Geen najaar nog, maar in zijn vollen zomer
Strekt zich voor mij het land des Levens uit;
Na 't blanke bloemscherm voor den jongen droomer,
Rijpt voor den man 't geboomt zijn vroegste fruit.
Veel donkre dalen liet ik stijgend achter,
En 't morgenland, dat diep teruggeblauwt:
Een wereldsch paradijs, waar zacht en zachter
Kleuren vervloeien en het licht verflauwt.
Maar lust het mij somtijds terug te keeren,
Dat land der Jeugd te zien met mannelijk oog,
Dan brengt Herdenken 's harten teerst begeeren
Zoo toovrig schoon als 't eéns dat hart bewoog,
En zet in brand, wat lang zijn vlam verloren,
En maakt zelfs zoet, wat eind te bitter had,
En wijst den ouden weg, door 't zonnig koren,
Naar 't schaduwkoele van der wouden pad,
En doet mij, schoon of 't werkelijk waar herleven
Het uur, dat nooit op aarde weerga vond,
Een lach, die leeft, langs doode lippen zweven,
En wekt het woord uit lang gestorven mond.
Heeft mij dan dus een eeuwig trouw Herdenken
Opnieuw geschonken vreugd van vroeger tijd,
Dan zie ik 't Leven voor mijn voeten drenken
In glans van Uwe tegenwoordigheid;
Dan ligt, zoo ver als achter mij 't verleden,
Het Leven vóór me' in vollen zonnegloed;
Dan, 't licht verschiet, van 't Leven nieuw betreden
De voller vreugd, die 'k eenmaal vond, vergoedt,
Daar zingend klinkt door mijn verjeugdigd wezen
De klare vreugdklank Uwer stemme heen,
En oogen zeggen, wat ze' in oogen lezen:
"Niet meer alleen, nooit meer op aarde alleen."
* * * * *