En ik zag maar steels bezijen,
Waar een jong gelaat bewoog,
Heerlijk blank voor 't groen der weien,
Pracht van jeugd in 't stralend oog.
Ronde hoed op blonde haren,
Oogen groen en lippen rood,
Die ze, docht me, niet zou sparen
Als ik haar míjn lippen bood.
Toen, terwijl mijn blikken gleden
Over wangen, hals en haar,
Zei ze, en deed wat ontevreden:
"Zeg, waar kijk je toch zoo naar?"
Ik nu, staarde, licht verlegen,
--Wat te zeggen?--naar den grond.
"Waarom heb je een kleur gekregen
"Vondt je iets aan mij, dat niet stond?
Heel haar wezen werd zoó plagend,
Zoó vol tergende overmoed,
En zij wist zich zoo behagend
In haar zomersche overvloed,
--Uit de mousselienen kleeren
Vloeide een geur als van jasmijn,
Van haar lippen het begeeren,
Kussend, weergekust te zijn--
Dat ik het mij kan verklaren
Hoe 'k met onbedwongen lust
Lippen, oogen, hals en haren
Kussend... ben weerom gekust.
* * * * *
III. Verzen uit het Boek
"Dood".
In memoriam Ida Roberti.
* * * * *