Aan Dr. P. H. van Moerkerken.
Binnenvaartscheepjes met zwart-glanz'ge rompen
Liggen te domm'len langs de kade-lijn
In regenschemering, als donk're klompen,
Die kinderlijk getuigd met lompen zijn.
Een vlagje rook, van diep ultramarijn-
Blauw, dat de vochtbezwaarde nevels dompen
Waar 't even wappert, wimpelt uit het stompe
Vierkanten houten schoorsteenpijpje; een klein
Bruin glimmend schipperke loopt langs den boord
Van 't schip, blaft naar zijn buurman, om gestild
Druilstaartend, 't trapje af naar de roef te gaan.
Dan valt de nacht; de schipper hijscht aan 't koord
Het mastlicht op, dat vreedzaam medetrilt
Met stadslantarens, dié op schildwacht staan.
* * * * *