De Muze heeft mij 't diepst geluk geschonken,
Dat ik gekend heb in mijn gansch bestaan,
Háár oogen hebben zóó mij toe geblonken
Als nooit het oog eens stervlings heeft gedaan.
'k Heb van *haar* mond vergetelheid gedronken
En bovenaardsch, als 't Hemelrijk, een waan,
En in het allerdiepst gebed verzonken
Bood ik aan Haar mijn hart, mijn leven aan.
Daarom blijft mij haar komst oneindig heilig,
Maar Lief, bij U gevoel ik mij zoo veilig,
*Zij* is zoo grillig schoon, *Gij* zijt zoo trouw,
Dat, als zij vroeg of ik Haar wou verliezen
Of Haar boven Uw bijzijn zou verkiezen,
'k Weenend niet wete, wat ik vragen zou.