de beiden in een heet gevecht gewikkeld.

Na een langen strijd gelukte het Gareth zijn tegenstander diens

wapenen uit de hand te slaan. De Groene Ridder stak beide handen

omhoog en smeekte om genade, maar Gareth, die opgewonden was door

den gunstigen afloop van het gevecht, riep uit:

"Slechts onder ééne voorwaarde wil ik u het leven schenken en die is,

dat de jonkvrouw Lynette mij dit als eene gunst verzoekt. Weigert

zij zulks te doen, dan zijt gij een kind des doods."

Lynette ontstak in hevige verontwaardiging. "Ik u iets verzoeken?" riep

zij uit; "nimmer zal ik dat doen! Alles wil ik doen, om het leven van

dezen ridder te sparen, maar dat nooit, neen nooit!" Maar toen zij zag,

dat het Gareth ernst was met wat hij zeide en dat hij zijn zwaard reeds

omhoog hief om den Groenen Ridder den genadeslag toe te brengen, kreeg

haar gevoel van medelijden de overhand boven haar trots en sprak zij:

"Welnu dan, het zij zoo! Ik verzoek u als eene persoonlijke gunst het

leven van dezen ridder te sparen." Na deze woorden gesproken te hebben,

wendde zij zich af en verborg het schaamrood gelaat in hare handen.

Vol vreugde over zijne redding dankte de Groene Ridder Gareth voor

zijne genade en verzocht hem en zijne gezellin den nacht in zijn

kasteel door te brengen. Gaarne namen zij zijne uitnoodiging aan en na

een verkwikkenden slaap begaven zij zich den volgenden morgen versterkt

en uitgerust op weg. Het kasteel van Vrouwe Lyonors was nu nog slechts

eene dagreis verwijderd van de plaats, waar zij zich bevonden, en zij

hadden hoop het reeds den daaropvolgenden morgen te kunnen bereiken.

De dag verliep zonder verdere avonturen en toen de avond begon te

vallen betraden zij het gebied van Lyonors.

Op aanraden van Lynette zochten zij een onderkomen in de woning van

een kluizenaar, wien Lyonors een ruimen voorraad spijzen en dranken

had doen toekomen om haren bevrijder, indien hij mocht komen, te

laven en voor den komenden strijd te sterken.

Het vooruitzicht van den op handen zijnden strijd belette Gareth om

lang te slapen en reeds vóór het krieken van den dag was hij bezig,

zijne wapenen na te zien, of alles voor het gevecht in orde was. Ook de

jonkvrouw was vroeg uit de veeren en na een haastig ontbijt verlieten

de beiden de eenzame kluis.

Na eenige uren rijdens rezen de tinnen van een statig ridderslot op

eenigen afstand voor hen op en weldra betraden zij de vlakte, welke

zich aan den voet van het slot uitstrekte. Daar trof een vreeselijk

schouwspel hun oog.

In de vlakte waren vele tenten opgeslagen, welke tot huisvesting

moesten dienen aan het leger van den Rooden Ridder en aan de boomen,

die daar omheen groeiden, hingen--O schrik!--de afschuwelijk verminkte

lijken van een aantal ridders.

Vol ontzetting vroeg Gareth de jonkvrouw naar de beteekenis van

dit afgrijselijk schouwspel, waarop Lynette hem op half spottenden,

half medelijdenden toon ten antwoord gaf:

"Heer, het zijn de lijken van uwe voorgangers, ridders, die, evenals

gij, getracht hebben om mijne zuster te bevrijden. Ge ziet, hoe het

hun daarbij vergaan is. Wat dunkt u, hebt ge nog moed om uwe kans

te wagen?"

Gareth aarzelde geen oogenblik, maar vroeg zijne gezellin kortaf om hem

te wijzen, waar de Roode Ridder zich bevond. Toen bracht Lynette hem

naar een wilden vijgeboom, in welks knoestige takken een reusachtige

hoorn hing, en verzocht hem hierop te blazen.

Gareth deed zulks en reeds bij den eersten hoornstoot vulden

de wallen van het kasteel zich met vrouwen en ridders, die in

angstige spanning omlaag zagen, om den nieuwen strijder voor hunne

bevrijding te aanschouwen. In een der hoofdtorens van het kasteel

werd een venster geopend en op een kreet van Lynette richtte Gareth

zijne oogen daarheen. En ziet--voor het venster vertoonde zich

eene vrouwengestalte, die zich in blijkbare spanning vooroverboog

en Gareth recht in het gezicht zag. Bij het aanschouwen van dit

bekoorlijk gelaat maakte eene ongekende ontroering zich van Gareth

meester. Al zijne vernederingen en krenkingen waren vergeten, hij

staarde en staarde naar dit lieflijk gelaat, en kon zich maar niet

verzadigen aan den aanblik van die schoone oogen, die hem zoo angstig

smeekend aanzagen. Plotseling werd hij zich met een schok bewust,

dat dit de geliefde moest zijn uit zijne jongelingsdroomen, die zijne

wenschen naar liefde en geluk zou verwezenlijken en die datgene,

wat hem tot nu toe slechts in vage, zoete droomen had voorgezweefd,

tot wonderschoone werkelijkheid zou maken. Zóózeer was de jongeling

verdiept in de aanschouwing der schoone vrouwe, dat hij geheel vergat,

welk een zware strijd hem wachtte, alvorens hij zich tot haar kon

begeven. Een luide uitroep van Lynette riep hem tot de werkelijkheid

terug en zich omwendend zag hij uit een der tenten een ridder te

voorschijn treden, gekleed in eene bloedroode wapenrusting en voorzien

van een schild en speer van diezelfde kleur. De ridder daagde hem op

ruwen toon uit tot een tweegevecht op leven en dood, maar gebood hem,

zich vooraf bekend te maken.

