...."two brethren of Northumberland,
in life and death good knights."
(Swinburne: "The Tale of Balen.")
_Hoe Balin en Balan aan het hof van koning Arthur kwamen en hoe
de eerste tot ballingschap veroordeeld werd._ Onder de ridders van
koning Arthur bevonden zich twee broeders, Balin en Balan genaamd. Zij
kwamen uit het Noorden, uit het graafschap Northumberland, waar zij
opgevoed waren in het eenzame kasteel van hun vader, omgeven door
donkere bosschen en uitgestrekte heidevelden, in de nabijheid van de
zee, die schuimend tegen de hooge rotsen der kust sloeg. Daar zij van
jongs af aan geen ander dan elkanders gezelschap gekend hadden, was de
band tusschen hen veel inniger geworden, dan misschien onder andere
omstandigheden het geval zou zijn geweest. Balin, de oudste broeder,
vereenigde in zijn karakter al de eigenschappen, die de bevolking
der Noordelijke streken onderscheiden van die der Zuidelijke. Het
scheen, of er iets van het wilde en ongebondene der Noordsche natuur
was binnengeslopen in zijn gemoed. Wanneer hij streed in het gevecht,
hanteerde hij zijn zwaard met dezelfde onstuimige kracht, als waarmede
de golven tegen de klippen van zijn geboorteland beukten en zijn ziel
bevatte donkere diepten van hartstocht, waar het stormen kon als in
de wouden van Northumberland, wanneer de grond bedekt is met sneeuw
en de noordenwind door de kale takken giert. Maar ook het eerlijke
en onbedorvene van zijne landgenooten was zijn deel geworden, hij
was opgegroeid ver van de hoofsche samenleving en daardoor was hij
vrij gebleven van vleierij en bedrog. Hij was een kind der natuur,
trotsch in zijne mannelijke kracht, met eene vurige bewondering voor
al wat schoon en goed was en met eene warme liefde voor zijn jongeren
broeder Balan, den eenige, die door een woord van kalme overreding
de stormen in het gemoed van Balin kon doen bedaren en hem met een
enkelen blik tot bezinning kon brengen, wanneer hij dreigde zich te
laten meesleepen door zijne booze driften.
Toen de beide broeders den mannelijken leeftijd bereikt hadden was
de mare van Arthurs roem allengs doorgedrongen tot de eenzaamheid van
hun vaderlijk kasteel en beiden voelden den wensch bij zich opkomen om
naar Camelot te gaan en koning Arthur hunne diensten aan te bieden. Wat
kon er heerlijker bestaan dan te strijden onder de banieren van zulk
een vorst, den krachtigsten en edelsten der Christenheid!
Aan het hof te Camelot gekomen, onderscheidde Balin zich al
spoedig door zijne groote dapperheid, welke voor geen gevaar
terugdeinsde. Geene onderneming achtte hij te zwaar, waar het gold den
naam van zijn vorst luister bij te zetten. Het spreekt van zelf, dat
de roem van zijne heldendaden hem zoowel benijders als bewonderaars
verschafte. De eersten zochten steeds eene gelegenheid om hem te
kwetsen en te beleedigen door toespelingen te maken op zijne Noordsche
herkomst, op zijne simpele kleedij, zijne eenvoudige manieren en op
de zeden en gewoonten van zijn vaderland. Gewoonlijk wist Balan door
een verstandig woord den aanval van drift, die in zijn broeder dreigde
op te komen bij het hooren van dergelijke schampere opmerkingen, te
bezweren, maar eens gebeurde het tijdens Balans afwezigheid, dat een
der hovelingen, een neef van den koning, zich spottend uitliet over
de ridders, die uit vreemde streken naar het hof van koning Arthur
waren gekomen. Zij hoorden er niet thuis, meende hij, en daar zij
toch nooit in staat zouden zijn, om zich de hoofsche manieren en de
fijne beschaving, die daar heerschten, eigen te maken, deden zij beter
met in hun land te blijven, onder de boeren en dorpelingen. Bij het
hooren van deze woorden ontstak Balin in zulk eene woede, dat hij
alles om zich heen vergat en op den lasteraar toesnellend, hem met
één enkelen zwaardslag den schedel doorkliefde.
Toen hij tot bezinning kwam, lag hij gebonden aan handen en voeten
in één der kerkers van het koninklijk slot en moest hij daar het
vonnis voor zijne misdaad afwachten. Hij werd veroordeeld tot
eene ballingschap van zes maanden. Gedurende dien tijd zwierf hij
rond door het zuiden van Engeland en hoewel hij nog kon trillen
van woede bij de herinnering aan de grievende beleediging, hem en
zijnen landgenooten aangedaan, zoo maakte hij zich toch de bitterste
verwijten, dat hij zich ten aanzien van alle ridders en hovelingen
zóó had laten meesleepen door zijne noodlottige drift. Deze was nu
oorzaak, dat hij als banneling rondzwierf, inplaats van te strijden
onder 's konings edele ridderschap. Maar toen de maanden van zijne
verbanning bijna verstreken waren, toen de lente in het land kwam en
de natuur om hem heen begon te groeien en te bloeien, toen scheen het,
of ook in Balins hart een nieuw leven ontwaakte, dat hem aanspoorde tot
daden van roem en dapperheid, grootscher en schooner dan hij nog ooit
volbracht had. Kort daarna kwam er een boodschapper van den koning,
die hem uitnoodigde, terug te keeren aan het hof, waar de ridders
zijne voorspraak waren geweest bij Arthur en dezen overreed hadden
om Balin uit zijne ballingschap terug te roepen, nog vóór de zes
maanden verstreken waren. De jonge held reed terug naar Camelot door
de bloeiende velden, door de in jeugdig groen prijkende bosschen,
waar de vogels hun vreugde uitzongen over den terugkeer der lente,
en werd weer in genade aangenomen door zijn vorst. Nu volgde een
tijd van vreugde en zorgeloosheid voor Balin. Met het naderen van
den zomer reden de ridders iederen dag uit tot het maken van verre
tochten, of om zich te oefenen in het boogschieten en speerwerpen in
de velden bij Camelot. 's Avonds, wanneer allen teruggekeerd waren
en tezamen vereenigd zaten aan den maaltijd in de groote zaal van
Arthurs paleis, kwamen de harp- en luitspelers hen vermaken met hunne
liederen of hoorden zij verhalen over vreemde streken uit den mond
van den een of anderen ridder, die als gast aan het hof vertoefde. En
het gejuich, dat dan opging in de groote zaal, wanneer er sprake was
van een buitengewoon stoutmoedige daad, of wanneer er een grappig
lied werd gezongen, was zóó luid, dat de schilden aan de muren ervan
trilden. Balin voelde zich gelukkig, elke dag bracht hem nieuwen
roem, hij begon geheel thuis te geraken onder de ridders van het hof,
die hem wegens zijne dapperheid en eenvoudige vriendelijkheid met
onderscheiding en welwillendheid tegemoet kwamen en de booze geesten,
die hem plachten aan te zetten tot daden van drift en hartstocht,
schenen geheel uit zijne ziel verbannen te zijn.
