Met den zoelen zomermorgen
Zijn wij beide' op reis gegaan;
Hoorde ik ooit in 't loof verborgen
Zaalger zang van vogels slaan
Dan nú 't pijpen
Tusschen 't rijpe
Goud-gestoofde zomergraan?
Op de lommerrijke wegen
Valt de schaduw blauw van gloed,
En wij treden vroolijk tegen
Nieuwe toekomst, vlug...van voet,
Vinden 't leven
Niet verheven
Op dat uur, maar licht en zoet.
Als ons wangerozen bloeien
Drinken wij het leven graag,
Kussen van de lippen vloeien
Wordt de voet intusschen traag,
Waar wij vinden
Achter linden
Schuilplaats of...een dorenhaag.
Toch, de weg wordt wel betreden,
Gaf ook ieder toeven vreugd,
Ieder boschje een heimlijk Eden
Met den merelslag der jeugd,
Ieder paadje
In een bosschaadje
Doolhof, die het hart verheugt.
Buiten zingen, zingen binnen,
Al te schoon en al te blij
Is de dag, vóór wij 't bezinnen,
Zang op wederzang voorbij...
Zon verzonken
't Licht verblonken
En...de nevel dekt de hei.
* * * * *