INLEIDING TOT DE SAGE VAN BALIN EN BALAN.

_De sage van Balin en Balan behoort tot de minder bekende van den

Arthur-cyclus._ Terwijl de avonturen van andere ridders vele malen

zijn beschreven, zoowel in gedichten als in proza-romans, en aan

schrijvers van verschillenden tijd en landaard de stof voor hunne

werken hebben geleverd, vinden wij in de gezamenlijke literatuur van

Europa, de lotgevallen van deze beide helden slechts vermeld in een

zestal bewerkingen. Wat de reden mag zijn van deze stiefmoederlijke

behandeling van eene sage, die ondanks hare vele onvolkomenheden,

toch zooveel aantrekkelijks bezit? Wie zal het zeggen? Misschien vindt

het eensdeels zijn oorzaak in het ontbreken van het erotische element,

anderdeels in het feit, dat de sage bij eene eerste kennismaking eenen

eenigszins verwarden indruk maakt door de vele afdwalingen van de

hoofdlijn van het verhaal, waaraan de schrijver van het oorspronkelijke

werk zich heeft schuldig gemaakt.

En toch, voor wie doordringt tot het wezen der sage, voor

wie heeft geleerd den held--want er is feitelijk slechts één

hoofdpersoon: Balin--naar waarde te schatten, ondanks zijne fouten en

tekortkomingen--misschien juist ter wille van deze--bevat het tragische

verhaal van zijn leven en sterven, zooveel aangrijpends en schoons,

dat hij het op gelijke hoogte stelt met menige beroemder sage. De

held behoort in dit geval niet tot die breede schare van ridders,

die onvergelijkelijken moed paarden aan hoofsche verfijndheid en die

door de vereeniging van die beide eigenschappen het hof van koning

Arthur tot het beroemdste en schitterendste van zijn tijd maakten.

Balin is een kind der natuur. Hij is opgegroeid in het eenzame slot van

zijn vader temidden der uitgestrekte wouden van Northumberland. Het

gezang der vogels en het lied der zee zijn hem vertrouwder dan

de liederen der minnezangers; de sierlijke hoofsche gebruiken en

plichtsplegingen zijn hem ten eenen male onbekend. Met een hart vol

droomen en idealen trekt hij op naar het hof van koning Arthur, waar

hij roem en eer hoopt te behalen onder de banieren van zijn vorst. Het

zich bewust zijn van zijne jonge kracht doet hem geen tegenstander

onoverwinlijk, geen hinderpaal onoverkomelijk achten, maar hij vergeet,

dat er machten zijn, waartegen met het zwaard niet te strijden valt,

en dat, wie de wereld overwinnen wil, beginnen moet met zich zelven

te overwinnen. In het feit, dat hij deze groote les niet geleerd

heeft, schuilt de oorzaak van zijn val en wanneer dan bovendien nog

de duistere machten van het noodlot tegen hem samenspannen, is zijne

zaak verloren.

Één voor één zien wij de gebeurtenissen in de sage zich samenvoegen

tot eene keten van noodlottigheden, die, wij voelen het duidelijk,

slechts eindigen kan in den dood van onzen held. En inderdaad is het

einde, dat Balin en zijn broeder, die hem boven alles dierbaar was,

door elkanders hand sterven.

Hoe kan het anders, of deze tragische geschiedenis van zielestrijd

en noodlotsdwang moet een diepen indruk maken op wie haar leest?

