Zij is niet aardsch, zij is als sterrenbeelden,
Die zilvren in der nachten blauwen glans;
Zij draagt altijd een bleeken gloriekrans
Van na veel liefde en leed verworven, weelde.
Hoe vaak ik ook haar lokken teeder streelde,
Haar voerde, aan 't hart door 's levens vreugdedans,
Eén oogwenk later zij zich gansch verheelde,
Geweken naar der Hemelen diepste trans.
En of ik sloeg de biddend bleeke handen
In ootmoed samen, starend naar haar vluchten
Kussend de lucht, waarin haar beeld verdween,
Ik zag het zwart heelal met donkre wanden,
En onvermurwbaar voor gebed en zuchten
Liet zij mij in de duisternis alleen.
* * * * *