II.

En ik zag maar steels bezijen,

Waar een jong gelaat bewoog,

Heerlijk blank voor 't groen der weien,

Pracht van jeugd in 't stralend oog.

Ronde hoed op blonde haren,

Oogen groen en lippen rood,

Die ze, docht me, niet zou sparen

Als ik haar míjn lippen bood.

Toen, terwijl mijn blikken gleden

Over wangen, hals en haar,

Zei ze, en deed wat ontevreden:

"Zeg, waar kijk je toch zoo naar?"

Ik nu, staarde, licht verlegen,

--Wat te zeggen?--naar den grond.

"Waarom heb je een kleur gekregen

"Vondt je iets aan mij, dat niet stond?

Heel haar wezen werd zoó plagend,

Zoó vol tergende overmoed,

En zij wist zich zoo behagend

In haar zomersche overvloed,

--Uit de mousselienen kleeren

Vloeide een geur als van jasmijn,

Van haar lippen het begeeren,

Kussend, weergekust te zijn--

Dat ik het mij kan verklaren

Hoe 'k met onbedwongen lust

Lippen, oogen, hals en haren

Kussend... ben weerom gekust.

* * * * *

III. Verzen uit het Boek

"Dood".

In memoriam Ida Roberti.

* * * * *

Gedichten(#15273) · 第 72 / 100 题