Dat de sage in den vorm, waarin zij tot ons is gekomen, vele

onvolkomenheden bevat, werd hierboven reeds opgemerkt. Daartoe

behooren in de eerste plaats eenige toespelingen op gebeurtenissen

in het verhaal, welke op het oogenblik van vermelding zeer belangrijk

schijnen te zijn en die desniettemin in den loop van de vertelling door

den schrijver geheel uit het oog worden verloren. Zoo, bijvoorbeeld,

de voorspelling, dat Balin met het zwaard, hetwelk hij van de jonkvrouw

ontvangt, haren broeder zal dooden. Met den noodigen nadruk wordt dit

geprofeteerd; evenwel vinden wij in den verderen loop van het verhaal

geene enkele aanwijzing omtrent de vervulling van die voorspelling. Ook

lezen wij, dat Balin, wanneer hij Launceor van Ierland in een

tweegevecht gedood heeft, diens zwaard met zich medevoert, zoodat

hij de ridder met twee zwaarden wordt genoemd. Nochtans moet hij in

het kasteel van koning Pellam de vlucht nemen, wanneer hij zich van

zijn zwaard beroofd ziet, en wel omdat--zooals wij lezen--hem geen

ander wapen ter verdediging overblijft.

Ook in eene beschouwing der karakters vallen ons eenige punten op,

welke wij anders zouden wenschen. Zo zouden wij zoo gaarne wat meer

vernemen omtrent de figuur van Balan, den jongeren broeder van den

held. Wij hooren, hoe innig Balin hem lief heeft, hoe hij de eenige

is, die hem tot reden kan brengen, wanneer hij zich laat meesleepen

door zijne drift, maar aangaande het karakter van den jongeling, van

wien deze invloed ten goede uitgaat, vernemen wij weinig of niets. Hij

blijft eene bijfiguur, die slechts even ten tooneele verschijnt na het

tweegevecht met Launceor, om spoedig daarna weer te verdwijnen. Slechts

in het laatste bedrijf der handeling vertoont hij zich opnieuw om de

droeve voorspelling der jonkvrouw tot waarheid te maken.

Eenzelfde lot ondergaan de andere bijpersonen, vooral de vrouwelijke

karakters: de Zwaardjonkvrouw en de Vrouwe van Avalon hebben iets

raadselachtigs en geheimzinnigs, waarvan wij de ware beteekenis

niet doorgronden. Ook de figuren van koning Arthur en zijne ridders

worden ons slechts in vage lijnen geschetst. Hoofdzaak is en blijft

het voor den schrijver, om ons de figuur van Balin duidelijk voor

oogen te stellen in al zijnen eenvoud en dapperheid.

De geest van het verhaal ademt die vereeniging van christelijke

en heidensche denkbeelden, die kenschetsend is voor de

Middeleeuwen. Wanneer hij zich in gevaar bevindt, wendt Balin

zich tot God met eene kinderlijke vroomheid, maar toch zijn het

de voorspellingen van den ouden toovenaar Merlijn, die zijn lot

beheerschen en hem ten val brengen. [21]

Bovendien is de wijze, waarop het verhaal geschreven is, kenmerkend

voor de letterkundige klasse, waartoe het behoort. Want gelijk in

zoovele ridderromans het geval is, bevat het plotselinge overgangen

en is ook de wijze van bewerking telkens geheel verschillend: nu eens

wordt de handeling gerekt, dan weer schijnt zij zich als met groote

sprongen voort te bewegen.

Dat het verhaal hierdoor aan duidelijkheid verliest, behoeft geen

betoog! En niettegenstaande dit alles, boeit ons de geschiedenis

toch! Zou de bekoring, die er voor ons van dergelijke oude verhalen

uitgaat, soms gedeeltelijk schuilen in de eigenschappen, die

hun hierboven als fouten zijn aangerekend? Kan het zijn, dat wij

juist iets aantrekkelijks vinden in de vrije, onafhankelijke wijze,

waarop de schrijvers met hunne stof omgingen? Zonder zich gebonden

te voelen door regels van logica en samenhang, lieten zij zich als

kinderen door hunne verbeelding leiden en schreven neer, wat deze

hun ingaf. En wanneer het de verheerlijking van hunnen held gold,

offerden zij daar blijmoedig de belangen van alle andere personen

uit hun verhaal aan op. Het resultaat was: eene sage van Balin,

op het eerste gezicht onduidelijk, ingewikkeld soms door de vele

uitweidingen en afdwalingen, maar bij eene nadere kennismaking van

eene somtijds ontroerende schoonheid.