_Hoe Balin optreedt als redder der zwaardjonkvrouw._ Eens op een dag,
toen de ridders zich om den koning verzameld hadden, om te beraadslagen
over een veldtocht tegen koning Rience van Wallis, die met eene
groote strijdmacht het land was binnengetrokken en alle dorpen en
steden op zijn weg verwoestte en verbrandde, kwam er eene jonkvrouw
de groote zaal van het paleis binnentreden. Toen zij vóór den troon
van koning Arthur stond, neeg zij eerbiedig. Daarop sloeg zij haren
kostbaren, met bont omzoomden mantel open en vertoonde aan den koning
en de verbaasde hovelingen een groot zwaard, dat aan haar gordel
bevestigd was en dat zij moeizaam met zich droeg. Toen sprak zij:
"Heer koning! mij heeft gezonden de Vrouwe van Avalon, om u te smeeken,
mij hulp en bijstand te verleenen. Gij ziet den zwaren last, dien ik
torsen moet, alleen een ridder van onbevlekten naam en weergalooze
dapperheid, kan mij daarvan bevrijden. Help gij mij, zulk eenen te
vinden!" Daarop antwoordde de koning trotsch: "Indien gij een ridder
zoekt van onbevlekten naam en faam, deedt gij wel, hierheen te komen,
want de ridders van de Ronde Tafel zijn de dapperste en edelste ter
wereld. Ik zelf zal het eerst eene poging wagen, om u te bevrijden
van uwen drukkenden last, niet omdat ik zeker ben te voldoen aan de
hooge eischen, die gij aan uwen redder stelt, maar om mijne ridders tot
voorbeeld te strekken. Houd goeden moed, spoedig zult gij, bevrijd van
deze kwelling, naar huis kunnen terugkeeren!" Nadat hij deze woorden
gesproken had, trad de koning op de jonkvrouw toe, greep het zwaard,
dat aan hare zijde hing, en poogde het met een forschen greep los te
rukken. Maar tevergeefs! het week niet uit de scheede! Daarna snelden
de ridders, geprikkeld door deze beleediging, hun aangedaan in den
persoon huns konings, naderbij om ook hunne krachten te beproeven. De
eerste, die eene kans waagde was Lanceloet. Met zijne sterke vuist
greep hij het zwaard bij het gevest en trok er aan met alle macht,
tot de spieren van zijn arm opzwollen van inspanning, maar hij kon er
niet in slagen, het zwaard ook maar een duimbreed te doen wijken. En
toen hij terugging naar zijne plaats aan de lange tafel, hield hij
het trotsche hoofd gebogen, want hij wist maar al te goed, waarom
het hem niet gelukt was, de jonkvrouw te verlossen uit haar nood.
Daarop naderde Tristan met vluggen, veerkrachtigen tred. Een
zonnestraal, welke door een der hooge boogvensters viel, verlichtte
zijne blonde haren en zijne oogen schenen ver weg te zien, alsof hij
leefde in eene andere wereld, waar de hoogste wet eene andere was dan
die, welke gold in het rijk van Arthur. Het was met dien wonderlijken
blik in zijn oogen, dat Tristan het zwaard greep, dat de jonkvrouw
omgordde, maar hoe hij ook trok, het bleef als met onwrikbare ketenen
aan hare zijde vastgeklonken.
Na hem kwamen andere ridders: Walewein, die lachte in jeugdigen
overmoed, toen ook zijne moeite tevergeefsch bleek te zijn, Key, die
zich norsch afwendde en eenige verwenschingen mompelde, terwijl hij
zijne plaats weer opzocht, Lamorak, de minnaar van een der gasten des
konings, eene schoone koningin, wier gloeienden blik hij op zich voelde
rusten, toen hij zich aanbood om op zijne beurt eene kans te wagen en
nog vele anderen na hem. En toen er geen enkele in staat bleek, om den
toets te doorstaan en de jonkvrouw luid klagend heen wilde gaan, om
elders een verlosser te vinden, riep koning Arthur op bitteren toon:
"Helaas! is er dan géén onder mijne ridders, wiens naam zonder smet
of blaam is en wiens dapperheid zóó groot is, dat hij deze proef kan
doorstaan! Nog liever ware ik gestorven, dan dat ik den dag moest
beleven, waarop ik den roem van mijne ridderschap geschandvlekt zie!"
Toen verrees ten laatste Balin van zijn zetel achter in de zaal,
vanwaar hij tot nu toe het schouwspel had gadegeslagen. Hij had
het niet durven wagen, zich te voegen bij de vermaarde ridders,
die gevolg hadden gegeven aan den oproep des konings; het gevoel
zijner minderheid tegenover deze beroemde helden en een gemis aan
zelfvertrouwen hadden hem daarvan teruggehouden. Maar nu--na dezen
wanhopigen uitroep van zijn geliefden vorst--voelde hij plotseling
dat, hoe onwaardig hij ook mocht zijn, om de daad te verrichten,
hij haar toch wilde beproeven. Met vaste schreden ging hij op de
jonkvrouw toe, maar toen deze hem zag naderen in zijne eenvoudige
kleedij, zoo geheel verschillend van de sierlijk bepluimde en met
edelsteenen getooide wapenrustingen der andere ridders, week zij
onwillekeurig eene schrede terug en riep op spottenden toon: "Wat
nu? Denkt gij te slagen, waar zoovele anderen, machtiger, rijker
en edeler dan gij, het moesten afleggen? Keer terug naar uw dorp,
vanwaar gij gekomen zijt en laat het verrichten van heldendaden over
aan uwe meerderen!" "Schoone jonkvrouw", antwoordde Balin, "meerdere
waarde schuilt niet in hooge afkomst of sierlijke kleederen, het is
in de ziel der menschen, dat God den toetssteen legt voor hun hooger
kunnen. Met Zijne hulp wil ik beproeven u te verlossen."
Daarop legde hij zijne hand op het zwaard en bij de eerste poging
vloog het uit de scheede en glinsterende in den zonneschijn. Trotsch
en gelukkig wendde Balin zich tot koning Arthur en sprak: "Heer
koning! sta mij toe, dit zwaard te behouden, dat ik met eigen
inspanning verworven heb! Vergun mij nu, heen te gaan van uw hof
en met behulp van dit wapen te trachten nieuwen roem te verwerven,
waardoor de luister van uw naam steeds helderder moge schijnen!" Maar
vóór de koning kon antwoorden, kwam de jonkvrouw haastig en dringend
tusschenbeide en sprak tot Balin: "Heer ridder! groot is mijn
dankbaarheid jegens u en diep mijn leedwezen, dat ik u zoo even
met mijne booze woorden gekrenkt heb, maar wat ik u bidden mag,
geef mij het zwaard terug, waarvan gij mij bevrijd hebt. Het zal
u ongeluk aanbrengen--geloof mij--ik smeek er u om!" Maar wat zij
ook sprak, Balin wilde het zwaard niet afstaan, er was een gevoel
van groote rust en zekerheid over hem gekomen en hij voelde zich in
staat om groote dingen te doen en om allen tegenstand, ook dien van
het noodlot het hoofd te bieden. "Geef mij het zwaard terug," smeekte
de jonkvrouw nog eens, "het is voor uw bestwil, dat ik er om vraag,
want luister naar mij en onthoud wat ik u zeg: Wanneer gij dit zwaard
behoudt zult gij er hem mede dooden, die u het dierbaarst is op aarde
en zal het uw ondergang worden. Geef het mij daarom terug, vóór het
te laat is!" Nochtans wilde Balin zijn eervol verworven schat niet
afstaan. "Wanneer het de wil van God is, dat ik sterven zal," zoo
sprak hij ernstig, "dan vermag mijne luttele kracht daar niet tegen
te strijden. Ik kan slechts de taak vervullen, waartoe ik mij geroepen
voel, en wat mijn leven en sterven betreft, die zijn in Gods hand."
