DRUILENDE DAG.

Aan Dr. P. H. van Moerkerken.

Binnenvaartscheepjes met zwart-glanz'ge rompen

Liggen te domm'len langs de kade-lijn

In regenschemering, als donk're klompen,

Die kinderlijk getuigd met lompen zijn.

Een vlagje rook, van diep ultramarijn-

Blauw, dat de vochtbezwaarde nevels dompen

Waar 't even wappert, wimpelt uit het stompe

Vierkanten houten schoorsteenpijpje; een klein

Bruin glimmend schipperke loopt langs den boord

Van 't schip, blaft naar zijn buurman, om gestild

Druilstaartend, 't trapje af naar de roef te gaan.

Dan valt de nacht; de schipper hijscht aan 't koord

Het mastlicht op, dat vreedzaam medetrilt

Met stadslantarens, dié op schildwacht staan.

* * * * *

Gedichten(#15273) · 第 69 / 100 题