Wat betreft den oorsprong en de ontwikkeling der sage, zoo dient hier

vermeld, dat John Rhys in zijn "Studies in the Arthurian Legend"

tracht aan te toonen, dat zij eene latere bewerking is van eene

oud-Keltische natuurmythe en dat de ridders Balin en Balan de plaats

innemen van de mythologische figuren Belinus en Bran, de elkander

steeds bestrijdende broeder-goden van duisternis en licht. In het

derde boek van Geoffrey of Monmouth's "Historia Regum Brittanniae"

verschijnen de broeders onder de namen Belinus en Brennius als

twee oud-Britsche koningen. Verder is de Arthur-literatuur vóór

Thomas Malory buitengewoon zwijgzaam omtrent de geschiedenis der

beide helden. Hunne namen komen in geen der werken van de oude

geschiedschrijvers zooals Nennius, Gildas, William van Malmesbury

voor; Layamon en Wace noemen hen evenmin, en ook in de verhalen,

die in Wales over Arthur en zijne ridders geschreven zijn, zoeken

wij hunne namen tevergeefs. Thomas Malory daarentegen geeft in het

tweede boek van zijne "Morte d' Arthur", dat waarschijnlijk in 1469

geschreven, maar eerst in 1485 door William Caxton gedrukt werd,

eene uitvoerige beschrijving van de tragische lotgevallen der beide

helden. Zijne bron was, gelijk bij het meerendeel der sagen, welke

hij in zijn boek te zamen bracht, een Fransche ridderroman en wel

die, welke onder den titel van "Merlin" is bewaard gebleven in een

handschrift uit de 13e eeuw. Daar deze roman een vervolg is op den

algemeen bekenden "Merlin" van Robert de Borron, wordt hij veelal

aangeduid met den naam: "Suite de Merlin".

In de Spaansche literatuur vinden wij twee bewerkingen der Balin-sage,

één daarvan is bewaard gebleven in de bladzijden van een roman,

getiteld: "El baladro del Sabio Merlin", die in 1498 te Burgos

gedrukt werd, doch waarvan het handschrift verloren is geraakt, de

andere komt voor in het eerste deel van een roman, die in 1515 te

Toledo verscheen onder den titel: "Demanda del sancto Grial con les

maravillo sos fechos de Lançarote y de Galaz su hijo."

Ten slotte vinden wij in de moderne Engelsche literatuur twee

gedichten, welke onze sage tot onderwerp hebben. In 1885 verscheen in

den dichtbundel "Tiresias and other Poems", een gedicht, dat onder den

titel "Balin and Balan" aan den kring van Tennyson's Koningsidyllen

werd toegevoegd. De dichter ontleende zijne stof aan het werk

van Thomas Malory, maar--dit dient dadelijk hieraan toegevoegd te

worden--wijzigde haar geheel, om haar te benutten voor het ten einde

voeren van de allegorie in zijn werk.

Eene getrouwere navolging van het oude verhaal gaf Algernon Charles

Swinburne in zijn "Tale of Balen", dat in 1896 verscheen. Zijne

bewerking van de sage volgt die van Thomas Malory op den voet, sommige

zinnen en uitdrukkingen zijn zelfs woordelijk overgenomen. Een nieuw

bestanddeel vormen de rijke natuurschilderingen, die bij Malory geheel

ontbreken. Ook legt hij, meer dan de oude romanschrijver dit deed,

den nadruk op de macht van het noodlot, dat Balin ten val brengt en

waartegen niet te strijden valt.

Wij kunnen niet anders zeggen, dan dat de stof zich bij uitstek leent

tot deze aanpassing aan Swinburne's levensopvatting en dat het wezen

der sage er niet door geschaad wordt.

De wedergave van de geschiedenis van Balin en Balan, zooals die in de

volgende bladzijden wordt gevonden, is gegrond op de "Morte d'Arthur"

van Thomas Malory.

Sagen van Koning Arthur en de Ridders van de Tafelronde · 第 11 / 56 题