Met deze woorden verliet hij het gezelschap en begaf zich naar de
stallen om zijn strijdros te zadelen en zich gereed te maken voor
zijn vertrek.
_Van de komst der meervrouwe aan het hof en hoe Balin haar doodde._
Terwijl hij hiermede bezig was, weerklonk er bazuingeschal van
den toren en spoedig daarna reed eene schoone jonkvrouw, op een
sneeuwwitten telganger gezeten, de poorten van het paleis binnen. Zij
droeg een slepend kleed van eene heldergroene kleur, dat bij elke
beweging een zacht ritselend geluid maakte. Een krans van zeewier
omstrengelde haar hoofd en door hare blonde haren waren lange slingers
gevlochten van groene waterplanten. Hare gestalte was slank en trotsch
en hare oogen waren van het zuiverste blauw, dat men zich denken
kan. Toen zij de zaal van Arthurs paleis binnentrad, bogen allen
eerbiedig ter aarde, want men herkende in haar de Meervrouwe, haar,
die Arthur eenmaal zijn beroemd zwaard Excalibur geschonken had,
toen hij in den strijd tegen Pellinore, den vader van Parcival en
Lamorak, zijn zwaard verloren had. De Vrouwe van het Meer had bij die
schenking de voorwaarde gemaakt dat, mocht er ooit eene gelegenheid
komen, waarop zij Arthur om eene gunst zou verzoeken, hij haar die
niet zou weigeren. Nu was het oogenblik gekomen, waarop zij hem aan
die belofte wenschte te herinneren. Zij ging op den troon des konings
toe, boog het hoofd ter begroeting en sprak: "Sire! gij herinnert u,
hoe gij mij destijds beloofdet elk verzoek, dat ik u zou doen, in
te willigen, in ruil voor het zwaard Excalibur, dat ik u geschonken
heb?" "Ik herinner het mij zeer goed", antwoordde de koning, "en
zal gaarne aan mijne verplichtingen voldoen, indien zulks in mijne
macht ligt." "Welnu dan", hernam zij, "ik vraag van u het hoofd der
jonkvrouw, die zoo juist hier binnen kwam, of anders dat van den
ridder die haar bevrijdde." Het gelaat van den koning betrok. "Dat
kan ik u niet geven", sprak hij, "elken anderen eisch, dien gij mij
stellen wilt, zal ik echter gaarne inwilligen." Maar de Meervrouwe
schudde het hoofd. "Dezen en geen anderen wensch ter wereld heb ik,"
sprak zij, "dan het hoofd te bezitten van haar, die de oorzaak is
geweest van mijns vaders dood of van hem, die de moordenaar was van
mijn geliefden broeder. Vervul dien wensch, o Koning, gij zijt het
aan uwe eer verplicht." Nauwelijks had zij deze woorden uitgesproken
of Balin, gereed om zich op weg te begeven, trad de zaal binnen. Toen
hij hoorde, wie de hooge bezoekster was en waarom zij kwam, snelde
hij op haar toe en verweet haar in de bitterste bewoordingen, dat
zij de oorzaak was geweest van den dood zijner moeder. Drie lange
jaren had hij rondgezworven om haar te zoeken en nu hij plotseling
voor haar stond en zich al het leed herinnerde, dat zij hem en den
zijnen berokkend had, werd hij zóó door zijn toorn overmeesterd,
dat hij ten slotte uitriep: "Gij zijt hier gekomen, om mij het hoofd
te doen verliezen, maar die reis zal u het uwe kosten!" en met een
enkelen zwaardslag kliefde hij haar het hoofd van de schouders.
Deze daad veroorzaakte groote ontsteltenis onder de omstanders. Koning
Arthur beval Balin op hoogen toon onmiddellijk het hof te verlaten, nu
hij zóó weinig eerbied voor zijn vorst getoond had, dat hij eene dame
en nog wel ééne, die onder 's Konings hooge bescherming stond, onder
zijne oogen op zulk een verraderlijke wijze gedood had. Balin zweeg
een oogenblik, maar toen wendde hij zich tot Arthur en sprak: "Heer
Koning! het ware eene misdaad geweest tegenover mijne medemenschen
om een dergelijk vergrijp, als waaraan deze booze vrouw zich had
schuldig gemaakt, ongestraft te laten! Indien ik misschien in mijne
handelwijze te haastig ben geweest, zoo geschiedde dit niet uit gebrek
aan eerbied jegens u, dien ik boven allen hoog stel. Dit hoop ik u
door mijne daden te bewijzen!"
Met deze woorden nam hij het hoofd van den vloer, keerde zich om en
verliet de zaal. Weldra hoorde men den hoefslag van zijn paard over de
ophaalbrug vóór het paleis dreunen. Toen hij even buiten de poort was
gekomen, deed hij zijn paard stilhouden, overhandigde het hoofd aan
zijn schildknaap en beval dezen, ermede naar Northumberland te rijden
en zijnen vrienden en magen te melden, onder welke omstandigheden en
ten koste waarvan hij den dood zijner moeder gewroken had. Toen de
knaap hem beklaagde, omdat hij in ongenade gevallen was bij koning
Arthur, verhief Balin zich trotsch in den zadel en zeide tot hem:
"Wees niet bekommerd over mij! Ik zal naar het land van koning Rience
rijden en hem zien te dooden en wanneer ik koning Arthur het hoofd van
zijnen doodsvijand brengen kan, zal hij mij gemakkelijk mijne schuld
vergeven." Hierop nam hij afscheid van den knaap en reed alleen verder,
de onbekende toekomst tegemoet. Ondanks alles wat er gebeurd was,
gevoelde hij geen vrees voor den toorn des konings. Het bewustzijn,
eene goede daad te hebben verricht en de hoop van 's konings vijand
te kunnen verslaan, deden hem berusten in de tijdelijke verbanning
van het hof en deden het vertrouwen in hem rijzen, dat hij eenmaal de
gunst van zijn vorst zou mogen herwinnen. En bovendien--de zon scheen
zoo vroolijk over de velden, de bosschen, waar hij door reed, waren zoo
schoon in hunne zomerpracht en het kabbelen der beekjes klonk hem zoo
welluidend in de ooren, dat hij weldra alle zorgen des levens vergat
in zijne vreugde om de schoonheid der natuur en zijne onbezorgde jeugd.
_Hoe Launceor van Ierland zich opmaakt om Balin te volgen._ Eenige uren
nadat Balin het paleis verlaten had, reed een ridder het binnenplein
van Arthurs kasteel op. Het was Launceor, de zoon van den koning
van Ierland, een hoogmoedig, ijverzuchtig ridder. Reeds lang hadden
de geruchten van Balin's heldendaden, die zelfs tot aan het hof van
zijn vader waren doorgedrongen, zijne afgunst opgewekt en den wensch
bij hem doen opkomen om dezen eenvoudigen knaap uit het Noorden eens
te toonen, dat er nog sterker en machtiger waren dan hij en dat hij
het niet moest wagen zich te meten met een koningszoon. Met dit doel
was hij naar Camelot getrokken en toen hij bij zijne aankomst aldaar
vernam, wat er geschied was, wendde hij zich tot den vorst en sprak:
"Heer Koning! sta mij toe, dat ik uittrek om dezen weerspannigen
ridder te zoeken en vergun mij dat ik de beleediging, u aangedaan,
op hem wreke! Het ware ongehoord, dat een ridder, en nog wel een van
niet-koninklijke afkomst, u op zulk eene wijze zou mogen vernederen,
zonder dat hem daarvoor eene gerechte straf werde toegediend!"
