OP REIS.

Met den zoelen zomermorgen

Zijn wij beide' op reis gegaan;

Hoorde ik ooit in 't loof verborgen

Zaalger zang van vogels slaan

Dan nú 't pijpen

Tusschen 't rijpe

Goud-gestoofde zomergraan?

Op de lommerrijke wegen

Valt de schaduw blauw van gloed,

En wij treden vroolijk tegen

Nieuwe toekomst, vlug...van voet,

Vinden 't leven

Niet verheven

Op dat uur, maar licht en zoet.

Als ons wangerozen bloeien

Drinken wij het leven graag,

Kussen van de lippen vloeien

Wordt de voet intusschen traag,

Waar wij vinden

Achter linden

Schuilplaats of...een dorenhaag.

Toch, de weg wordt wel betreden,

Gaf ook ieder toeven vreugd,

Ieder boschje een heimlijk Eden

Met den merelslag der jeugd,

Ieder paadje

In een bosschaadje

Doolhof, die het hart verheugt.

Buiten zingen, zingen binnen,

Al te schoon en al te blij

Is de dag, vóór wij 't bezinnen,

Zang op wederzang voorbij...

Zon verzonken

't Licht verblonken

En...de nevel dekt de hei.

* * * * *

Gedichten(#15273) · 第 97 / 100 题