Toen was het lang verbeide oogenblik gekomen, dat Gareth zich in zijne

ware gedaante mocht vertoonen. Zijn blik gleed langs het gelaat van

Lynette, waarop de hem bekende uitdrukking van minachting zetelde,

toen zag hij omhoog naar Lyonors en riep met luider stem, zoodat ook

de slotbewoners het hooren konden:

"Mijn naam is Gareth, ik ben de zoon van koning Lot, die heerscher

is over de Orcadische eilanden. Ik ben herwaarts gekomen om Vrouwe

Lyonors te bevrijden, daar het de plicht is van ieder ridder om de

zwakken in den nood bij te staan. Ik beschuldig u van verzaking uwer

ridderplichten en bedreiging van vrouweneer. Die beschuldiging zal

ik met kracht van wapenen staven!"

Hierop begon het gevecht, dat in hevigheid alle voorgaande gevechten,

welke de Roode Ridder gevoerd had, overtrof. Met al de kracht van zijne

frissche jeugd wierp Gareth zich op zijn tegenstander en, mocht deze

hem al in lichaamsgrootte en kracht overtreffen, zoo behaalde onze held

menig voordeel door zijne meerdere vlugheid. Daarbij was het gevoel,

onder de oogen zijner geliefde te strijden, hem eene aansporing te

meer om zich tot het uiterste in te spannen en de gedachte aan het lot,

dat haar bedreigde, wanneer hij in den strijd het onderspit zou delven,

schonk hem eene schier bovenmenschelijke kracht.

Toen het gevecht eenigen tijd had geduurd, begon de Roode Ridder

teekenen van vermoeidheid te vertoonenen zoodra Gareth dit bemerkte,

verdubbelde hij zijne krachtsinspanning. Toen zijn tegenstander kort

daarop zijn schild ophief om een zwaardslag van Gareth, welke op zijn

hoofd gericht was, af te weren, maakte onze held hiervan gebruik om hem

met de linkerhand zijne scherpe speerpunt in de zijde te drukken. Met

een kreet van pijn liet de Roode Ridder zijn schild uit de hand vallen

en verklaarde zich overwonnen.

Welk eene vreugde! Van de muren van het kasteel schalden de

juichkreten, de poorten werden geopend, de breede slotbrug werd

neergelaten en eene blijde menigte volks kwam Gareth tegemoet, toen hij

zich aan de hand van Lynette naar den ingang van het slot begaf. Het

jonge meisje had hem onder een stortvloed van tranen haar leedwezen

betuigd over haar gedrag en hem gesmeekt haar te willen vergeven,

maar onze held luisterde nauwelijks naar wat zij zeide.

Bevend van spanning verzocht hij haar hem naar hare zuster te brengen

en zoo gingen zij te zamen de brug en het slotplein over en naderden de

hoofddeur van het kasteel. Daar werden de wijde vleugeldeuren geopend

en naar buiten trad de schoone slotvrouwe, die met betraande oogen

en uitgestrekte handen op Gareth toekwam. Toen zij hem zag in al den

bloei zijner mannelijke schoonheid en in zijne oogen de bewondering

las, die hij voor haar gevoelde, ontvlamde wederkeerig in haar hart

de liefde voor dezen jongen held, die haar door zijne dapperheid voor

een vreeselijk lot bewaard had.

Eenige dagen later werd hunne verloving gevierd en te zamen keerden

zij kort daarop terug naar het hof des konings. De laatste had

intusschen uit een schrijven van zijne zuster, koningin Morgawse,

vernomen, wie de jongeling was, die hem in de afgeloopen maanden zoo

trouw had gediend. Geen wonder dus, dat de terugkomst van onzen held

met spanning door het gansche hof werd verbeid.

Toen hij als overwinnaar terugkeerde en nog wel met eene schoone

bruid aan zijne zijde, kende de algemeene vreugde geene grenzen.

Weldra werd het huwelijk tusschen het jonge paar voltrokken en op

dienzelfden dag werd Gareth plechtig opgenomen onder de ridders der

Tafel Ronde. Thans waren zijne stoutste droomen verwezenlijkt: liefde

en eer, geluk en aanzien waren zijn deel geworden. Lange jaren brachten

hij en zijne schoone gemalin in vrede en voorspoed door aan het hof

van koning Arthur. Hij bewees zijn vorst in den loop der jaren vele en

gewichtige diensten, onderscheidde zich in menig gevaarvol avontuur,

maar nooit vergat hij zijn proeftijd aan het hof, noch zijn eersten

tocht als ridder naar het kasteel van Lyonors.

Sagen van Koning Arthur en de Ridders van de Tafelronde · 第 20 / 56 题