De koning, wiens misnoegen over Balin door deze woorden werd versterkt,
gaf Launceor vergunning om heen te gaan. Nog terwijl deze zich
voor zijne reis gereed maakte, kwam Merlijn, de grijze toovenaar,
tot den koning en vertelde hem, dat de jonkvrouw, die met het zwaard
aan het hof was gekomen, eene booze, valsche vrouw was. Zij had een
minnaar gehad, met wien zij nachtelijke samenkomsten hield in een
eenzaam priëel in het park van haren vader. Eens op een avond had
haar broeder hen beiden daar verrast, en in toorn ontstoken over
de schande zijne zuster aangedaan, had hij haren minnaar voor hare
oogen gedood. Hierop was de jonkvrouw hulp en raad gaan zoeken bij
de Vrouwe van Avalon, en had deze gesmeekt haar in staat te stellen,
zich op haren broeder te wreken. De toovenares had haar toen dit
zwaard gegeven en haar opgedragen een ridder te zoeken, die het uit de
scheede zou kunnen trekken. Alleen hij, die zonder vrees of blaam was,
zou erin slagen, dit feit te volbrengen en hij die het volbracht, zou
tevens de moordenaar van haren broeder worden. Toen Merlijn zoover
gekomen was, vertelde men hem, wie de ridder was, die de jonkvrouw
van het zwaard bevrijd had. Daarop begon de grijze ziener op luiden
toon te weeklagen, dat het juist Balin, een der dapperste en edelste
ridders van het hof, zijn moest, die het slachtoffer zou worden,
"want", zoo voegde hij aan zijne woorden toe, "hij, die het zwaard
uit de scheede trok, is voorbestemd, om door dat zwaard te sterven."
Intusschen had Launceor zijn harnas aangegespt en, den helm met een
wuivenden vederbos op het hoofd, het zware schild aan den schouder
en het zwaard in de hand, reed hij de poorten van het kasteel uit en
sloeg den weg in, dien Balin eenige uren tevoren genomen had. Deze
laatste was juist aan den rand van een groot bosch gekomen, toen
hij het dreunen van naderende hoefslagen achter zich hoorde en, zich
omwendend, een ridder in vliegende vaart op zich zag afkomen. Terstond
deed hij zijn paard stilstaan en vroeg den naderenden ridder, wien
hij zocht en wat zijn verlangen was. "Wat mijn verlangen is?" riep
Launceor spottend: "dat zal ik u spoedig duidelijk maken! Ik ben
gezonden door koning Arthur om de beleediging te wreken, die gij hem
hebt aangedaan. Dientengevolge daag ik u hierbij uit tot een gevecht
op leven en dood!"
"Zoo zij het!" sprak Balin, "al gevoel ik geen berouw over wat ik deed,
toch zult ge uwe uitdaging niet behoeven te herhalen!" Met gevelde
lans reden de beide ridders op elkander in. Een hevig gevecht volgde,
de grond dreunde van het getrappel der paardenhoeven, de lansen
kletterden en flikkerden in het zonlicht, tot eindelijk Balin met
een behendigen stoot zijn tegenstander in het hart trof. Toen hij
zag, dat het met zijnen vijand gedaan was, steeg hij van zijn paard
en trad naderbij, maar op hetzelfde oogenblik hoorde hij kreten van
ontzetting achter zich en zag hij eene vrouwengestalte, die zich onder
luid geweeklaag op het levenlooze lichaam van Launceor wierp. Toen
de eerste aanval van smart bedaard was, wendde de jonkvrouw zich tot
hem en verweet hem in woorden van hartstochtelijke droefenis den
dood van haar geliefde. Tevergeefs poogde Balin haar duidelijk te
maken, dat de uitdaging tot den strijd van Launceor was uitgegaan,
zij hield niet op met hem de schuld te geven van haar verlies en
ging voort met in de wanhopigste bewoordingen haar eenzaam lot te
bejammeren. Eindelijk greep zij het zwaard van den dooden ridder
en, vóór Balin het haar beletten kon, stortte zij er zich in met
een laatsten kreet van smart. Diep geschokt door het gebeurde,
stond Balin een tijdlang roerloos bij de lijken der twee gelieven,
tot hij zich eindelijk met een zucht afwendde om zijn weg te vervolgen.
Daar zag hij aan den rand van het bosch een ridder te paard, dien
hij tot zijne groote vreugde herkende als zijn broeder Balan. Het was
eene blijde ontmoeting, want het was geruimen tijd geleden sinds de
broeders elkander het laatst gezien hadden. Nadat elk den ander de
lotgevallen had medegedeeld, welke hij sindsdien beleefd had en Balan
zijne blijdschap te kennen had gegeven over het feit, dat zijn oudere
broeder uit zijne zesmaandelijksche verbanning, door tusschenkomst
van de andere ridders, teruggeroepen was, vertelde Balin, hoe hij zich
opnieuw de ongenade des konings op den hals had gehaald en hoe hij nu,
zonder het te willen, de oorzaak was geweest van den dood der twee
gelieven. Maar Balan troostte hem: "Wat gij deedt, deedt gij omdat
ge daartoe gedwongen waart. God kent de drijfveer uwer daden en houdt
daar bij het schenken van zijne vergiffenis rekening mede. Wat verder
de ongenade uws konings betreft, ik zal u vergezellen op uw tocht,
naar koning Rience; tezamen zullen wij hem verslaan en daarmede uw
goeden naam bij koning Arthur herstellen."
Alvorens zij zich op weg begaven, dolven zij een graf voor Launceor
en zijne geliefde. Terwijl zij hiermede bezig waren, kwam Merlijn
op de plaats des gevechts en toen hij zag, wat er was voorgevallen,
hief hij de handen ten hemel en sprak tot Balin: "Helaas! wat hebt
gij, ongelukkige, gedaan? De ridder, die hier verslagen ligt, was
een dapper koningszoon en deze jonkvrouw beminde hem met eene trouwe,
teedere liefde. Al hun geluk is door uw toedoen verwoest en gij zijt
het, die hen in den bloei hunner jeugd gedood hebt!" Toen Balin hem
antwoordde, dat hij den strijd met Launceor niet gezocht had, schudde
de wijze toovenaar mismoedig het hoofd en zeide: "Desalniettemin
zult gij de gevolgen uwer daad ondervinden, want de dood dezer
beiden is oorzaak, dat de edelste man ter wereld door uwe handen zal
komen te sterven en door zijne dood zullen drie koninkrijken in rouw
gedompeld worden." "Helaas", riep Balin uit, "indien uwe voorspelling
waarheid bevat, dan zou ik wenschen, dat ik gevallen ware in plaats
van Launceor!" Maar vóór hij verder kon gaan, was Merlijn verdwenen
en de beide broeders wendden zich af van de plaats des onheils en
begaven zich op weg naar het rijk van koning Rience. Alvorens heen
te gaan, nam Balin evenwel nog het zwaard van Launceor en bevestigde
dit naast het zijne aan zijnen gordel.
