DE VECHT.

Er ligt een landhuis aan den stroom verlaten;

Verbleekt, met donkre luiken, staart het blind,

En laat den stroom, die eenzaam voortglijdt, praten

En luistert niet naar 't fluist'ren van den wind.

Maar vroeger, toen Hoogmogenden der Staten

Daar in den zomer poosden van 't bewind,

En staat en krijg voor huis en vreê vergaten,

En kind'ren stoeiden over 't melkwit grint,

Toen leefde 't Huis en de bevolkte stroom

Wiegde de schepen, die blank-zeilig gleden,

Vredig van gang naar 't schatrijk Amsterdam,

Nu droomt het landhuis daar zijn eeuw'gen droom

Van eindloos heimwee naar die lang geleden

Glorievolle eeuw, die nimmer wederkwam.

* * * * *

Gedichten(#15273) · 第 68 / 100 题