Toen zij eenigen tijd stilzwijgend naast elkander waren voortgereden,
kwamen zij aan een donker woud en bij den ingang daarvan kwam hen een
oud man tegemoet, armoedig gekleed en leunend op een stok. "Waar voert
uw weg heen, edele heeren?" zeide hij met bevende stem. "Wie zijt gij
en waarom vraagt gij ons dit?" was het antwoord. "Wie ik ben, kan ik
u niet zeggen, maar een antwoord op mijn vraag kan ik zelf wel geven,
want ik weet zeer goed, dat gij uitgetrokken zijt om koning Rience
van Wallis te zoeken en hem te dooden." "Indien gij dat weet," sprak
Balin, "kunt gij niemand anders zijn dan Merlijn en indien dit waar
is, kunt gij ons helpen om hem, dien wij zoeken, te vinden."
"Welnu dan," sprak Merlijn, want deze was het inderdaad, "luistert! Gij
zijt dichter bij het doel uwer reis, dan gij vermoeden zoudt, want
heden avond komt koning Rience met een gevolg van honderd ridders door
dit bosch rijden, daar hij van plan is om dezen nacht zijne geliefde,
de Vrouwe van Vance, in haar naburig kasteel te bezoeken. Wanneer
gij u dus hier in hinderlaag legt, kunt gij hem verrassen en hem
dooden." De broeders volgden zijn raad op. Zij ontdeden hunne paarden
van zadel en tuig en lieten ze grazen op de weide aan den zoom van
het bosch; zijzelven legden zich neer in de schaduw van een grooten
eik en wachtten aldaar het vallen van den avond af.
Toen de duisternis gedaald was en men niets meer hoorde in het woud,
dan het suizen van den wind door de bladeren en het krijschend
geluid der nachtvogels, kwam koning Rience met zijne ridders het
bosch binnenrijden. Met uitzondering van twee vertrouwde vrienden
liet hij zijne metgezellen aan den ingang van het woud achter en gaf
dezen bevel om daar op zijne terugkomst te wachten. Toen de koning met
zijne beide volgelingen in de nabijheid der beide broeders was gekomen,
sprongen deze uit hunne schuilplaats te voorschijn, grepen de teugels
der paarden en dwongen de berijders zich over te geven. Daar deze in de
duisternis niet konden zien, hoe groot het aantal hunner tegenstanders
was, waren zij wel genoodzaakt zich hieraan te onderwerpen. Balin en
Balan brachten nu den koning gebonden naar het paleis te Camelot en
gaven hem daar over in handen van de wacht. Toen Rience voor den troon
van koning Arthur gebracht was, vroeg deze den gevangene wie hem aldus
gekneveld herwaarts had gevoerd. "Sire", antwoordde koning Rience,
"ik weet niet de namen van mijne overwinnaars, maar het waren de ridder
met de twee zwaarden en zijn broeder en beiden zijn dappere helden."
"De ridder met de twee zwaarden en zijn broeder", herhaalde de koning,
"die beiden ken ik niet, maar wel moeten het wakkere strijders
zijn geweest!" "Sire", sprak toen Merlijn, "vergun mij, dat ik u
hunne namen noem, het zijn Balin en zijn broeder Balan, twee der
dapperste ridders van uw hof. Spoedig zult gij nog meer reden hebben,
om aan hunne dapperheid en aan hunnen eerbied jegens u te gelooven,
want er is een groote strijd op handen tusschen u en koning Nero,
den broeder van hem, die hier gevangen voor u staat!"
En inderdaad, den volgenden morgen vroeg vermeldden de torenwachters,
dat er een groot leger in aantocht was, dat met allen spoed naar
Camelot optrok en tegen den middag kwam het reeds tot een treffen. In
den hevigen strijd, die daarop ontbrandde, werd aan beide zijden
met groote dapperheid gestreden, maar geen der ridders onderscheidde
zich meer dan Balin en Balan. In het dichtst van 't gevecht, op de
gevaarlijkste plaatsen, overal waar het leger van koning Arthur dreigde
te bezwijken voor de verpletterende overmacht, zag men de gestalte
van den ridder met de twee zwaarden uit het strijdgewoel opduiken
en steeds bleef Balan zijn ouderen broeder trouw ter zijde. Maar
toen eindelijk de strijd beslist was en het leger van koning Nero
in groote verwarring de vlucht moest nemen, waren de beide broeders
plotseling van het gevechtsterrein verdwenen. Tevergeefs zond koning
Arthur boodschappers in alle richtingen om hen te zoeken en hen te
vragen tot hem te komen om zijnen dank voor hunne heldendaden in
ontvangst te nemen, de beide ridders schenen als met een tooverslag
van den aardbodem verdwenen te zijn. Toen daarop Merlijn aan den
koning vertelde, hoe het de wil van het noodlot was, dat Balin zou
sterven in de volle kracht van zijnen mannelijken leeftijd, werd
het den koning angstig te moede, nu hij moest inzien dat tegen die
onverbiddelijke macht de wil der menschen, zij het ook de wil van
een vorst, niets vermag. Mistroostig legde hij zich ter ruste in
zijne rijk versierde veldtent, maar ditmaal kon hij, ondanks alle
vermoeienissen van den dag, den slaap niet vatten. Plotseling hoorde
hij, hoe iemand steunend en zuchtend aan zijne tent voorbijkwam en toen
hij den voorhang terugsloeg zag hij de gebogen figuur van een ridder
zich in de richting van het bosch verwijderen. Met luider stem riep de
koning hem toe om terug te keeren en hem de oorzaak zijner droefheid
mede te deelen, maar wat hij ook riep, de ridder keerde zich niet om
en vervolgde zijnen weg in de richting van het woud. Plotseling zag de
koning Balin te paard naderen, met de strijdlans in de hand. Toen hij
bij de tent des konings was gekomen, steeg hij af en begroette zijn
vorst op eerbiedige wijze. Deze sprak: "Zoo ik u om een dienst mag
verzoeken, Heer Balin, rijd dan heen en verzoek gindschen ridder, om
u de reden te zeggen van zijne smart en breng hem vervolgens tot mij."
"Sire, gij hebt slechts te bevelen", antwoordde Balin, sprong in het
zadel en reed in de richting van het bosch. Toen hij het woud nog
slechts even was binnengedrongen vond hij den ridder, dien hij zocht,
op den mosbodem neergeknield, het hoofd verborgen in den schoot eener
jonkvrouw, in eene houding, welke de diepste smart en wanhoop scheen
uit te drukken. Hij bracht hem de boodschap van koning Arthur over,
maar had de grootste moeite, om hem over te halen, zich naar het
kamp des konings te begeven. Eindelijk, toen Balin hem plechtig
beloofd had, met zijn leven borg te blijven voor zijne veiligheid,
stond de treurende ridder op en volgde hem met langzame schreden in
de richting van het kamp. Toen zij voor den koning waren gekomen en de
laatste den vreemdeling vriendelijk gebood, te zeggen, wat hem deerde,
wilde de ridder juist met spreken beginnen, toen plotseling eene lans,
door eene onzichtbare hand gericht, hem het hart doorboorde en hem aan
de voeten des konings ineen deed zinken. Vóór hij den laatsten adem
uitblies, smeekte hij Balin om tot de jonkvrouw te gaan en haar in
zijne plaats te begeleiden op den moeilijken en gevaarvollen tocht,
waartoe zij eerst hem uitverkoren had. Tevens vroeg hij hem, zoo
mogelijk zijn dood te wreken en noemde als zijn moordenaar Garlon,
een boosaardig ridder, die de macht bezat, zich onzichtbaar te maken
en zoodoende op sluwe en verraderlijke wijze menig edel hart den
doodsteek had toegebracht. Balin beloofde den stervende gehoor te
geven aan zijne bede en met een bezwaard gemoed steeg hij weer te
paard en zocht de jonkvrouw op, om haar de treurige tijding van den
dood van haren geliefde mede te deelen. Vóór zij te zamen verder
reden, overhandigde hij haar de schacht van de speer, waarmede de
moord op haren minnaar was gepleegd, en ried haar aan goed zorg te
dragen, dat zij die steeds bij zich hield, om haar later misschien
als bewijsmiddel, te kunnen gebruiken.
Na eenigen tijd ontmoetten zij een ridder te paard, die hun verwonderd
vroeg, wat toch wel de reden mocht zijn, dat zij er zoo somber en
mistroostig uitzagen. Na eenige aarzeling vertelde Balin hem het
gebeurde, waarop de vreemdeling, die zeide Perin de Mountbeliard te
heeten, verontwaardigd over zulk eene lafhartige handelwijze, zwoer,
dat hij met hen zou gaan en hen niet zou verlaten, alvorens zij den
listigen sluipmoordenaar gevonden en hem de straf toegebracht hadden,
welke hij zoo ruimschoots verdiende. Maar nauwelijks had hij dit
gezegd, of opnieuw schoot eene lans, als door tooverkracht gedreven,
uit de struiken te voorschijn en met een luiden kreet stortte Perin
de Mountbeliard levenloos ter aarde.
Nadat zij den vreemden ridder een graf gedolven hadden en hem daarin
hadden neergelegd op een bed van mos en bladeren, vervolgden Balin en
zijne gezellin hunnen weg, maar zij waren blijde, toen zij in de verte
de tinnen van een kasteel zagen oprijzen uit het geboomte. Het was nu
volle dag geworden en de vermoeienissen van hunnen nachtelijken rit,
gepaard aan de treffende gebeurtenissen, welke zich op hun tocht
hadden afgespeeld, deden hen reikhalzend uitzien naar eene plaats
waar zij eenige uren rust zouden kunnen nemen. Zij gaven dus hun
paarden de sporen en reden weldra de poorten van het slot binnen. Wie
beschrijft echter Balins ontsteltenis, toen hij, zijne gezellin
enkele stappen vooruit gereden zijnde om haar bij het afstijgen
behulpzaam te kunnen zijn, plotseling met een luiden slag de poort
achter zich hoorde dichtvallen en met een blik door het kijkvenster
bemerkte, hoe de jonkvrouw omringd werd door ruwe strijdknechten,
die dreigden haar van het paard te trekken. Met één sprong was Balin
op de borstwering, die om het vóórplein liep en stortte zich zonder
aarzelen in de breede slotgracht, die hij met enkele krachtige slagen
overzwom. Met het zwaard in de vuist liep hij op de mannen toe, die
de jonkvrouw omringden en beval hun met luider stem haar met rust te
laten. Een van hen wendde zich tot Balin en sprak: "Heer! het ligt
niet in de bedoeling, uwe dame eenig letsel aan te doen, wees dus
niet vertoornd op ons! Wij verzoeken haar slechts om de gewoonte te
volgen, waaraan elke jonkvrouw, die dit slot binnentreedt, zich moet
onderwerpen." Toen Balin hem vroeg, welke die gewoonte was, kreeg hij
ten antwoord: "Sinds vijf lange jaren is onze Vrouwe lijdende aan
eene doodelijke krankheid, waarvan zij slechts genezing kan vinden
door het bloed eener reine maagd. Daarom moet iedere jonkvrouw,
die hier binnenkomt, in een zilveren schotel eenige druppels
van haar bloed storten. Maar helaas! tot op heden heeft het onze
Vrouwe nog steeds niet gebaat." "Als dat zoo is", sprak Balin,
"dan zal ook deze jonkvrouw bereid gevonden worden, om van haar
bloed te offeren", en spoedig daarna traden allen het slot binnen,
waar Balin en zijne reisgenoote een gastvrij onthaal vonden. Helaas
kon ook echter ditmaal het bloed der jonkvrouw de slotvrouwe geen
genezing brengen, eerst veel later zou de zuster van Parcival, zij,
die door hare onbevlekte reinheid den heiligen Graal mocht aanschouwen,
er in slagen de krankheid van haar weg te nemen.
Toen zij geheel versterkt en uitgerust waren, verlieten Balin en
zijne gezellin het slot om hunnen tocht te vervolgen. Overal, waar
zij kwamen, hoorden zij verhalen over de wandaden en wreedheden van
Garlon, tot eindelijk Balin nog slechts één wensch koesterde: om dien
sluwen booswicht te dooden. Zoo kwamen zij ook op hun weg aan een
kasteel, waar de zoon van den slotheer wegkwijnde aan de gevolgen eener
verwonding, die hij in den strijd tegen een vreemden ridder ontvangen
had, welke wonde slechts zou kunnen genezen door het bloed van zijn
tegenstander. Daar hij echter niet wist, wie de onbekende ridder was,
tegen wien hij gestreden had, scheen het, of hij aan zijne wonden zou
moeten sterven en groote droefenis heerschte daarom in het kasteel
zijns vaders. Toen Balin hoorde, dat de onbekende ridder de macht
bezat om zich onzichtbaar te maken, begreep hij terstond, dat het
niemand anders kon zijn dan zijn aartsvijand Garlon en plechtig zwoer
hij zijn gastheer, dat hij alles zou doen, wat in zijn vermogen lag,
om diens zoon het geneesmiddel te bezorgen, dat hij behoefde.
"Wanneer dit inderdaad uw voornemen is", sprak de slotheer, "dan kan
ik u eene gelegenheid verschaffen, om dezen Garlon, dien gij zegt
te haten als geen ander op aarde, te ontmoeten. Weet dan, dat hij de
broeder is van koning Pellam van Listeneise, een edel en godvruchtig
man, die onder zijne voorvaderen den vromen Jozef van Arimathea telt,
van wien vermeld wordt, dat hij het bloed van Christus in eene schaal
heeft opgevangen. Deze koning Pellam nu, heeft een groot tournooi
uitgeschreven, waaraan alleen ridders, die in gezelschap van eene dame
zijn, mogen deelnemen. Wanneer gij nu besluit om derwaarts te gaan,
kunt gij er zeker van zijn, Garlon op het steekspel aan te treffen."
_Balins besluit om aan het tournooi van Koning Pellam deel te nemen en
van zijn bezoek aan het slot van dien vorst._ Balin behoefde geene
verdere aansporing en den volgenden morgen maakten zij zich met
hun gastheer, die hen zou vergezellen, reisvaardig. Na een rit van
eenige uren kwamen zij bij het slot van koning Pellam. Het was een
oud en verweerd gebouw, dat gelegen was in het midden van een dicht
en bijkans ondoordringbaar woud. De muren waren begroeid met mos en
slingerplanten, waarvan de lange ranken een dicht netwerk vormden voor
de hooge boogvensters. Hier en daar dreigde een muur ineen te storten;
tusschen de steenen op het voorplein schoot het onkruid welig omhoog
en de kettingen van de ophaalbrug maakten een akelig knarsend geluid,
toen deze neergelaten werd om Balin en zijne beide gezellen binnen te
laten. Toegelaten in de groote slotzaal, vonden zij daar een talrijk
gezelschap bijeen. Vele ridders met hunne jonkvrouwen, die van heinde
en ver gekomen waren, om het steekspel bij te wonen, hadden zich
aan de lange tafels geschaard en deden zich te goed aan de spijzen,
welke door de knechten van koning Pellam in groote hoeveelheden werden
binnengedragen. Ook Balin werd eene plaats aangewezen, waar hij zich
met zijne dame kon neerzetten, maar alvorens plaats te nemen zwierf
zijn blik langs de rijen der gasten tot hij bleef rusten op hem,
dien hij zocht.
Aan het hoofd der lange tafel zat koning Pellam, eene grijze,
eerbiedwaardige figuur, die met het hoofd in de hand peinzend voor zich
uit staarde. Aan zijne rechterhand zat Garlon met een boosaardigen
lach op het gelaat, waarin de sluwe oogen onrustig flikkerden,
terwijl zij van den een naar den ander zwierven, als wilde hij
het gehalte peilen van hen, die morgen tegen hem in het strijdperk
zouden treden. Zoo ontmoetten zij den blik van Balin, en toen deze
de oogen niet neersloeg, riep Garlon hem toe met spottende stem:
"Hei daar! gij ridder, die het laatst zijt binnengekomen, zie mij
niet zoo aan, want dat past u niet! Eet liever van wat u hier gegeven
wordt, want dat is het immers, waarom gij hier gekomen zijt!" Bij
het hooren van deze woorden voelde Balin zulk eene hevige woede in
zich opbruisen, dat hij alles om zich heen vergat. Met den kreet van:
"Ik zal u toonen, waarom ik hier gekomen ben!" rende hij op Garlon
toe en doodde hem met zijn zwaard. Daarop nam hij de speerschacht uit
de handen der jonkvrouw en sloeg ermede op het lichaam van Garlon,
terwijl hij uitriep: "Ziehier uwe straf voor den verraderlijken moord,
dien gij op een edel en onschuldig ridder pleegdet!"
Groote ontsteltenis en verwarring ontstonden in de zaal, alle ridders
grepen naar hunne wapenen en wilden Balin te lijf, maar deze sloeg
zoo wild en onstuimig om zich heen, dat niemand het waagde hem te
naderen. De oude koning Pellam evenwel, die diep geschokt was door het
gebeurde, greep het zwaard van zijnen gestorven broeder en zwoer,
dat hijzelve den smadelijken dood van Garlon wilde wreken. Hij
liep op Balin toe en sloeg zóó hevig met zijn zwaard op dat van
zijn tegenstander, dat het in tweeën brak. Toen Balin zag, dat zijn
wapen onbruikbaar was geworden, rende hij de zaal uit, om een ander
te zoeken, achtervolgd door den koning en zijne volgelingen. Eene
wilde jacht volgde, langs trappen en portalen, door lange rijen van
vertrekken tot Balin eindelijk in eene ruime zaal kwam, behangen met
zware tapijten. In het midden stond een rijk versierd praalbed en
daarnaast eene tafel, waarvan het blad, vervaardigd uit zuiver goud,
rustte op zilveren pooten. Op de tafel lag eene lange speer van vreemd
bewerkt metaal. Toen Balin het wapen zag, dat hem zoo onverwachts
geboden werd, greep hij de speer van de tafel en zich omwendend, sloeg
hij er koning Pellam zóó hard mede op het hoofd, dat deze bewusteloos
ineenzonk. Op hetzelfde oogenblik werd de lucht vervuld van een
vreeselijk gekraak en stortte het geheele slot boven Balins hoofd
ineen, hem en allen, die er in waren, onder zijne puinhoopen begravend.
Na drie dagen werd Balin uit zijn bewusteloozen toestand opgewekt
door Merlijn, die hem op zijn dringend vragen naar de oorzaak en
beteekenis der ramp, antwoordde, dat hij zelve er de aanleiding toe
geweest was. De speer, waarmede hij Pellam den slag had toegebracht,
was dezelfde, met welke Longinus de zijde van Christus doorboord
had. Bovendien had in de zaal, waar Balin de speer had gevonden,
de heilige Graal gestaan en op het praalbed rustte hij, die dezen
wonderschotel, gevuld met het bloed van Christus, naar Engeland had
overgebracht, de vrome Jozef van Arimathea. Door dezen noodlottigen
slag hadden allen, die met Balin in het kasteel waren, ook zijne
reisgenoote den dood gevonden en waren drie rijken in droefenis en
rouw gedompeld. Toen Merlijn dit alles verklaard had, nam hij afscheid
van Balin met woorden: "Vaarwel! in deze wereld zullen wij elkander
niet meer zien!"
Balin steeg te paard en reed alleen verder. Overal, waar hij kwam,
zag hij tooneelen van smart en verwoesting. De dorpen en steden op
zijn weg waren verwoest en ingestort, de bewoners waren gedood en
enkele overlevenden zaten luid weeklagend op de puinhoopen hunner
woningen en overlaadden Balin als hij voorbijreed met de bitterste
verwijten. Het leek hem alles een vreeselijke droom, waarin het
bewustzijn van zijne schuld hem drukte als een zware last. Toen hij
eindelijk de grenzen van Pellams rijk overschreden had, ademde hij
ruimer en durfde hij voor het eerst na vele dagen het hoofd weer vrij
omhoog te heffen. Toch kon hij de herinnering aan het gebeurde niet
van zich af zetten en het was hem, alsof hij een willoos slachtoffer
dreigde te worden in de handen van het noodlot, dat hem aanzette
tot vreeselijke daden, waarvan hij de beteekenis niet vermocht te
doorgronden, dat hem voortjoeg, altijd voort, eene onbekende toekomst
tegemoet, waarin hij overgeleverd zou worden aan duistere machten.
_Balin komt aan een kruispunt, waar een Grijsaard hem aanraadt terug
te keeren._ Na vele dagen kwam hij aan een viersprong, waar een
glinsterend gouden kruis stond, met eenige letters erin gegrift. Toen
Balin naderbij kwam, las hij de volgende woorden: "Laat hij, die
alleen is, het niet wagen verder te gaan!"
Op hetzelfde oogenblik verscheen een oud man aan den rand van
het pad, die Balin met aandrang verzocht, terug te keeren, daar
er een groot gevaar was, dat hem bedreigde indien hij het waagde,
verder te gaan. Terwijl hij sprak, klonken uit het geboomte langs
den weg drie hoornsignalen, zooals die geblazen worden om den
dood van het opgejaagde wild aan te kondigen. En het scheen Balin
toe, alsof hij zelve een stuk wild was, dat in den dood gedreven
werd. Half schertsend, half weemoedig sprak hij: "Hoor! daar blaast
men reeds ten teeken van mijn dood en toch leef ik nog en ben sterk
en gezond. Waarom zou ik het gevaar ontvluchten, indien het zich op
mijn weg plaatst? Mijn leven is in Gods hand, Zijn wil geschiede!" Met
deze woorden reed hij verder tot hij bij eene kromming van den weg een
gezelschap fraai gekleede jonkvrouwen en ridders te paard ontmoette,
die hem in hun midden namen en hem meevoerden naar een trotsch kasteel,
waar hij rijkelijk onthaald werd. 's Avonds bleef men in vroolijke
stemming bijeen, maar alvorens zich ter ruste te begeven sprak de
slotvrouwe tot Balin: "Edele heer! morgen bij het aanbreken van
den dag moet gij u gereed maken ten strijde. Niet ver van hier is
een klein eiland, dat bewaakt wordt door één enkelen ridder. Tegen
dien moet elke gast, die in mijn kasteel komt, den strijd aanbinden,
alvorens ik hem kan toestaan zijnen weg te vervolgen." "Voorwaar eene
vreemde gewoonte", antwoordde Balin, "om uwen gasten zulk een dwang
op te leggen, maar het zij zoo!" En den volgenden morgen bij het
krieken van den dag maakte hij zich tot het gevecht gereed. Toen hij
geharnast en gespoord op het slotplein verscheen, waren alle inwoners
van het kasteel daar verzameld, om hem uitgeleide te doen en één der
aanwezige ridders zeide tot hem: "Heer ridder! Sta mij toe, u mijn
schild te leenen. Het is grooter en sterker dan het uwe en zal u in
den strijd goede diensten bewijzen." Getroffen door dit vriendelijk
aanbod, gespte Balin zijn schild los en nam met eenige woorden van
dank dat van den vreemden ridder aan.
Spoedig daarna reed hij de slotpoort uit. De aanwijzingen zijner
gastvrouw volgend, kwam hij aan een breed water met een eilandje in het
midden. Hij sprong in eene boot, welke aan den oever lag vastgemeerd,
en roeide zichzelven en zijn paard naar den overkant. Daar ontmoette
hij eene jonkvrouw, die tot hem zeide: "Helaas, edele ridder, waarom
liet gij uw schild achter en naamt een vreemd met u mede? Dit maakt
u onherkenbaar en zal daardoor de oorzaak zijn van uwen val." Het
was Balin, alsof hetzelfde angstige voorgevoel van den vorigen dag,
zich opnieuw van hem meester maakte, maar hij sprak moedig: "Wat ik
op mij genomen heb, zal ik volbrengen!" en reed het bosch binnen,
waar het eiland mee begroeid was. In het midden daarvan kwam hij
aan eene open plek, waar een ridder in roode wapenrusting op hem
scheen te wachten. Het was niemand anders dan Balan, die zich daar
bevond en die, toen hij Balin uit het bosch op zich zag toerijden,
één oogenblik dacht, in hem zijnen broeder te herkennen. Een blik
op het vreemde schild hield echter den uitroep van blijdschap terug,
dien hij op de lippen had en met gevelde speren reden de beide ridders
op elkander toe. Spoedig waren zij in een heet gevecht gewikkeld,
waarin nu de één, dan weer de ander, de overhand scheen te krijgen.
Het zweet gutste den strijdenden van het voorhoofd, hun adem ging snel
en onregelmatig, maar toch bleven zij op de been en de hitte van het
gevecht spoorde hen aan tot steeds grooter krachtsinspanning. Zij
hadden elkaar reeds menige diepe wond toegebracht, toen eindelijk
Balan, afgemat van den strijd, zich terugtrok, om eenige rust te nemen,
alvorens het gevecht opnieuw te beginnen.
Toen vroeg Balin hem, wie hij was en vanwaar hij kwam, want nog
nooit had hij zulk een hardnekkigen tegenstand ondervonden als in
dezen kamp. Balan sloeg het vizier van zijn helm op en sprak: "Mijn
naam is Balan; ik ben een broeder van den grooten Balin, van wien gij
wel hebt hooren spreken." Toen nu Balin hoorde, dat hij gestreden had
tegen zijn eigen broeder, die hem van alle menschen het dierbaarst op
aarde was, wierp hij zijn zwaard van zich af, hief de handen ten hemel
en stortte ter aarde. Balan, die geheel uitgeput was door het hevige
bloedverlies, kroop op handen en voeten naar hem toe en beproefde
zijn helm los te gespen. Toen hij het geliefde gelaat daaronder zag,
haast onherkenbaar door het bloed en de stof, die eraan kleefden,
barstte hij in luid snikken uit. Te zamen beweenden zij het noodlot,
dat hen aldus had samengevoerd; Balin verwenschte den ridder, die
hem het vreemde schild had gegeven, waardoor hij voor zijn broeder
onherkenbaar was geworden, en het toeval, dat hem in de nabijheid
van het kasteel gevoerd had. Toen de slotvrouwe met haar gevolg
op het eiland was gekomen, om den afloop van den strijd te zien,
waren allen diep getroffen door het treurige schouwspel, dat hun
daar geboden werd, en zelfs de hartelooze vrouwe kon hare tranen niet
bedwingen. Balin smeekte haar, om hen beiden in één graf te leggen,
zoodat zij in den dood vereenigd zouden zijn en verzocht haar om op
dat graf hunne droeve geschiedenis te vermelden, zoodat een ieder,
die het zag, voor hunne zielen zou bidden. Zij beloofde zulks te
zullen doen en alle aanwezigen snikten luide, zóózeer waren zij van
medelijden vervuld bij het zien van dit droevig tooneel. Balan stierf
spoedig daarop, maar de oudere broeder bleef nog dien ganschen dag
in leven. Terwijl hij daar zoo lag en het leven langzaam uit zich
voelde wegvloeien, trokken de verschillende gebeurtenissen uit zijn
kortstondig leven aan het oog zijner verbeelding voorbij. Zijne
gedachten gingen terug naar zijne zonnige jeugd in het land zijner
vaderen, naar zijn ouderlijk huis, waar hij zoo gelukkig en onbezorgd
leefde. Hij herdacht de lange tochten langs de rotsige kust en
door de dichte bosschen, welke hij met zijn vader en broeder gewoon
was te doen. Daarna doorleefde hij opnieuw zijne jongelingsjaren,
het genot van den eersten jachtrit, dien hij meemaakte, de trots
in zijne toenemende kracht en behendigheid. Vervolgens verwijlden
zijne gedachten bij den tijd, waarin hij droomde van macht en roem,
en het plechtig oogenblik, waarop hij door zijn vader tot ridder
geslagen werd. Toen had hij zichzelf gezworen, om steeds te strijden
voor het goede en schoone, om de zwakken te helpen en de boozen te
verslaan. Kort daarop was hij aan het hof van koning Arthur gekomen en
na dien tijd scheen zijn leven hem één strijd geweest te zijn tegen de
onverbiddelijke macht van het Noodlot, hetwelk zich verbonden had met
de kwade hartstochten in zijn binnenste en hem gedwongen had tot eene
reeks van daden, die zijn ondergang ten gevolge hadden gehad. Nu was
het met strijden gedaan en lag hij te sterven, maar zijne ziel kwam
niet in opstand tegen dezen vroegtijdigen dood. Toen de zon onderging
en de schemering langzaam over de aarde daalde, strekte Balin zich uit
met een zucht en stierf met een glimlach op de lippen, als een kind dat
slapen gaat. Den volgenden dag kwam Merlijn en vond de beide broeders
slapend in elkanders armen en nadat zij begraven waren, schreef de
oude toovenaar hunne namen met gouden letters op hun graf en ging
toen peinzend heen om de droeve tijding aan koning Arthur te melden.